Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC8789

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
07/10578 HS
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC8789
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Geuridentificatieproef. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter o.g.v. het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid a.b.i. art. 457.1.2° Sv. Nu het bewezenverklaarde ook zonder de resultaten van de geuridentificatieproeven uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, doet zich niet het hiervoor bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Pr aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 457
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 204
NBSTRAF 2008/204
JOL 2008, 342
NJ 2008, 591
RvdW 2008, 496
NJB 2008, 1089

Uitspraak

22 april 2008

Strafkamer

nr. 07/10578 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op de aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 2 juni 2003, nummer 05/090539-02, ingediend door mr. P.M. Breukink, advocaat te Alkmaar, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 21 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.

4. Achtergrond van de aanvrage

4.1. Door het openbaar ministerie is aan een groot aantal onherroepelijk veroordeelden bij brief een mededeling gedaan omtrent uitgevoerde geuridentificatieproeven.

Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat deze brief onder meer inhoudt:

"Bij het opsporingsonderzoek in uw zaak is destijds gebruik gemaakt van een geuridentificatieproef. Deze proef is uitgevoerd door de gezamenlijke oefengroep speurhondengeleiders van de politiekorpsen in Noord- en Oost Nederland.

Uit intern oriënterend onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt. Met name omdat de speurhondengeleider, in afwijking van het protocol, vooraf wel op de hoogte was van de sorteervolgorde

van de geurbuisjes. Recent is door het Gerechtshof Leeuwarden ten aanzien van twee van deze proeven bepaald dat de resultaten ervan niet als bewijs gebruikt mochten worden.

Ook in uw zaak heeft een dergelijke proef plaatsgevonden. Het feit dat u deze brief ontvangt betekent overigens niet dat in uw zaak de geurproef ook daadwerkelijk een rol heeft gespeeld, laat staan een doorslaggevende. Het Openbaar Ministerie heeft uw zaak inhoudelijk niet opnieuw getoetst.

Omdat in uw zaak het arrest onherroepelijk is, is een herzieningsprocedure mogelijk. Een dergelijke procedure is er onder meer voor bedoeld om een strafvonnis door de Hoge Raad te laten toetsen indien naar het oordeel van u als aanvrager er sprake is van een nieuw feit dat, als de rechter dat eerder zou hebben geweten, zou hebben geleid tot bijvoorbeeld een vrijspraak.

Een herzieningsverzoek zou dus aan de orde kunnen komen indien u van oordeel zou zijn dat u destijds niet zou zijn veroordeeld, als de rechter toen geweten had dat de geuridentificatieproef onjuist was uitgevoerd."

4.2. Naar moet worden afgeleid uit voormelde brief is een 'intern oriënterend onderzoek' verricht naar de wijze waarop de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland geuridentificatieproeven heeft uitgevoerd. Kennelijk is uit dat onderzoek gebleken dat in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door genoemde geurhondendienst de geuridentificatieproeven regelmatig niet zijn uitgevoerd volgens het vastgestelde protocol, in het bijzonder dat de hondengeleider bij het uitvoeren van de geuridentificatieproef, in strijd met het protocol, vooraf op de hoogte was van de sorteervolgorde van de geurbuisjes.

Met dit protocol wordt kennelijk gedoeld op voorschriften die zijn neergelegd in de Regeling politiespeurhonden 1997 in samenhang met het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur 1997.

4.3. Naar aanleiding van de resultaten van dat oriënterend onderzoek heeft het openbaar ministerie geïnventariseerd in welke zaken gebruik is gemaakt van een dergelijke, mogelijk onjuist uitgevoerde, geuridentificatieproef. In de desbetreffende zaken is door het openbaar ministerie bovenvermelde brief verzonden waarin de betrokkene omtrent het een en ander wordt geïnformeerd en waarin wordt aangegeven dat een herzieningsverzoek mogelijk aan de orde zou kunnen komen als de betrokkene van oordeel is dat hij destijds niet zou zijn veroordeeld indien de rechter toen had geweten dat de geuridentificatieproef onjuist was uitgevoerd. De onderhavige aanvrage is kennelijk mede naar aanleiding van een dergelijke brief ingediend.

5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

5.1. De volgende voorschriften zijn voor de beoordeling van de aanvrage van belang.

- De Regeling politiespeurhonden 1997 (Stcrt. 1997, 183; hierna: de Regeling), die van kracht was van 25 september 1997 tot 13 april 2006, luidende, voor zover hier van belang:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(...)

c. keuringsreglement: de reglementen op grond waarvan (her)keuringen en examens worden afgenomen."

"Artikel 2

(...)

2. Een politiespeurhond menselijke geur mag uitsluitend worden ingezet voor die taken waarvoor hij is gecertificeerd (speurtaak en/of geuridentificatietaak)."

"Artikel 8

1. Een combinatie van een geleider en een politiespeurhond wordt gekeurd door de keuringscommissie op basis van het keuringsreglement.

(...)

4. Politiespeurhonden menselijke geur dienen geuridentificatieproeven uit te voeren op de wijze waarop zij gecertificeerd zijn."

- Het in art. 1 onder c bedoelde Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur 1997 (hierna: het Keuringsreglement), luidende, voor zover hier van belang:

"I.1 DOELSTELLING

Het doel van dit keuringsreglement voor de politiespeurhond menselijke geur is, dat indien het certificaat op naam van de combinatie van geleider en diens politiespeurhond, als bedoeld in artikel 9 van de "Regeling Politiespeurhonden", wordt behaald:

(...)

c) het risico van het maken van fouten zoveel mogelijk wordt uitgesloten.

(...)

III. DE GEURIDENTIFICATIETAAK

(...)

III.2 GEURIDENTIFICATIEPROEVEN

III.2.1 Algemene doelstelling

Het uitvoeren van deskundige en objectieve geuridentificatieproeven.

III.2.2 Uitvoering

Voor het praktisch examen geuridentificatiehond zullen op een dag twee geuridentificatieproeven moeten worden uitgevoerd, op de wijze zoals beschreven is in supplement 2 ("beschrijving geuridentificatieproef (praktijk)"). Een proef zal een "positieve" proef zijn, de andere een "negatieve" proef, de volgorde hiervan wordt door het lot bepaald. Er mag maximaal 2 uur tussen de proeven zitten. De geleider doet de proeven "blind", d.w.z. dat hij niet weet welke proef hij uitvoert en de uitslag van de proeven wordt hem pas na afloop van de gehele oefening (inclusief herkansing) medegedeeld.

(...)

SUPPLEMENT 2: Beschrijving geuridentificatieproef (praktijk)

Definities.

(...)

volgorde-schema: 36 verschillende volgorden waarin de geurdragers kunnen worden aangeboden, opgenomen als bijlage 1. Deze genummerde schema's zijn voor het hele land gelijk (kenmerk ervan is dat er door deze uitgekiende volgordes de kans dat de hond de toekomstige verdachte in stap een of twee van het sorteren beroken heeft, maximaal is);

helper: opsporingsambtenaar en medeverbalisant, tevens gecertificeerd als "helper" volgens de richtlijnen in bijlage 3. Hij dobbelt voor het volgorde-schema van de geuren, hij stelt het materiaal voor de geuridentificatieproef op in de rijen, hij onderbreekt de proef wanneer de hond een foutieve of geen respons vertoont (waarbij hij afgaat op het teken van de geleider voor het moment van de respons), en wanneer de methode dit vereist geeft hij ook de beloning vrij. De naam van de helper wordt in het pv vermeld;

(...)

Voorbereiding proef.

Er zijn 36 verschillende volgorde-schema's waarin de geurdragers kunnen worden aangeboden, die met 2 getallen (ieder 1 t/m 6) zijn gecodeerd. De helper bepaalt met behulp van een dobbelsteen welke schema gekozen wordt, en stelt op de daartoe bestemde plaats de geurdragers op in twee rijen van ieder 7 verschillende geurdragers (eventueel na elkaar), volgens de voor de hond bekende (en in het certificaat omschreven) aanbiedingsmethode. Dit gebeurt in afwezigheid van de hond en de geleider, de geleider kent de volgorde van de geurdragers in de rij niet en verklaart dit ook (onder ede!) in zijn pv.

(...)

Registratie uitslag.

In een ambtsedig pv wordt melding gemaakt van (...). De geleider verklaart daarin dat hij ten tijde van het uitvoeren van de proef van geen enkele geurdrager wist waar deze zich in de rij bevond (...)."

5.2.1. Het bedoelde protocol beoogt, mede blijkens de hiervoor onder 5.1 weergegeven doelstelling van het Keuringsreglement, onder meer het risico van het maken van fouten zoveel mogelijk uit te sluiten. Daarin ligt besloten dat wordt beoogd de betrouwbaarheid van een geuridentificatieproef te bevorderen door zo veel mogelijk te voorkomen dat de hondengeleider het gedrag van de hond beïnvloedt of verkeerd interpreteert. Het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, moet worden gerekend tot de met het oog op de betrouwbaarheid van de uitkomst van de geuridentificatieproef gegeven voorschriften.

5.2.2. Uit het in de onder 4.1 vermelde brief genoemde onderzoek is volgens het openbaar ministerie gebleken dat in de periode september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt, waarbij in het bijzonder niet is voldaan aan het in het Keuringsreglement opgenomen voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Ook al is bij dat onderzoek niet vastgesteld dat dit geldt voor alle door de genoemde geurhondendienst in de vermelde periode uitgevoerde geuridentificatieproeven en heeft het openbaar ministerie geen opgave gedaan van concrete geuridentificatieproeven die op de bedoelde onjuiste wijze zijn uitgevoerd, het openbaar ministerie heeft de kans dat de bedoelde onregelmatigheid zich in het onderhavige geval daadwerkelijk heeft voorgedaan klaarblijkelijk groot geacht.

5.2.3. Tegen deze achtergrond neemt de Hoge Raad aan dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - heeft plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden.

5.2.4. Daarom moet in deze gevallen worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de daarbij opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest.

5.3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

5.3.2. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

6. Beoordeling van de aanvrage

6.1.1. Het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd betreft een veroordeling van de aanvrager ter zake van een op 15 december 2002 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, gepleegde poging tot diefstal uit het pand van [benadeelde partij], waarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf is verschaft door het pand via inklimming te betreden.

6.1.2. De Politierechter heeft volstaan met een "Aantekening mondeling vonnis". Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken geen proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.

(i) In de nacht van 15 december 2002 heeft een poging tot inbraak plaatsgevonden in het pand van [benadeelde partij] B.V. te [vestigingsplaats].

(ii) Bij die poging is het slot van een draaihek geforceerd, is een schuifdeur aan de noordzijde van het pand vernield en is de kluis in het pand beschadigd.

(iii) Naar aanleiding van diverse inbraakalarmmeldingen van omstreeks 02.15 uur is een aantal verbalisanten naar [benadeelde partij] gegaan, alwaar één van hen drie mannen onder een half geopende roldeur naar buiten zag komen en een andere verbalisant zag dat deze mannen, nadat zij het pand in waren gevlucht, aan de voorzijde van het pand weer naar buiten kwamen. Deze mannen, onder wie de aanvrager, zijn vervolgens om 02.20 uur aangehouden.

(iv) De aanvrager heeft een verklaring afgelegd bij de politie die inhoudt dat hij niet ontkent in het genoemde pand te zijn geweest, maar dat hij en zijn vrienden in de buurt waren, het alarm zagen afgaan en uit pure nieuwsgierigheid besloten even te gaan kijken, dat de aanvrager vervolgens zag dat een raam was vernield en dat hij toen besloot naar binnen te gaan.

(v) Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte 2] en de aanvrager is aangehouden in een bedrijf en dat zij zijn binnengekomen via een raam dat stuk was.

(vi) In de kluis van voormeld pand zijn drie verschillende schoensporen aangetroffen die zijn veiliggesteld. Voorts zijn in die kluis een breekijzer, een voorhamer (moker) en een schroevendraaier aangetroffen die voor een geuridentificatieproef zijn veiliggesteld.

(vii) Uit door speurhondgeleider [verbalisant 1], werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Noord- en Oost- Gelderland, op 17 december 2002 verrichte geuridentificatieproeven bleek onder meer dat speurhond Max een geurovereenkomst waarnam tussen het geurmonster van de schroevendraaier en de geurdragers die waren vastgehouden door de aanvrager, dat speurhond Max geen geurovereenkomst waarnam tussen het geurmonster van het breekijzer en de geurdragers die waren vastgehouden door de aanvrager, dat speurhond Max een geurovereenkomst waarnam tussen het geurmonster van het breekijzer en de geurdragers die waren vastgehouden door de medeverdachte [medeverdachte 2] en dat speurhond Max een geurovereenkomst waarnam tussen het geurmonster van de moker en de geurdragers die waren vastgehouden door de medeverdachte [medeverdachte 1].

(viii) De aanvrager is door de politie voorgehouden dat geurproeven zijn gedaan die aantonen dat hij in het pand aangetroffen gereedschap in handen heeft gehad. Naar aanleiding daarvan heeft de aanvrager verklaard dat hij daarover niets heeft te vertellen en dat het wel vaker fout is gegaan.

(ix) De aanvrager is voorts door de politie voorgehouden dat in de kluisruimte schoensporen zijn aangetroffen die overeenkomen met zijn schoenen. De aanvrager heeft naar aanleiding daarvan verklaard dat hij daarvan niets weet.

6.2. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken kan met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid dat ook, zonder de hiervoor onder (vii) vermelde resultaten van de geuridentificatieproeven in aanmerking te nemen, de aanvrager één van de personen is geweest die de tenlastegelegde poging tot inbraak heeft gepleegd. Daaruit blijkt immers onder meer dat de aanvrager in de nacht waarin het feit is gepleegd, kort na de inbraakalarmmeldingen, in het desbetreffende pand is aangetroffen, dat hij trachtte te vluchten bij het zien van de politie en dat hij voor zijn aanwezigheid in het pand een weinig geloofwaardige verklaring heeft gegeven. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat de Politierechter de aanvrager enkel heeft veroordeeld wegens poging tot diefstal door middel van inklimming en dus niet bewezen heeft geacht dat de verdachte zich, al of niet met behulp van gereedschap, de toegang tot het pand heeft verschaft door middel van braak.

6.3. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder de resultaten van de geuridentificatieproeven uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, doet zich niet het hiervoor onder 5.3.2 bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Politierechter de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.

De aanvrage is dus ongegrond en moet ingevolge art. 468 Sv worden afgewezen.

7. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 april 2008.