Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD0138

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
R07/124HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD0138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Verlof tot tenuitvoerlegging van Duits bevel aan Nederlandse curator tot afgifte van goederen onder eigendomsvoorbehoud; materieel toepassingsgebied, verhouding EEX-Verordening en Insolventieverordening; prejudiciële vraag over strekking van art. 25 lid 2 en 4 lid 2, aanhef en onder b, IVO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 499
NJ 2008, 354
RvdW 2008, 650
RI 2008, 67
NJB 2008, 1455
JWB 2008/285
JOR 2008/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 2008

Eerste Kamer

Nr. R07/124HR

IV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

GERMAN GRAPHICS GRAPHISCHE MASCHINEN GMBH,

gevestigd te Braunschweig,

Duitsland

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

Mr. Alice VAN DER SCHEE, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Holland Binding B.V.,

wonende te Amerongen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als German Graphics en de curator.

1. Het geding in feitelijke instanties

De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 1 november 2006 Holland Binding B.V. in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig.

Bij verzoekschrift van 8 december 2006 heeft German Graphics verlof verzocht tot tenuitvoerlegging van een beslissing van het Landgericht Braunschweig van 5 december 2006.

De voorzieningenrechter te Utrecht heeft bij beschikking van 18 december 2006 de Duitse beschikking uitvoerbaar verklaard.

Tegen dit vonnis heeft de curator beroep ingesteld bij de rechtbank Utrecht.

Bij beschikking van 28 maart 2007 heeft de rechtbank de beschikking van de voorzieningenrechter ingetrokken.

Deze beschikking van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft German Graphics principaal beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen op het principaal en het incidenteel beroep, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zal verzoeken over de in de conclusie onder 32 en 37 bedoelde vragen van uitlegging van de Insolventieverordening uitspraak te doen.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 Bij "Beschluss" van 5 december 2006 heeft het Landgericht Braunschweig (BRD) op verzoek van German Graphics "im Wege einer einstweiligen Verfügung" de curator bevolen enkele machines die zich bij de gefailleerde Holland Binding B.V. bevinden "an den zuständigen Vollstreckungsbeamten des für den belegenen Ort zuständigen Gerichts als Sequester bis zur rechtskräftigen Entscheidung im Hauptsacheverfahren herauszugeben". German Graphics heeft op de voet van de Verordening (EG) nr. 44/2001, Pb EG 2001 L 012 (EEX-Verordening), verzocht om verlof tot tenuitvoerlegging van dit "Beschluss". De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen. De rechtbank heeft de beschikking van de voorzieningenrechter ingetrokken.

3.2 De rechtbank heeft haar oordeel, kort samengevat, als volgt gemotiveerd.

(a) Het verzoek van German Graphics tot het treffen van een bewarende maatregel vindt niet zijn oorsprong in het insolventierecht. Het is ook niet een verzoek dat uitsluitend tijdens de insolventieprocedure kan worden ingesteld. German Graphics heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat ingevolge de met Holland Binding B.V. gesloten koopovereenkomst ten gunste van German Graphics een eigendomsvoorbehoud rust op bepaalde goederen die zich bij Holland Binding B.V. bevinden. Haar verzoek is bedoeld om dit eigendomsvoorbehoud veilig te stellen. De Verordening (EG) nr. 1346/2000, Pb EG 2000 L 160 (Insolventie-verordening, verder IVO) is hier niet van toepassing.

(b) De Duitse beslissing is gegeven zonder oproeping van de curator en zonder de mogelijkheid tot het voeren van verweer. De beslissing is dus een gevolg van een procedure die in afwezigheid van de verweerder wordt gevoerd en dus geen contradictoire procedure. Hoofdstuk III van de EEX-Verordening is niet van toepassing.

(c) Art. 34 aanhef en onder 2 EEX-Verordening heeft expliciet betrekking op de situatie dat een verweerder bij verstek is veroordeeld. De toevoeging in art. 34 aanhef en onder 2 is bedoeld om toepassing van deze bepaling te vereenvoudigen. Dit brengt mee dat deze bepaling ziet op het geval dat een verweerder, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen. Nu de curator niet is opgeroepen te verschijnen, dient toetsing aan (de tenzij-formule van) art. 34 achterwege te blijven.

4. Beoordeling van het middel in het principale en in het incidentele beroep

4.1 Het middel in het principale beroep bevat in de kern drie klachten. De centrale klacht (in de onderdelen 2.2-2.2.5) keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat hoofdstuk III van de EEX-Verordening niet van toepassing is. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat (i)het verzoek betrekking heeft op een beslissing betreffende een voorlopige of bewarende maatregel en dat (ii)deze beslissing is gegeven zonder dat de partij tegen wie zij is gericht, is opgeroepen. Voorzover de klacht deze beide laatstvermelde oordelen bestrijdt, faalt zij omdat deze oordelen geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk zijn, waarbij aantekening verdient dat het onder (i) bedoelde oordeel mede berust op een aan de rechtbank voorbehouden uitleg van het Duitse recht die ingevolge art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. De klacht treft evenwel doel voorzover zij ertoe strekt dat de rechtbank de stelling van German Graphics dat de beslissing aan de curator is betekend en dat de curator de mogelijkheid heeft gehad daartegen een rechtsmiddel in te stellen, niet onbehandeld had mogen laten op de grond dat deze geen afbreuk kan doen aan het oordeel dat hoofdstuk III niet van toepassing is. Indien de rechtbank van oordeel was dat de eis van betekening geen zelfstandige betekenis heeft, is zij uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HvJEG 14 oktober 2004, zaak C-39/02 (Maersk/De Haan), NJ 2007, 389; HR 29 september 2006, nr. C05/147, NJ 2007, 393). Als de rechtbank van oordeel was dat deze stelling niet tot de conclusie kan leiden dat niet aan de eis van betekening is voldaan, is haar oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.

4.2 De klacht in de onderdelen 2.1-2.1.10 bestrijdt tevergeefs het oordeel dat art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening niet van toepassing is. Deze bepaling ziet immers niet op een geval als het onderhavige, waarin de verweerder niet is opgeroepen en ook niet behoefde te worden opgeroepen. De derde klacht (in de onderdelen 2.3-2.3.6) houdt in dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst aan de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 1, van deze verordening. De klacht faalt bij gebrek aan belang.

4.3 Nu het principale beroep slaagt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld.

4.4 Het middel keert zich tegen het hiervoor in 3.2 onder (a) weergegeven oordeel van de rechtbank. Het klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het "Beschluss" onder het bereik valt van art. 25 lid 1, tweede alinea, IVO en dat de EEX-Verordening hierop niet van toepassing is, althans dat de rechtbank haar oordeel op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd.

4.5 De Duitse beslissing is niet een beslissing als bedoeld in art. 16 lid 1 IVO. Zij is ook niet gegeven door een rechter wiens beslissing tot opening van de procedure krachtens art. 16 is erkend en zij heeft bovendien niet betrekking op het verloop of de beëindiging van de insolventieprocedure. Zij is evenmin gegeven door de insolventierechter of een andere rechter in de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend. Ten slotte heeft zij ook niet betrekking op beslissingen van de insolventierechter, zodat zij geheel buiten het bereik van art. 25 lid 1 IVO valt.

4.6. Daarmee rijst de vraag of ingevolge art. 25 lid 2 IVO de erkenning en tenuitvoerlegging van de Duitse beslissing worden beheerst door de EEX-Verordening. Niet duidelijk is of aangenomen moet worden dat dit op grond van deze bepaling zonder meer het geval is dan wel eerst nog moet worden onderzocht of de beslissing op grond van art. 1 lid 2, aanhef en onder b, EEX-Verordening buiten het materiële toepassingsgebied van deze verordening valt. Mitsdien is de beantwoording van voormelde vraag in dit geding afhankelijk van de uitleg van art. 25 lid 2 IVO en, als een nader onderzoek als vorenbedoeld nodig is, van de uitleg van art. 1 lid 2, aanhef en onder b, EEX-Verordening. De Hoge Raad ziet aanleiding na te melden vragen van uitleg op de voet van art. 234 in verbinding met art. 68 EG voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

5. Omschrijving van de feiten waarop de door het Hof van Justitie te geven uitleg moet worden toegepast

De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor in 3.1 vermelde feiten, waarvan te dezen moet worden uitgegaan.

6. Vragen van uitleg

1. Moet art. 25 lid 2 van de Insolventieverordening aldus worden uitgelegd dat de daarin opgenomen woorden "voorzover dat Verdrag (i.e. de EEX-Verordening) van toepassing is" inhouden dat alvorens met betrekking tot andere dan de in art. 25 lid 1 IVO bedoelde beslissingen kan worden besloten tot toepasselijkheid van de erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling van de EEX-Verordening, eerst nog moet worden onderzocht of zij op grond van art. 1 lid 2, aanhef en onder b, EEX-Verordening buiten het materiële toepassingsgebied van deze verordening vallen?

2. Moet art. 1 lid 2, aanhef en onder b, EEX-Verordening in verbinding met art. 7 lid 1 IVO aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een goed waarop het eigendomsvoorbehoud rust, zich op het tijdstip waarop een insolventieprocedure tegen de koper wordt geopend, bevindt in de lidstaat waar die insolventieprocedure is geopend, ertoe leidt dat een op het eigendomsvoorbehoud gegronde vordering van de verkoper als die van German Graphics moet worden beschouwd als een vordering die betrekking heeft op het faillissement, als bedoeld in art. 1 lid 2, aanhef en onder b, EEX-Verordening en die daarom buiten het materiële toepassingsgebied van die verordening valt?

3. Is in het kader van vraag 2 van belang dat ingevolge art. 4 lid 2, aanhef en onder b, IVO het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, bepaalt welke goederen tot de boedel behoren?

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de hiervoor onder 6 geformuleerde vragen uitspraak te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding tot het Hof van Justitie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 juni 2008.