Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC9406

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
00814/07 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC9406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslag. Van een vervolgde zaak i.d.z.v. art. 552a.3 Sv is geen sprake wanneer een zaak, zonder dat een rechter in de zaak betrokken is, met een sepot is geëindigd. In een dergelijk geval is sprake van een vervolging die niet is ingesteld a.b.i. art. 552a.4 Sv en geldt dat een klaagschrift uiterlijk binnen 2 jaren na de inbeslagneming of kennisneming daarvan moet zijn ingediend. Het oordeel van de Rb dat, gelet op de sepotbeslissing, sprake is van een vervolgde zaak die tot een einde is gekomen, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 117
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 184
NBSTRAF 2008/184
NJ 2008, 250
JOL 2008, 309
RvdW 2008, 465
JOW 2009, 37
NJB 2008, 1037

Uitspraak

15 april 2008

Strafkamer

nr. 00814/07 B

IC/AW

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Utrecht van 21 december 2006, nummer RK 06/855, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft het door klager ingediende beklag niet-ontvankelijk verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. G.A. Speelman, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in diens beklag.

3.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Het klaagschrift is gericht tegen de verbeurdverklaring door de officier van justitie op grond van art. 116, tweede lid Wetboek van Strafvordering (Sv) van de onder klager inbeslaggenomen dieren.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen klager als verdachte (met opgemeld parketnummer), van het schriftelijk advies van de officier van justitie d.d. 24 oktober 2006 en van voornoemd klaagschrift. De officier van justitie heeft in het commentaar aangegeven per abuis aan de bewaarder de opdracht te hebben gegeven de dieren verbeurd te verklaren terwijl het bevel op grond van art. 117 had moeten worden gegeven, dit omdat de kosten van de stalling en het voederen van de dieren niet (meer) in redelijke verhouding stonden tot de waarde van de dieren. Naar zijn zeggen heeft de bewaarder wel goed teruggekoppeld door te vermelden dat de dieren op grond van art. 117 Sv zijn verkocht.

Art. 117 lid 4 Sv bepaalt dat indien de inbeslaggenomen voorwerpen bij machtiging van het openbaar ministerie tegen baat worden vervreemd, het beslag, onverminderd het bepaalde in art. 116 Sv, blijft rusten op de opbrengst daarvan.

De rechtbank verstaat derhalve het klaagschrift als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv.

(..)

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

1. wegens verdenking van overtreding van de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren zijn onder klager op 21 december 2004 in beslag genomen: 3 pony's en 1 paard;

2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen;

3. bij beslissing van de rechtbank van 10 maart 2005 is het bezwaarschrift tegen de inbeslagname, nadat de behandeling daarvan tweemaal eerder (tevergeefs) was aangehouden om een ander onderkomen voor de dieren te vinden, ongegrond verklaard op grond van de overweging dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een strafrechter, later oordelend, de dieren zal verbeurd verklaren;

4. op 8 juli 2006 (De Hoge Raad leest: 2005) heeft de officier van justitie aan de bewaarder van voornoemde dieren een beslissing ex artikel 116 Sv doen toekomen;

5. op 11 juli 2005 is aan klager door de officier van justitie een sepotbericht gezonden met de mededeling dat klager in de onderhavige zaak niet verder zal worden vervolgd, met als reden dat klager zelf door het gebeurde of de gevolgen daarvan is getroffen;

6. de dieren zijn verkocht en brachten gezamenlijk € 750,- op. Op het moment van de inbeslagname werd de waarde geschat op € 325,-;

7. in het dossier bevindt zich een kopie van een brief d.d. 19 oktober 2005 waarin door een medewerker van het Parket aan mr. Godthelp voornoemd wordt medegedeeld dat op 7 juli 2005 ten aanzien van de dieren de beslissing "handelen als verbeurdverklaard" naar de Dienst Laser is gezonden en dat op 8 juli 2005 de beslissing sepot op grond van "door feit en gevolgen getroffen" is genomen.

Overwegingen

Art 552a, derde lid bepaalt dat binnen een tijdsbestek van drie maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, een klaagschrift over inbeslaggenomen goederen moet worden ingediend. Nu is gebleken dat reeds op of omstreeks 19 oktober 2005 aan de raadsvrouw is medegedeeld dat de zaak middels sepot op 8 juli 2005 is geëindigd, moet worden geoordeeld dat het klaagschrift (ruim) buiten de wettelijk vereiste termijn is ingediend, zodat dit niet ontvankelijk dient te worden verklaard."

3.3. De Rechtbank heeft het klaagschrift, hetgeen niet onbegrijpelijk is, opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, gericht tegen het beslag op de opbrengst van de overeenkomstig art. 117, tweede lid aanhef en onder b, Sv vervreemde dieren.

3.4. Art. 552a, derde en vierde lid (oud), Sv luidt:

"3. Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming der voorwerpen of de kennisneming der gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming of kennisneming ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming of kennisneming is geschied. De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift of het verzoek een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift of het verzoek ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid."

3.5. Van een vervolgde zaak in de zin van art. 552a, derde lid, Sv is geen sprake wanneer een zaak, zonder dat een rechter in de zaak betrokken is, met een sepot is geëindigd. In een dergelijk geval is sprake van een situatie waarin geen vervolging is ingesteld zoals bedoeld in art. 552a, vierde lid, Sv zodat een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming of kennisneming daarvan moet zijn ingediend. Het oordeel van de Rechtbank dat, gelet op de sepotbeslissing, sprake is van een vervolgde zaak die tot een einde is gekomen, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Rechtbank heeft de klager dus niet-ontvankelijk verklaard op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.

3.6. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft, en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008.