Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC7914

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
00760/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC7914
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuld ex art. 6 WVW 1994. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AO5822. Het Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte in de schemering als bestuurder van een personenauto over een weg heeft gereden met een snelheid die 11 à 19 km/u hoger was dan de toegestane max. snelheid van 80 km/u, dat hij niet heeft afgeremd toen hij de oversteekplaats voor fietsers naderde, dat hij de fietsers heeft opgemerkt toen ze midden op de weg fietsten en dat hij in staat zou zijn geweest het ongeval te voorkomen als hij zich aan de maximale snelheid had gehouden. Gelet hierop geeft ‘s Hofs oordeel dat verdachte zodanig onvoorzichtig en opoplettend heeft gereden dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 515
NJ 2008, 442 met annotatie van N. Keijzer
RvdW 2008, 694
VR 2009, 13 met annotatie van Redactie
Module Verkeer 2008/134
JWR 2008/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2008

Strafkamer

nr. S 00760/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 oktober 2006, nummer 23/006481-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Bewezenverklaring, bewijsvoering en beoordeling van een verweer

2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 4 februari 2005 te Den Burg, gemeente Texel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Pontweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] werd gedood, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend

- met dat motorrijtuig te rijden met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en

- een oversteekplaats voor fietsen en bromfietsen te naderen, terwijl op dat moment fietsers die oversteekplaats overstaken, zonder zijn snelheid zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover deze vrij was en

- vervolgens bij het zien van die overstekende fietsers uit te wijken naar, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, links, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig gedeeltelijk terecht is gekomen op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer en

- vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen een die oversteekplaats overstekende fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer], te botsen."

2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op 4 februari 2005 reed ik in de gemeente Texel op de Pontweg. Ik reed in mijn auto, merk Lancia, kleur groen, kenteken [AA-BB-00]. Ik heb daar harder gereden dan de toegestane snelheid van 80 kilometer per uur. Toen ik de kruising met de Rozendijk naderde, heb ik niet afgeremd. Ik zag vier fietsers van links naar rechts de Pontweg oversteken. Ik zag de vier fietsers midden op de weg fietsen. Ik remde en stuurde naar links en reed toen het slachtoffer [slachtoffer] aan."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Ik was op 4 februari 2005 omstreeks 17.50 uur aan het fietsen met [getuige 2], [getuige 3] en [slachtoffer]. Wij bevonden ons op het fietspad langs de doorgaande weg van Den Burg naar De Koog (het hof begrijpt: in de gemeente Texel). Om naar ons huisje te gaan moesten wij een kruising oversteken. We stapten allemaal af en stelden ons twee aan twee op met onze fietsen naast ons in de richting van waar we heen moesten, dwars op het verkeer dat over de doorgaande weg reed. We wisten dat we daar voorrang moesten verlenen en hebben dus gewacht totdat de weg vrij was en we veilig konden oversteken. Ik stond samen met [getuige 3] rechts van mij vooraan en [slachtoffer] en [getuige 2] stonden respectievelijk links en rechts achter ons. Toen de weg vrij was zijn we overgestoken. In de verte heb ik wel lichten gezien, maar die waren echt nog ver weg. Het oversteken hebben we fietsend gedaan. [Getuige 3] en ik waren als eersten aan de overkant, vlak achter ons reden [slachtoffer] en [getuige 2]. Opeens was daar die auto vanuit de richting van De Koog die [slachtoffer] aanreed. Ik hoorde gierende remmen en een klap en zag [slachtoffer] door de lucht vliegen."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Wij stelden op 4 februari 2005 omstreeks 18.30 uur een onderzoek in naar de toedracht van het hierna bedoelde verkeersongeval. Op de Pontweg te Den Burg, gemeente Texel, ter hoogte van de kruising van die weg met de Rozendijk vond een aanrijding plaats tussen een bestuurder van een personenauto, de nader te noemen [verdachte] en de bestuurster van een overstekende fiets, de nader te noemen [slachtoffer]. Tengevolge van dit verkeersongeval is de bestuurster van de fiets ter plaatse overleden.

Bij dit ongeval waren betrokken:

Voertuig 1: een personenauto, merk Lancia, type Delta, kleur groen, kenteken [AA-BB-00].

Voertuig 2: een fiets, merk Gazelle, type Luxe, kleur blauw, soort damesfiets.

Uit onderzoek bleek dat door betrokkene [verdachte] de maximum snelheid was overschreden met minimaal ongeveer 11 kilometer per uur en maximaal ongeveer 19 kilometer per uur. Voorts bleek uit onderzoek dat betrokkene [verdachte] in staat zou zijn geweest het ongeval te voorkomen als hij de maximum snelheid niet zou hebben overschreden. De Pontweg is een weg, niet zijnde een autoweg of autosnelweg, alwaar een maximum snelheid is toegestaan van 80 kilometer per uur."

d. een rapport van R.A. van den Bent, lijkschouwer, met betrekking tot [slachtoffer] voor zover inhoudende:

"Conclusie: (onmiddellijk verband tussen doodsoorzaak, wijze waarop respectievelijk omstandigheden waaronder de niet-natuurlijke dood intrad, respectievelijk het dodelijk letsel is bekomen, en relevante bijzonderheden). Als fietser door auto geschept: fors inwerkend geweld op lichaam => multiple (inwendige) schade."

2.3. Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover van belang, het volgende in:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte van het (...) onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu het verkeersongeval niet slechts aan de schuld van verdachte is te wijten. Hij heeft daarbij aangevoerd dat ten tijde van het verkeersongeval sprake was van een schemersituatie, dat de straatverlichting mogelijk niet was ontstoken, dat de weg waar het ongeluk heeft plaatsgevonden een gevaarlijke weg betrof en dat verdachte met zijn motorrijtuig op een voorrangsweg reed en het slachtoffer hem voorrang had moeten verlenen.

Het hof heeft hieromtrent het volgende overwogen.

Op 4 februari 2005 heeft verdachte met zijn personenauto met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer op de Pontweg in de gemeente Texel gereden en heeft hij zonder zijn snelheid aan te passen een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers genaderd. Bij de voornoemde oversteekplaats heeft verdachte [slachtoffer] aangereden die op haar fiets de Pontweg overstak. [Slachtoffer] is ten gevolge van deze aanrijding komen te overlijden.

Het hof is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld door de snelheid van zijn motorrijtuig niet aan te passen bij het naderen van de bewuste oversteekplaats. Blijkens het proces-verbaal verkeersongevalanalyse zou verdachte in staat zijn geweest het ongeval te voorkomen als hij zich aan de maximale snelheid had gehouden. De omstandigheden die volgens de verdediging dienen te leiden tot de conclusie dat het verkeersongeluk niet aan verdachte is te wijten, ontslaan hem naar het oordeel van het hof niet van de zorgplicht die hij als bestuurder van zijn personenauto heeft te betrachten. Juist het bestaan van een schemersituatie had verdachte moeten nopen aanzienlijk voorzichtiger te rijden dan hij heeft gedaan. Het hof verwerpt derhalve het verweer."

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaarde schuld aan het verkeersongeval.

3.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252).

3.3. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven overwegingen onder meer vastgesteld dat de verdachte in de schemering als bestuurder van een personenauto over een weg heeft gereden met een snelheid die 11 à 19 km per uur hoger was dan de toegestane maximum snelheid van 80 km per uur, dat hij niet heeft afgeremd toen hij de oversteekplaats voor fietsers naderde, dat hij de fietsers heeft opgemerkt toen ze midden op de weg fietsten en dat hij in staat zou zijn geweest het ongeval te voorkomen als hij zich aan de maximale snelheid had gehouden.

3.4. Gelet op die vaststellingen geeft 's Hofs oordeel dat de verdachte zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

3.5. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 24 juni 2008.