Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC8684

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
02659/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC8684
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AU4450, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 4 lid 1 en 2 en art. 5 Wet goederenvervoer over de weg (hierna: Wgw). Het in art. 5 Wgw neergelegde verbod richt zich tot eenieder, terwijl de in art. 4 Wgw opgenomen verplichting slechts rust op degenen die als hoofd of bestuurder van een onderneming kunnen worden aangemerkt, dan wel op het toezichthoudend personeel, vzv. het door het hoofd of de bestuurder schriftelijk met de zorg voor de naleving van de desbetreffende bepalingen is belast. Een rechtspersoon kan derhalve slechts als pleger van overtreding van art. 4 Wgw worden veroordeeld indien hij onder één van die in die bepaling genoemde categorieën kan worden gerangschikt. Dat staat overigens niet eraan in de weg een rechtspersoon in voorkomende gevallen als deelnemer aan het in art. 4 Wgw omschreven strafbare feit aansprakelijk te stellen. Het middel berust op de opvatting dat art. 4 Wgw “geen imperatief gebod om alleen de daarin aangewezen natuurlijke personen en niet de rechtspersoon voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer wordt verricht, strafrechtelijk aansprakelijk te stellen bevat”. Die opvatting is juist, in die zin dat de aansprakelijkstelling van een rechtspersoon voor de naleving van art. 5.1 Wgw kan worden gebaseerd op art. 51 Sr. In zo een geval zal de tll dienen te zijn toegesneden op art. 5.1 Wgw. Uit ’s Hofs overwegingen kan echter niet blijken dat het Hof van een andere – en dus onjuiste – opvatting is uitgegaan. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de tll is toegesneden op art. 4 Wgw jo. art. 5.1 Wgw en dus niet enkel op art. 5.1 Wgw. Aldus heeft het Hof aan de tll een uitleg gegeven die met haar bewoordingen niet onverenigbaar is en daarom in cassatie moet worden geëerbiedigd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 51
Wet goederenvervoer over de weg
Wet goederenvervoer over de weg 4
Wet goederenvervoer over de weg 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 495
NJ 2008, 362
RvdW 2008, 666
NJB 2008, 1459
NBSTRAF 2008/286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2008

Strafkamer

nr. 02659/06 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 14 oktober 2005, nummer 22/002603-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 16 september 2004, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Hof te 's-Gravenhage dan wel verwijzen naar een aangrenzend hof, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte van het onder 2 tenlastegelegde heeft vrijgesproken nu het is uitgegaan van een onjuiste uitleg van art. 4 in verbinding met art. 5, eerste lid, van de Wet goederenvervoer over de weg bezien in samenhang met art. 51 Sr.

3.2. Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

"zij, op of omstreeks 07 maart 2003 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, niet aan haar verplichting heeft voldaan er voor zorg te dragen dat niet in strijd werd gehandeld met het bepaalde in artikel 5, eerste lid van de Wet goederenvervoer over de weg, zijnde in die onderneming door de chauffeur [betrokkene 1] te Rotterdam, op of omstreeks 07 maart 2003, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15 W-O, binnenlands beroepsvervoer verricht zonder een daartoe strekkende vergunning."

3.3. Het Hof heeft de verdachte van dat feit vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:

"Gelet op de tekst van de tenlastelegging, waarin wordt verwezen naar de in artikel 4, eerste lid, van de Wet goederenvervoer over de weg vervatte zorgplicht, is de vervolging van de verdachte kennelijk gebaseerd op de laatstgenoemde bepaling. Blijkens deze bepaling, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van de voornoemde Wet, berust de zorg voor de naleving van het krachtens die Wet bepaalde op de hoofden of bestuurders van de betreffende onderneming, alsmede op toezichthoudend personeel dat schriftelijk met de zorg voor de naleving van die bepalingen is belast. Nu de wetgever uitdrukkelijk deze personen als normadressaat heeft aangewezen, kan de specifiek aan de normadressaat opgelegde zorgplicht niet zonder meer als de na te leven verplichting van de rechtspersoon worden aangemerkt.

De Memorie van Toelichting bij artikel 4 - toen nog artikel 5 - stelt immers: "Dit artikel is overgenomen uit de WAG. Ook onder het nieuwe regime blijft behoefte bestaan aan een zorgplicht, die de mogelijkheid biedt binnen de onderneming hierop bepaalde personen (cursivering hof) te kunnen aanspreken" (MvT, Stb 1992, 145).

Het hof wijst er in dit kader nog op dat de - inmiddels door de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervangen - Wet gevaarlijke stoffen in artikel 9, eerste en tweede lid, bepalingen bevatte welke in essentie gelijkluidend waren aan artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet goederenvervoer over de weg. Blijkens de Wetsgeschiedenis van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft de wetgever onderkend dat artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet gevaarlijke stoffen "de mogelijkheden van het algemeen strafrecht om de onderneming respectievelijk de personen binnen de onderneming te vervolgen, kan beperken", reden waarom dat artikel in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen niet is overgenomen (zie de conclusie van mr. Machielse bij het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 november 2001, LJN AD 4412). Blijkens de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting, Staatsblad 1992, 145 heeft de wetgever die lijn ten aanzien van de Wet goederenvervoer over de weg evenwel niet gevolgd.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken."

3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 4, eerste en tweede lid, Wet goederenvervoer over de weg (hierna: Wgw)

"1. De hoofden of bestuurders van een onderneming zijn verplicht te zorgen, dat in de onderneming niet wordt gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 5, eerste en derde lid, 14, eerste lid, 15, eerste lid, en 21, en met de voorschriften, krachtens deze wet gegeven, voor zover overtreding daarvan een strafbaar feit is.

2. Gelijke verplichting rust op het toezichthoudend personeel, voor zover het door het hoofd of de bestuurder schriftelijk met de zorg voor de naleving van die bepalingen is belast."

- art. 5, eerste lid, Wgw

"Het is verboden binnenlands beroepsvervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning."

3.5. Het in art. 5 Wgw neergelegde verbod richt zich tot eenieder, terwijl de in art. 4 Wgw opgenomen verplichting slechts rust op degenen die als hoofd of bestuurder van een onderneming kunnen worden aangemerkt, dan wel op het toezichthoudend personeel, voor zover het door het hoofd of de bestuurder schriftelijk met de zorg voor de naleving van de desbetreffende bepalingen is belast. Een rechtspersoon kan derhalve slechts als pleger van overtreding van art. 4 Wgw worden veroordeeld indien hij onder één van die in die bepaling genoemde categorieën kan worden gerangschikt. Dat staat overigens niet eraan in de weg een rechtspersoon in voorkomende gevallen als deelnemer aan het in art. 4 Wgw omschreven strafbare feit aansprakelijk te stellen.

3.6. Het middel berust op de opvatting dat art. 4 Wgw "geen imperatief gebod om alleen de daarin aangewezen natuurlijke personen en niet de rechtspersoon voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer wordt verricht, strafrechtelijk aansprakelijk te stellen bevat". Die opvatting is juist, in die zin dat de aansprakelijkstelling van een rechtspersoon voor de naleving van art. 5, eerste lid, Wgw kan worden gebaseerd op art. 51 Sr. In zo een geval zal de tenlastelegging dienen te zijn toegesneden op art. 5, eerste lid, Wgw.

Uit de hiervoor onder 3.3 weergegeven overwegingen kan echter niet blijken dat het Hof van een andere - en dus onjuiste - opvatting is uitgegaan. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de tenlastelegging is toegesneden op art. 4 Wgw in verbinding met art. 5, eerste lid, van die wet en dus niet enkel op art. 5, eerste lid, Wgw. Aldus heeft het Hof aan de tenlastelegging een uitleg gegeven die met haar bewoordingen niet onverenigbaar is en daarom in cassatie moet worden geëerbiedigd.

Daarvan uitgaande heeft het Hof bij zijn vrijspraak geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.7. Het middel faalt.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 juni 2008.