Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC9861

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
07/11138
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC9861
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over partner- en kinderalimentatie; passeren bewijsaanbod, partijgetuige, ongeoorloofde prognose.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 166, geldigheid: 2008-04-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 318
NJ 2008, 243
RvdW 2008, 447
NJB 2008, 1029
JWB 2008/195

Uitspraak

18 april 2008

Eerste Kamer

Nr. 07/11138

IV/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. A.S. Douma,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 2 maart 2005 ter griffie van de rechtbank Assen ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, tussen partijen echtscheiding uit te spreken, met vaststelling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud voor de vrouw op nihil en die van de uit dat huwelijk geboren minderjarige kinderen, zoals in het verzoekschrift vermeld.

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de man te veroordelen tot het betalen van een bijdrage in het levensonderhoud van de twee kinderen van € 550,-- per kind per maand en van haarzelf van € 1000,-- per maand.

Bij tussenbeschikking van 1 juni 2005 heeft de rechtbank echtscheiding uitgesproken en voor het overige de behandeling aangehouden.

De rechtbank heeft bij eindbeschikking van 10 augustus 2005 de bijdrage voor de minderjarigen met ingang van 1 juni 2005 op € 416,-- per kind per maand gesteld, met afwijzing van de door de vrouw verzochte bijdrage.

Tegen de eindbeschikking hebben de vrouw en de man, ieder voor zich, hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij beschikking van 6 juni 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2005 vernietigd, en opnieuw rechtdoende de bijdrage voor de minderjarigen met ingang van 1 juni 2005 vastgesteld op € 279,-- per kind per maand en de beschikking bekrachtigd voor zover daarbij het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw is afgewezen. De overige verzoeken van de vrouw en de man heeft het hof afgewezen

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man is niet verschenen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 22 februari 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Tussen partijen, die op 8 november 1999 met elkaar zijn gehuwd en uit wier huwelijk twee kinderen zijn geboren, is op verzoek van de man op 1 juni 2005 echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 26 juni 2005 in het daartoe bestemde register ingeschreven. De twee kinderen wonen bij de vrouw. De man is werkzaam in het in [A] Holding B.V. ondergebrachte garagebedrijf van zijn vader en daartoe in dienst van deze besloten vennootschap.

3.2 De rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee kinderen, de minderjarigen [kind 1], geboren [geboortedatum] 2000, en [kind 2], geboren [geboortedatum] 2001, met ingang van 1 juni 2005 bepaald op € 416,-- per kind per maand en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen.

3.3 Het hof heeft de door de man ten behoeve van de kinderen te betalen bijdrage bepaald op € 279,-- per maand en de beroepen beschikking bekrachtigd, voor zover daarbij het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw is afgewezen.

3.4 Het hof heeft onder het kopje "Het inkomen van de man" omtrent de invloed van het salaris van de vrouw onder 6 overwogen:

"In hoger beroep heeft de man uitdrukkelijk de stelling van de vrouw weersproken dat het door de vrouw in 2004 genoten salaris feitelijk door hem gegenereerd inkomen betreft. Voorts blijkt uit de stukken - met name brieven van de werkgever d.d. 19 december 2004 en 24 januari 2005 en van de boekhouder van 2 november 2005 - niet anders dan dat de vrouw zelf in loondienst is geweest bij [A] Holding B.V. (tevens werkgever van de man) en uit dien hoofde ook arbeid heeft verricht, althans gehouden is geweest arbeid te verrichten. Gelet hierop vindt het hof in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd onvoldoende grond om aan te nemen dat de man in 2004 meer inkomen heeft gegenereerd dan blijkt uit zijn jaaropgaaf 2004, zodat er geen aanleidng is om in verband hiermee zijn huidig inkomen, althans zijn verdiencapaciteit hoger in te schatten."

3.5 Onderdeel 1.3 klaagt dat het hof ten onrechte zonder nadere of andere motivering is voorbijgegaan aan het aanbod van de vrouw om (tegen)bewijs te leveren van haar stelling dat zij nimmer arbeid verrichtte.

De klacht slaagt. Indien het hof heeft nagelaten te beslissen op het bewijsaanbod van de vrouw, heeft het art. 166 lid 1 Rv. geschonden, aangezien uit die bepaling voortvloeit dat de rechter ten aanzien van een op behoorlijke wijze gedaan bewijsaanbod een beslissing geeft. Indien het hof het bewijsaanbod stilzwijgend heeft verworpen op de grond dat het hier gaat om een aanbod van een partij zichzelf als getuige te laten horen zonder dat aanvullend bewijs aanwezig is, is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Evenals ten aanzien van verklaringen van andere getuigen het geval is, dient ook ten aanzien van de verklaringen van een partijgetuige de vraag welke betekenis aan deze verklaring toekomt, pas aan de orde te komen na het getuigenverhoor (HR 1 november 1991, nr. 14399, NJ 1992, 26 en HR 1 november 1991, nr. 14575, NJ 1992, 27).

3.6 De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 6 juni 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 april 2008.