Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC9344

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
C07/088HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC9344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW voor uitglijden werknemer over opstapje tussen als kantoorruimte gebruikte portacabins; onveilige werksituatie, causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 551
NJ 2008, 326
RvdW 2008, 598
RAR 2008, 109
RAV 2008, 79
NJB 2008, 1336
JWB 2008/254
JA 2008/123
JAR 2008/168
AR-Updates.nl 2008-0352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juni 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/088HR

RM/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Brandt,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 28 maart 2002 [verweerster] gedagvaard voor de kantonrechter te Zwolle, en gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van zijn schade als gevolg van het hem op 20 november 1999 overkomen bedrijfsongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft, na bij tussenvonnis van 3 december 2002 [verweerster] tot bewijslevering te hebben toegelaten, bij tussenvonnis van 29 juli 2003 een deskundigenbericht gelast. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindvonnis van 27 juli 2004 de vordering van [eiser] toegewezen.

Tegen voornoemde vonnissen heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 12 december 2006 heeft het hof de vonnissen van de kantonrechter vernietigd en de vordering van [eiser] alsnog afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 10 april 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] was ten tijde van het hierna onder (v) vermelde ongeval als verkoopleider in dienst van [verweerster].

(ii) Ten tijde van het ongeval bevonden zich in de showroom van [verweerster] twee zogeheten portacabins, die als kantoorruimtes werden gebruikt. Deze portacabins waren elk voorzien van één deurkozijn met deur. De cabins waren zodanig naast en tegen elkaar geplaatst dat de deurkozijnen in de voorgevel van de portacabins zich naast elkaar bevonden. De deuren waren doorgaans geheel geopend, waarbij elk plat tegen de zich naast het deurkozijn bevindende cabinwand aan stond. De afstand tussen de twee deuropeningen werd gevormd door de dikte van de twee tegen elkaar geplaatste zijwanden van de cabins en van de beide aangrenzende stijlen van de deurkozijnen.

(iii) In elk van de deurkozijnen bevond zich een dorpel die was voorzien van een geribbeld aluminium profiel, terwijl voor de twee deuren een opstapje was geplaatst dat met haken buiten de portacabins was vastgezet. Dit opstapje was van een vilten vloerbedekking voorzien en was aan de buitenste rand afgewerkt met een aluminium profiel van 40 mm breed, waarin weer een rubberen strip van 25 mm was opgenomen.

(iv) Op 20 november 1999 is [eiser] - terwijl hij de ene kantoorruimte verliet en de andere binnenging - gevallen, als gevolg waarvan hij letselschade heeft opgelopen.

3.2 [Eiser] acht [verweerster] als zijn werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk voor de schade die hij lijdt als gevolg van dit ongeval. Volgens [eiser] is het ongeval geschied toen hij vanuit zijn, van voren gezien rechts gelegen, kantoorruimte naar de daarnaast gelegen kantoorruimte wilde gaan. Daartoe wilde hij, uit de cabin op het opstapje stappend, gelijktijdig met een draai naar rechts de daarnaast gelegen kantoorruimte binnengaan. Toen hij uit de cabin stapte is hij met zijn voet uitgegleden over de gladde chromen strip aan de buitenkant van het opstapje, waardoor hij is gevallen. Daarom was sprake van een onveilige werksituatie.

[Verweerster] bestrijdt dat [eiser] is uitgegleden over de strip maar stelt dat deze, als ware hij Tarzan, zich van de ene ruimte naar de andere heeft geslingerd waarbij hij zich aan de deurpost vasthield. Doordat zijn hand van deze deurpost afglipte, is hij komen te vallen. Het opstapje en de deurpost voldeden volgens [verweerster] aan de daaraan te stellen eisen. Op het opstapje is een metalen strip geplaatst die niet glad is, doch juist voorkomt dat het betreffende opstapje glad wordt. Het opstapje is voorzien van antislip, aldus [verweerster].

3.3 De kantonrechter heeft de vordering van [eiser] tot vergoeding van zijn schade toegewezen, maar het hof heeft in hoger beroep het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. Daartoe heeft het hof in rov. 3.6 het volgende overwogen:

"3.6 Weliswaar moet het opstapje worden beschouwd als een trap, terwijl deze trap niet aan het Bouwbesluit 2003 voldoet. De tredebreedte is immers slechts 510 mm, terwijl deze minimaal 700 mm dient te zijn. Maar aangezien is gesteld, noch anderszins is gebleken, dat [eiser] daardoor is komen te vallen, is dit in het onderhavige geval niet relevant. [Eiser] stelt dat hij over de strip aan de buitenkant van het opstapje is uitgegleden en daardoor is komen te vallen. Ook als deze, door [verweerster] betwiste, stelling juist is, leidt dat niet tot aansprakelijkheid van [verweerster] op grond van het in artikel 7:658 lid 1 BW bepaalde. Vast staat immers dat de strip op de buitenkant van het opstapje aan de gangbare eisen voldoet. Dat wil niet zeggen dat de strip onder alle omstandigheden een veilige voorziening tegen uitglijden vormt of hoeft te vormen. Nu de deskundige Scholten heeft vastgesteld dat de strip voldoet aan hetgeen men in de bouwpraktijk goed en deugdelijk werk noemt - zodat aan de wettelijke vereisten van de bouwregelgeving en de arbeidsomstandighedenwetgeving is voldaan -, bestond voor [verweerster] geen aanleiding of noodzaak voor een andere oplossing te kiezen. De schadelijke gevolgen van deze - ongelukkige - val komen voor eigen rekening van [eiser]."

3.4.1 Het middel komt in onderdeel 3 op tegen het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat het opstapje, dat moet worden beschouwd als een trap, als zodanig niet aan het Bouwbesluit 2003 voldoet omdat de tredebreedte slechts 510 mm is, terwijl deze minimaal 700 mm dient te zijn, in het onderhavige geval niet relevant is, aangezien is gesteld noch anderszins is gebleken dat [eiser] daardoor is komen te vallen nu hij heeft gesteld dat hij over de strip aan de buitenkant van het opstapje is uitgegleden en daardoor is komen te vallen. Het onderdeel noemt dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de door de kantonrechter benoemde deskundige, Dr. Ir. N.P.M. Scholten in zijn, zich bij de gedingstukken bevindende, rapport op p. 12 en 13 heeft opgemerkt, met name in de door het onderdeel geciteerde passages.

3.4.2 Bij de beoordeling van deze klacht moeten de in het onderdeel opgenomen citaten uit het rapport van de deskundige worden begrepen in hun context in het rapport. Daarom is het nodig deze context kort te schetsen.

De deskundige heeft in paragraaf 3.2.6 van zijn rapport (p. 12-13) een analyse gegeven van het onderhavige opstapje. Dat heeft hij gedaan tegen de achtergrond van de door hem in de daaraan voorafgaande paragrafen vermelde relevante voorschriften, onder meer par. 2.5.2 van het Bouwbesluit 2003 (die volgens de deskundige niet afwijkt van de daarmee corresponderende bepaling die ten tijde van het ongeval gold) en art. 90 lid 3 van de Model-bouwverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en de voorschriften in het Arbeidsomstandighedenbesluit die inhouden dat arbeidsplaatsen veilig toegankelijk zijn en veilig kunnen worden verlaten (art. 3.2 lid 1), en dat verbindingswegen op de arbeidsplaats - dat zijn de routes waarlangs werknemers zich verplaatsen tijdens het werk (dus ook bij verplaatsing van het ene naar het andere kantoor) - zodanig zijn gelegen en ingericht dat zij veilig door voetgangers en voertuigen of transportmiddelen kunnen worden gebruikt (art. 3.14). Daarbij heeft de deskundige vastgesteld dat voldoen aan het Bouwbesluit 2003 geacht mag worden te leiden tot een situatie die voldoet aan de Arbeidsomstandighedenwet. Na in zijn analyse te hebben vastgesteld dat de onderhavige opstap een trap van één trede is die niet tevens kan worden beschouwd als een vloer omdat daarvoor de afmetingen te gering zijn, komt hij tot de conclusie dat strikt genomen naar de letter van de genoemde bouwvoorschriften deze trap moet aansluiten aan een vloer met de in die bepalingen voorgeschreven afmetingen. Maar als de deuren altijd openstaan is volgens de deskundige de noodzaak minder aanwezig omdat de vloer van de kantoorruimten zelf kan worden gezien als de aan de bovenzijde van de trap aansluitende vloer. Bij het lopen vanuit de showroom naar de kantoorruimten en vanuit de kantoorruimten naar de showroom met de deur in geopende stand, wordt het "missen" van een aansluitende vloer niet als problematisch ervaren, aldus de deskundige. Daarop vervolgt hij zijn analyse met opmerkingen die zijn toegespitst op de functie die het opstapje ook heeft als verbinding tussen de twee kantoorruimten in de portacabins:

"Echter, de trede van de opstap (510 mm breed), is tevens aan te merken als vloer van een verkeersruimte in termen van het Bouwbesluit 2003 en als verbindingsweg in termen van het Arbobesluit tussen de beide kantoorruimten. Daarvoor zal volgens het Bouwbesluit bestaande bouw de afmeting ten minste 700 mm moeten zijn. Dat kan worden afgeleid uit de eisen van de vloer die aan de bovenzijde van een trap aanwezig moet zijn. Die afmeting is niet aanwezig.

Bij de schouw ter plaatse is bij het lopen tussen de beide kantoorruimten door de beide TNO-medewerkers vastgesteld dat deze geringe afmeting van de opstap, gemeten loodrecht op de kantoorruimten, het risico met zich brengt dat lopende in de richting vanuit een kantoorruimte de voet niet voldoende op de opstap wordt gezet, maar eigenlijk zover naar buiten dat nog maar deels op de opstap (= deels op strip met rubber en deels daar voorbij) wordt gestaan. Vastgesteld moet worden dat daarmee naar het oordeel van TNO Bouw niet aan de bedoelingen van de bouw- en arboregelgeving is voldaan.

Bij een kleinere opstap (= beduidend kleinere breedte van de trede dan 510 mm) zal zich dit risico niet voordoen, omdat men dan gedwongen wordt door te lopen tot op de vloer van de showroom. Bij een grotere afmeting van de opstap (het minimum moet dan 700 mm zijn, immers het rechtens verkregen niveau is lager dan dat van de bestaande bouw uit Bouwbesluit 2003 zodat dit laatste niveau bepalend is) doet zich dit risico ook niet voor.

Deze analyse geldt mutatis mutandis voor de artikelen 3.2 en 3.14 van het Arbeidsomstandighedenbesluit."

3.4.3 Hetgeen de deskundige hier als zijn oordeel te kennen geeft kan niet anders worden begrepen, dan dat door de afmetingen van het opstapje een onveilige situatie bestond voor de werknemers die van de kantoorruimte in de ene portacabin over het opstapje liepen naar de kantoorruimte in de andere portacabin. Nu heeft [verweerster] het rapport van de deskundige in hoger beroep door middel van haar grieven 5 tot en met 7 tegen het eindvonnis van de kantonrechter van 27 juli 2004 weliswaar bestreden, maar het hof heeft, zoals blijkt uit de eerste twee zinnen van rov. 3.6 van het bestreden arrest, kennelijk, al dan niet veronderstellenderwijs, de juistheid van het rapport aangenomen, zodat ook in cassatie daarvan moet worden uitgegaan.

3.4.4 Indien, zoals het hof heeft gedaan, ervan wordt uitgegaan dat [eiser] is uitgegleden over de strip aan de buitenkant van het opstapje, hield het ongeval direct verband met het lopen over het opstapje van de ene cabin naar de andere. Het is dan geenszins uitgesloten te achten dat het door de deskundige voor dat geval aanwezig geachte risico dat juist door de te geringe afmetingen van het opstapje [eiser] met zijn voet deels op de strip en deels daaroverheen is terechtgekomen, zich heeft gerealiseerd (zoals de kantonrechter in rov. 4 tot en met 6 van zijn eindvonnis had aangenomen) en dat dit de oorzaak ervan was dat [eiser] over de strip is uitgegleden.

In dit licht is onbegrijpelijk dat het hof van oordeel was dat de omstandigheid dat de afmetingen van het opstapje in strijd waren met de geldende bouwkundige normen, niet relevant was "in het onderhavige geval", waarmee het hof klaarblijkelijk bedoelt: voor de beoordeling of [verweerster] op de voet van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden.

3.4.5 Op grond hiervan slaagt onderdeel 3 en dit brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 12 december 2006;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 juni 2008.