Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC8651

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-09-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
00794/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC8651
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2820, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Oormerkverplichting. 1. Oormerken schending van in art. 36 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) neergelegde verbod op dierenmishandeling? 2. Verhouding Verordening (EG) nr. 21/2004 en Richtlijn 92/102/EEG. Ad 1. De opvatting dat verdachte niet kan worden verweten dat zij haar schapen en varkens niet ter identificatie van oormerken heeft voorzien aangezien dat oormerken een vorm van dierenmishandeling is, welke ex art. 36 GWWD is verboden, is onjuist. Het stelsel van de wet houdt in dat het aanbrengen van een oormerk bij schapen en varkens niet onder het bereik van die bepaling valt, nu ter uitvoering van een verplichting van de Europese regelgever ex art. 40 GWWD die ingreep specifiek aangewezen als vorm van identificatie van die dieren en dat het verboden is die dieren zonder het voorgeschreven oormerk te houden. Ad 2. De opvatting dat met de inwerkingtreding van de verordening de tot dan bestaande verplichtingen vastgesteld bij richtlijn 92/102/EEG m.b.t. de identificatie en registratie van schapen niet langer van kracht zijn voor schapen die voor 9-7-05 zijn geboren, is onjuist. Zij miskent dat in dat geval geen uitvoering meer zou worden gegeven aan richtlijn 92/102/EEG, hoewel de verordening blijkens haar considerans juist ertoe strekt de uitvoering van die richtlijn te verbeteren. Vzv. het middel steunt op de stelling dat de verordening van toepassing is omdat sprake is van verandering van wetgeving en de verordening de voor verdachte gunstigste bepalingen bevat, mist die stelling doel omdat zij eraan voorbijgaat dat de verordening een overgangsregeling kent aldus dat de nieuwe regels eerst van toepassing zijn vanaf 9-7-05.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 668
NJ 2008, 512
RvdW 2008, 864
NJB 2008, 1820
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 september 2008

Strafkamer

nr. 00794/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 31 oktober 2006, nummer 23/004668-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 4 november 2004 - het Openbaar Ministerie voor een deel van de feiten niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging zoals in het arrest vermeld en de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd" strafbaar verklaard doch bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Bewezenverklaring en achtergrond van de zaak

3.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"zij op 11 juli 2003 te [plaats] dieren heeft gehouden op perceel [a-straat 1] zonder dat deze dieren overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 waren geïdentificeerd, immers waren op voornoemd perceel aanwezig:

- 2 schapen, te weten Schaap Eddy (UBN 1593712, volgnummer 01251) en Schaap Caesar (UBN 1593712, volgnummer 01252), zonder dat voornoemde schapen waren voorzien van oormerken (als bedoeld in artikel 8 lid 4 van voornoemde Regeling)

en

- 7 varkens, te weten:

varken Billie Bofkont (UBN 2669236, volgnummer 00001) en

varken Vrouw Vos (UBN 2669236, volgnummer 00002) en

varken Aagje (UBN 2669236, volgnummer 00003) en

varken Mannetje Bromsnor (UBN 2669236, volgnummer 00004)

en

varken Lady Lolita (UBN 2669236, volgnummer 00005) en

varken Stalker (UBN 2669236, volgnummer 00006) en

varken Miss Universe (UBN 0008356, volgnummer 00303),

zonder dat voornoemde varkens waren voorzien van oormerken (als bedoeld in artikel 8 lid 2 van voornoemde Regeling)."

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Het klopt dat ik op 11 juli 2003 te [plaats] dieren heb gehouden op perceel [a-straat 1] zonder dat deze dieren overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 waren geïdentificeerd.

(...) Deze dieren waren niet voorzien van oormerken.

(...)

Ik vang verwaarloosde dieren op. Als dieren bij mij op het Beloofde Varkensland aankomen, gaan ze er niet meer weg. Pas na hun overlijden worden de dieren naar een destructiebedrijf gebracht. De dieren zullen geen nakomelingen krijgen; alle mannetjes zijn gecastreerd.

(...)

Het Beloofde Varkensland is een groot stuk land, waar de dieren gaan en staan waar ze willen. Als ik de dieren zou oormerken, is het risico aanwezig dat zij met de merken ergens aan zullen blijven hangen. Over het land verspreid staan de onderkomens van de dieren.

Mijn dieren zijn gezelschapsdieren. Ze zijn niet voor productie of consumptie bestemd. Ik zal ze niet pijnigen of verminken. Alle dieren zijn inmiddels voorzien van een chip.

(...)

Ik heb voor mijn dieren een documentatie- en identificatiesysteem ontworpen.

(...)"

3.3. Het gaat in de onderhavige zaak erom dat de verdachte schapen en varkens heeft gehouden zonder dat deze waren voorzien van oormerken. Zij stelt zich onder meer op het standpunt dat de verplichting de dieren te oormerken een vorm is van dierenmishandeling en dat zij genoegzaam aan doel en strekking van die verplichting heeft voldaan door zonder haar dieren te mishandelen in een eigen, zelfs verder strekkende, identificatie van de dieren te voorzien.

4. Wettelijk kader

- Art. 36 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (verder: GWWD) luidt:

"1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

2. Tot de in het eerste lid verboden gedragingen worden in ieder geval gerekend:

a. een dier arbeid doen verrichten, welke kennelijk zijn krachten te boven gaat of waartoe het uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is;

b. een koe met overvolle uier vervoeren of op een markt of openbare verkoping ten verkoop houden;

c. bij de verlossing van een koe gebruik te maken van dierlijke trekkracht of van een niet door Onze Minister daarvoor toegelaten krachttoestel;

d. een hond als trekkracht gebruiken.

3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen."

- Art. 40 GWWD luidt:

"1. Het is verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:

a. ingrepen betreffende het onvruchtbaar maken van een dier;

b. ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;

c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ingrepen;

d. overige bij of krachtens enig wettelijk voorschrift verplichte dan wel toegestane ingrepen.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de wijze waarop en de gevallen waarin de lichamelijke ingrepen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, slechts mogen worden verricht."

- Art. 96 GWWD luidt:

"Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de algemene gezondheidstoestand of van het welzijn van dieren, ter voorkoming van de verspreiding van smetstof of van de aanwezigheid van schadelijke stoffen in dieren en produkten van dierlijke oorsprong dan wel ter bescherming van de veiligheid van mens of dier regelen worden gesteld omtrent de identificatie en registratie van dieren alsmede van levende dierlijke producten."

- In het eerste lid van art. 2 Ingrepenbesluit (Stb. 1996, 139) worden diverse handelingen aangewezen als ingrepen die zijn bedoeld in art. 40, tweede lid, onder c, GWWD. Het tweede lid luidt:

"Voorts worden aangewezen de navolgende ingrepen, voorzover zij dienen ter identificatie van een dier, met dien verstande dat bij het dier ten hoogste twee van die ingrepen mogen worden verricht:

a. het aanbrengen van een oormerk in één oor bij runderen, varkens, schapen en geiten (...);"

- Art. 3 Ingrepenbesluit luidt:

"De in artikel 40, tweede lid, onderdeel d, van de wet en de in artikel 2 bedoelde ingrepen worden uitgevoerd op zodanige wijze dat bij het dier niet onnodig pijn of letsel wordt veroorzaakt en het dier niet meer dan nodig is in zijn functioneren wordt

belemmerd."

- Art. 3 Besluit identificatie en registratie van dieren (Stb. 1997, 602) luidt:

"1. Onze Minister kan ter uitvoering van titel I van verordening 1760/2000, richtlijn 92/102/EEG, artikel 4, vierde lid, van richtlijn 90/426/EEG, en artikel 8, eerste lid van richtlijn 90/427/EEG, alsmede met het oog op het toezicht op de naleving hiervan, regels stellen.

2. Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake de algemene gezondheidstoestand of van het welzijn van dieren, ter voorkoming van de verspreiding van smetstof of van de aanwezigheid van schadelijke stoffen in dieren en producten van dierlijke oorsprong dan wel ter bescherming van de veiligheid van mens of dier, regels stellen omtrent de identificatie en registratie van dieren alsmede van levende dierlijke producten."

- Art. 8 Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 (Stcrt. 2002, 248) luidt:

"1. (...)

2. Het merk waarmee varkens worden geïdentificeerd, is het door de minister toegelaten oormerk, (...)

4. Het merk waarmee schapen en geiten worden geïdentificeerd, is het door de minister toegelaten oormerk, (...)"

- Art. 39 Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 luidt:

"Het is verboden dieren die niet overeenkomstig deze regeling zijn geïdentificeerd of zijn geregistreerd, te houden, te verhandelen, te vervoeren, aan te voeren of af te voeren."

5. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

5.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof het verweer dat het oormerken moet worden aangemerkt als een schending van art. 36 GWWD die niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep op art. 40 GWWD, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof niet heeft beslist op het beroep van de verdachte op de strafuitingsgrond als bedoeld in art. 42 Sr. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep waarvan de aldaar overgelegde pleitnotities deel uitmaken, heeft de raadsman van de verdachte het volgende aangevoerd:

"3. Wat het beroep op de specialis-verhouding betreft meent de verdediging dat dit faalt reeds omdat art. 40 GWWD niet alle bestanddelen bevat van art. 36 GWWD - met name niet het bestanddeel "zonder redelijk doel" - en onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat de wetgever desondanks een zodanige verhouding heeft gewild (Vgl. HR 2 maart 1982, NJ 1982, 446).

4. Daar komt bij dat het verrichten van een lichamelijke ingreep, waarbij een deel van het lichaam wordt verwijderd of beschadigd als bedoeld in art. 40 GWWD in een aparte afdeling is ondergebracht (afdeling 2), hetgeen een contra-indicatie is voor een specialis verhouding. Zie hierover C. Pelser: aant. 5 bij art. 55 Sr (...).

5. Ook al wordt echter aangenomen dat art. 40 GWWD een specialis is van art. 36 GWWD, dan zal dit een beroep op de strafuitsluitingsgrond van art. 42 Sr (dat ook in appèl wordt gedaan) niet in de weg kunnen staan.

De lex-specialisregeling wordt immers beschouwd als een materieel-rechterlijk derogatie bepaling, die zijn voedingsbodem vindt in het in het legaliteitsbeginsel besloten liggende specificatie vereiste. De wetgever wilde een zo precies mogelijke toepassing van de wet. Een keuze voor een preciezere strafbepaling impliceert, aldus Pelser, evenwel niet dat de minder precieze bepaling zonder meer incorrect is. (...)

6. Zo stelt Nijboer dan ook terecht dat art 55 lid 2 Sr slechts nog geldt als correctief op het opportuniteitsbeginsel en als correctief op de aspectenleer. Deze dubbele correctieve functie houdt in dat niet ten nadele van verdachte teruggevallen mag worden op een zwaardere algemene bepaling als de bijzondere lichter is. En wat de aspectenleer betreft geldt dat de systematische specialiteit prevaleert waar theoretisch art. 56 of 57 Sr van toepassing zou kunnen zijn. (...)

7. Het is hierbij van belang om goed in te zien dat gelet op de hiervoor vermelde bedoeling van de wetgever met de specialis-regel in art. 55 lid 2 Sr - zo precies en zo specifiek mogelijk toepassing van de strafwet - de correctieve functie als vorenbedoeld gericht is tot het openbaar ministerie en de rechter. Dat uit zich ook in de woorden "in aanmerking komen" - in art. 56 Sr. Die correctieve functie is duidelijk niet gericht tot de verdachte en strekt er dus ook niet toe de verdachte te beroven van een wettelijke strafuitsluitingsgrond. Dit betekent dat het voor de toepassing van art. 42 Sr er in het geheel niet toe doet of er sprake is van een specialis-verhouding tussen art. 36 en 40 GWWD. De naleving van art. 36 GWWD door cliënte blijft dus onveranderd een naleving van een geldend wettelijk voorschrift. De specialisregel van art. 55 lid 2 Sr stelt art. 42 Sr dus niet buiten werking. (...)."

5.3. Het Hof heeft het in de middelen bedoelde verweer als volgt verworpen:

"Met betrekking tot het (...) verweer is het hof, in tegenstelling tot de raadsman, van oordeel dat artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren als een "specialis" is aan te merken van artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Dit volgt naar het oordeel van het hof uit de tekst van de wet, mede bezien in het licht van de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 16 447, nr. 7) en de overige wetsgeschiedenis met betrekking tot deze wetsbepalingen.

In artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is, in samenhang met het Besluit identificatie en registratie van dieren (artikel 3) en de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 (artikel 8) uitvoering gegeven aan het EG-recht. Er zijn geen omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden die erop duiden dat de minister met artikel 8 van evenbedoelde Regeling buiten het kader van de wet of de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur is getreden, noch is gebleken dat de vigerende regeling disproportioneel is, temeer nu de artikelen 36 en 40 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bezien moeten worden in het licht van het EG-recht. Het verweer van de raadsman faalt derhalve."

5.4. Het middel berust op de opvatting dat de verdachte niet kan worden verweten dat zij haar schapen en varkens niet ter identificatie van oormerken heeft voorzien aangezien het oormerken van schapen en varkens een vorm van dierenmishandeling is welke als zodanig ingevolge art. 36 GWWD is verboden. Die opvatting is onjuist. Het stelsel van de wet zoals hiervoor weergegeven, houdt in dat het aanbrengen van een oormerk bij schapen en varkens niet onder het bereik van die bepaling valt, nu ter uitvoering van een verplichting van de Europese regelgever ingevolge en krachtens art. 40 GWWD die ingreep specifiek is aangewezen als vorm van identificatie van die dieren en het verboden is die dieren zonder het voorgeschreven oormerk te houden. Het Hof heeft het standpunt van de verdachte dan ook terecht verworpen, wat er zij van de daartoe gegeven motivering.

5.5. De middelen falen.

6. Beoordeling van het vijfde middel

6.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer heeft verworpen dat krachtens de verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van de Europese Unie geen strafbaar feit kan worden aangenomen ten aanzien van de identificatie van schapen die voor 9 juli 2005 zijn geboren.

6.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat:

"(3) Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijn 92/102/EEG en 64/432/EEG (verder: Verordening (EG) nr. 21/2004) treedt op grond van artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht in casu ten aanzien van schapen in de plaats van Richtlijn 92/102/EEG, aangezien de verordening de gunstigste bepalingen bevat.

(4) Met betrekking tot schapen is de identificatieverplichting thans in Verordening (EG) 21/2004 neergelegd, maar deze verordening ziet alleen op schapen die na 9 juli 2005 zijn geboren. De in de tenlastelegging vermelde schapen zijn beide vóór deze datum geboren, zodat krachtens de verordening geen strafbaar feit kan worden aangenomen."

en als volgt verworpen:

"De onder (3) en (4) gevoerde verweren worden verworpen, reeds omdat de door de raadsman bedoelde Verordening (EG) nr. 21/2004 - voor zover hier van belang - blijkens artikel 4 van die verordening slechts betrekking heeft op de identificatie van schapen die na 9 juli 2005 zijn geboren. Ten aanzien van eerder geboren schapen blijven de oude regels van kracht en is derhalve geen sprake van verandering in de wetgeving zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht."

6.3.1. Het middel doelt op de verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van de Europese Unie van 17 december 2003 (PbEG L5/8) "tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG" (verder: de verordening).

6.3.2. De considerans van deze verordening houdt onder meer in:

"(3) Voorschriften betreffende de identificatie en de registratie van met name schapen en geiten zijn vastgesteld bij richtlijn 92/102/EEG van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren. Ten aanzien van schapen en geiten is vooral bij de mond- en klauwzeercrisis gebleken dat de uitvoering van Richtlijn 92/102/EEG niet voldoet en moet worden verbeterd. Bijgevolg moeten stringentere en meer specifieke voorschriften worden vastgesteld, (...)"

6.3.3. Voorts bevat de verordening onder meer de volgende bepalingen:

"artikel 4

1. Alle dieren op een bedrijf die na 9 juli 2005 zijn geboren, worden overeenkomstig lid 2 geïdentificeerd binnen een door de lidstaat te bepalen termijn die ingaat bij de geboorte van het dier, en in elk geval vóórdat het dier het geboortebedrijf verlaat. (...)

artikel 15

Richtlijn 92/102/EEG wordt als volgt gewijzigd: (...)

Artikel 17

(...)

De artikelen (...), 15 en (...) zijn van toepassing vanaf 9 juli 2005."

6.4. Het middel steunt op de opvatting dat met de inwerkingtreding van de verordening de tot dan bestaande verplichtingen vastgesteld bij richtlijn 92/102/EEG met betrekking tot de identificatie en registratie van schapen niet langer van kracht zijn voor schapen die voor 9 juli 2005 zijn geboren. Die opvatting is onjuist aangezien zij miskent dat in dat geval geen uitvoering meer zou worden gegeven aan richtlijn 92/102/EEG, hoewel de verordening blijkens haar considerans juist ertoe strekt de uitvoering van die richtlijn te verbeteren.

Voor zover het middel steunt op de stelling dat de verordening van toepassing is omdat sprake is van verandering van wetgeving en de verordening de voor de verdachte gunstigste bepalingen bevat, mist die stelling doel omdat zij eraan voorbijgaat dat de verordening een overgangsregeling kent aldus dat de nieuwe regels eerst van toepassing zijn vanaf 9 juli 2005.

Het Hof heeft het verweer dus terecht en op goede gronden verworpen.

6.5. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

7. Beoordeling van het derde, het vierde, het zesde en het zevende middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

8. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

9. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 16 september 2008.