Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC8979

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
R07/083HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC8979
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Afwijzing van als nevenvoorziening in echtscheidingsprocedure door de man gedaan verzoek tot teruggave door de vrouw van bij de aanvang van het huwelijk door haar ontvangen sieraden en gouden riem; gebrek aan belang bij verzoek van de man nu deze stelt dat over de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap nog afzonderlijk moet worden beslist; geen gebondenheid van de rechter die over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap moet beslissen aan het ter motivering van de afwijzing van de gevraagde nevenvoorziening gegeven oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 574
RvdW 2008, 741
NJB 2008, 1634
JWB 2008/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juli 2008

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/083HR

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 31 januari 2006 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, tussen partijen echtscheiding uit te spreken.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij beschikking van 26 april 2006 de echtscheiding uitgesproken.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De man heeft in hoger beroep enkele nevenvoorzieningen verzocht.

Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft het hof de echtscheiding naar Nederlands recht tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de vrouw aan de man € 240,-- per maand zal betalen als uitkering in zijn levensonderhoud en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) Partijen zijn op 21 oktober 2003 te Berkane (Marokko) gehuwd.

(ii) De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. De man heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft zich in 2004 in Nederland gevestigd.

3.2 De man heeft, in de onderhavige scheidingszaak, in hoger beroep als nevenvoorziening, onder meer - naar het hof kennelijk heeft begrepen - verzocht de veroordeling van de vrouw tot teruggave van diverse sieraden en een gouden riem die de vrouw bij de aanvang van het huwelijk heeft ontvangen.

3.3 Het hof heeft dit verzoek van de man afgewezen op de gronden (a) dat niet Marokkaans recht, zoals de man had aangevoerd, maar Nederlands recht van toepassing is op het huwelijkvermogensregime van partijen, (b) dat nu niet gebleken is van tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden, naar Nederlands recht van rechts-wege een algehele gemeenschap van goederen is ontstaan, (c) dat riem en sieraden als verknocht aan de vrouw kunnen worden beschouwd aangezien deze aan haar cadeau zijn gegeven en derhalve geen deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap.

3.4 Het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof terecht heeft beslist dat Nederlands recht van toepassing is op het tussen partijen geldende huwelijksvermogens-regime. Nu de man voorts, blijkens de inleiding op de klachten onder a, stelt dat de verdeling van de gemeenschap van goederen thans nog niet aan de orde is en dat daarover zo nodig afzonderlijk zal moeten worden geprocedeerd, mist de man belang bij zijn klachten tegen het in 3.3 onder c vermelde oordeel. Anders dan de man veronderstelt, is de rechter die zo nodig zal hebben te beslissen over de vraag of en op welke wijze de riem en de sieraden in de verdeling moeten worden betrokken, niet gebonden aan dit ter motivering van de afwijzing van de gevraagde nevenvoorziening gegeven oordeel.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.