Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC8658

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
00902/07 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC8658
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Redelijke termijn i.g.v. voorlopige maatregel ex artt. 28 en 29 WED. Verweer en middel steunen op de opvatting dat in geval een voorlopige maatregel is opgelegd, de behandeling van de zaak in EA niet binnen 2 jr doch binnen 16 mnd na de oplegging van de voorlopige maatregel dient te zijn afgerond met een eindvonnis en dat de behandeling van de zaak in h.b. binnen 16 mnd na het instellen van het h.b. moet zijn afgerond met een eindarrest. Die opvatting is echter onjuist. Er bestaat onvoldoende grond om bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn van berechting is overschreden de oplegging van een voorlopige maatregel gelijk te stellen aan een bevel tot voorlopige hechtenis dan wel aan de toepassing van het strafrecht voor jeugdige personen. E.e.a. neemt niet weg dat de aard, de duur en de ingrijpendheid van een zodanig maatregel wel factoren vormen die bij genoemde beantwoording dienen te worden meegewogen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 358
Wetboek van Strafvordering 359
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 28
Wet op de economische delicten 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 438
NJ 2008, 330
RvdW 2008, 611
NBSTRAF 2008/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juni 2008

Strafkamer

nr. 00902/07 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 27 september 2006, nummer 22/003047-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage, van 1 april 2004 - de verdachte ter zake van "opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,-.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

3.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) op 20 juni 2002 is aan de verdachte op grond van art. 29 Wet op de economische delicten (hierna: WED) een voorlopige maatregel opgelegd inhoudende dat zij zich in de vestiging te [plaats A], dient te onthouden van

(a) het afgeven en/of afleveren en/of verkopen van [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] aan (een) ander(en), en

(b) het buiten de vestiging (laten) brengen van [A] en/of [B] [C] en/of [D];

(ii) bij beschikking van 19 augustus 2002 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage verdachtes verzoek tot opheffing van deze voorlopige maatregel ten aanzien van het middel [A] afgewezen en heeft zij de voorlopige maatregel ten aanzien van de middelen [B], [C] en [D] opgeheven;

(iii) op het hoger beroep van de verdachte heeft het Hof bij beschikking van 11 december 2002 de beslissing van de Rechtbank ten aanzien van het middel [A] met verbetering van gronden bevestigd.

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard op de volgende gronden - kort en zakelijk weergegeven -:

a. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is zowel in eerste aanleg als in de appèlfase fors overschreden, zodat niet volstaan kan worden met een matiging van een eventueel op te leggen straf.

(...)

Ad a.

Het hof gaat, gelijk de raadsman van de verdachte, bij de beoordeling van de redelijke termijn uit van de datum 20 juni 2002 - zijnde de dag waarop aan de verdachte een voorlopige maatregel ex artikel 29 van de Wet op de economische delicten is opgelegd - als het aanvangstijdstip van de redelijke termijn.

In eerste aanleg is op 1 april 2004 vonnis gewezen en derhalve binnen een periode van twee jaren na aanvang van de redelijke termijn op 20 juni 2002. Naar het oordeel van het hof is hier geen sprake van enige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in voornoemd verdragsartikel.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat bij de beoordeling van de redelijke termijn niet uitgegaan dient te worden van een termijn van twee jaren binnen welke een eindvonnis gewezen dient te worden, doch van een termijn van zestien maanden, nu de oplegging van een maatregel ex artikel 29 van de Wet op de economische delicten een bijzonder geval is, dat gelijk te stellen is met een bevel tot voorlopige hechtenis.

Het hof verwerpt deze stelling. Naar het oordeel van het hof kan een maatregel ex artikel 29 van de Wet op de economische delicten niet op één lijn worden gesteld met een bevel tot voorlopige hechtenis ex artikelen 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering. De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat een strafrechtelijke veroordeling van de verdachte een onevenredig zware straf - gelijk te stellen met een langdurige gevangenisstraf voor natuurlijke personen - is omdat de verdachte een aantal producten niet meer kan verkopen, kan naar het oordeel van het hof in casu niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid die toepassing van een termijn van zestien maanden zou kunnen rechtvaardigen. De door de raadsman aangedragen omstandigheid dat een strafrechtelijke veroordeling bijzonder hard aankomt bij de verdachte omdat er tevens een ontnemingsvordering ten bedrage van € 170.793,- tegen de verdachte is ingesteld, dient bij de beoordeling van dit verweer buiten beschouwing te blijven, nu naar 's hofs oordeel geen rekening gehouden kan worden met een ontnemingsvordering waarop een rechterlijke instantie ten tijde van het wijzen van dit arrest nog geen beslissing heeft genomen.

Nu het hof op grond van het bovenstaande bij de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van een schending van de redelijke termijn in eerste aanleg is uitgegaan van een termijn van twee jaren, zal het hof ook bij de beoordeling van de redelijke termijn in de appèlfase uitgaan van een termijn van twee jaren.

Namens de verdachte is op 14 april 2004 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis d.d. 1 april 2004. De stukken van het geding zijn pas op 18 mei 2006 ter strafgriffie van dit hof binnengekomen. Nu de stukken meer dan acht maanden - 25 maanden - na het instellen van het hoger beroep bij dit hof zijn binnengekomen en er niet binnen twee jaren na het instellen van een rechtsmiddel einduitspraak in hoger beroep is gedaan, kan niet meer gezegd worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in voormelde verdragsbepaling.

Zulks dient evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging te leiden, omdat, in aanmerking genomen de ernst van het tenlastegelegde, de voortvarendheid waarmee de zaak in appèl is afgedaan, alsmede de mate van overschrijding van de termijn in het onderhavige geval, het belang dat de gemeenschap nog behoudt bij normhandhaving door berechting dient te prevaleren boven het belang dat de verdachte heeft bij het verval van het recht tot strafvervolging. Het hof acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging, maar zal, indien aan alle overige voorwaarden voor bestraffing is voldaan, de overschrijding van bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat."

3.4. Indien, zoals hier het geval is, een voorlopige maatregel als bedoeld in de art. 28 en 29 WED betrekking heeft op hetzelfde vermoedelijk overtreden voorschrift en op dezelfde verdachte als in de hoofdzaak - en aldus in het stelsel van de wet zeer nauw verweven is met de hoofdzaak - kan de aanzegging of de betekening van zo een maatregel aan de verdachte in beginsel worden aangemerkt als een handeling die de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM een aanvang doet nemen (vgl. HR 19 mei 1987, NJ 1988, 218). Het - op dit punt niet betwiste - oordeel van het Hof geeft dus in zoverre niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5. HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"3.14. Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.

3.15. Een uitzondering dient evenwel te worden aangenomen voor de gevallen waarin

a. de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of

b. het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.

In zulke gevallen behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.

3.16. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen 2 jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdige personen is toegepast."

3.6. Het verweer en het middel steunen op de opvatting dat ingeval een voorlopige maatregel is opgelegd, de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet binnen twee jaar doch binnen zestien maanden na de oplegging van de voorlopige maatregel dient te zijn afgerond met een eindvonnis, en dat de behandeling van de zaak in hoger beroep binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep moet zijn afgerond met een eindarrest. Die opvatting is echter onjuist. Er bestaat onvoldoende grond om bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn van berechting is overschreden de oplegging van een voorlopige maatregel gelijk te stellen aan een bevel tot voorlopige hechtenis dan wel aan de toepassing van het strafrecht voor jeugdige personen. Ook in zoverre geeft 's Hofs verwerping van het gevoerde verweer dus niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Een en ander neemt niet weg dat de aard, de duur en de ingrijpendheid van een zodanige maatregel wel factoren vormen, die bij genoemde beantwoording dienen te worden meegewogen. Zulks heeft het Hof niet miskend.

3.7. De klacht dat het Hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven voor de afwijking van het namens de verdachte op dit punt onderbouwde standpunt, miskent dat het namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, zodat niet de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv maar de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv in verbinding met het derde lid van art. 358 Sv van toepassing is.

3.8. Het middel is derhalve in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3.9. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 3 juni 2008.