Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC7900

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
00288/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC7900
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2477, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde f&o juist zijn, kan in cassatie niet worden onderzocht. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de f&o die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR LJN AD3530). Uit de bewijsoverweging moet worden afgeleid dat het Hof de inhoud van het als bewijsmiddel gebezigde p-v van politie aldus heeft verstaan, dat daarin als verklaring van verdachte is weergegeven dat de vuurwapens in een blauwe tas lagen. Die uitleg is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat dit bewijsmiddel enkel inhoudt een weergave van hetgeen verdachte de verbalisanten tegen hem heeft horen zeggen en niet als zijn eigen verklaring inhoudt hetgeen hij omtrent de aanwezigheid van wapens in die tas heeft gezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 410
NJ 2008, 626 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2008, 579
NJB 2008, 1280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 mei 2008

Strafkamer

nr. 00288/07

RS/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 november 2006, nummer 22/004566-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 4 mei 2005 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat de zaak opnieuw zal dienen te berechten.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde feit niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, doordat voor het bewijs gebruik is gemaakt van een verklaring die het Hof ten onrechte als verklaring van de verdachte heeft aangemerkt.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 28 juli 2004 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp wapens van categorie III, te weten een aantal (3) pistolen (van merk FN en merk Glock) en een revolver (van merk Rossi) en munitie van categorie III, te weten munitie voor die vuistvuurwapens, voorhanden heeft gehad."

3.3.1. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op bewijsmiddel 4. Dat bewijsmiddel luidt, voor zover hier van belang:

"Een (...) proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond (...) d.d. 3 augustus 2004 (...), opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

als de op genoemde datum tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de verdachte:

U zegt mij dat in de kofferbak van de rode Toyota Avensis voorzien van het kenteken [AA-00-BB] een viertal vuurwapens met munitie zijn aangetroffen.

U zegt mij dat ik zojuist heb verklaard dat deze vuurwapens in een blauwe tas lagen en vraagt mij hoe ik dat kan weten. U zegt mij ook dat u mij dit niet heeft verteld."

3.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Nadere bewijsoverweging

De verdachte stelt niet te weten dat de vuurwapens zich in de kofferbak van de auto bevonden. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte al geruime tijd gebruik maakte van deze auto. De verdachte heeft de auto die dag ook naar Nootdorp gereden (pagina 77 van het verhoor van verdachte op 3 augustus 2004). Volgens het proces-verbaal van politie (bewijsmiddel 4) verklaart de verdachte eigener beweging dat de vuurwapens in een blauwe tas lagen, hetgeen ook zo bleek te zijn.

Op grond van het vorenoverwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad."

3.4. In verband met de in het middel bedoelde, als bewijsmiddel 4 opgenomen, verklaring is blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2006 overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd:

"In de aan [verdachte] toegeschreven maar niet ondertekende verklaring van 3 augustus 2004 is een opmerkelijke passage opgenomen:

"U zegt mij dat in de kofferbak van de rode Toyota Avensis voorzien van het kenteken [AA-00-BB] een viertal vuurwapens met munitie zijn aangetroffen. U vraagt mij hierop te reageren. Ik weet niet hoe die vuurwapens in mijn kofferbak zijn terechtgekomen."

En dan, out of the blue en direct daarop volgend:

"U zegt mij dat ik zojuist heb verklaard dat deze vuurwapens in een blauwe tas lagen en vraagt mij hoe ik dat kan weten. U zegt mij ook dat u mij dit niet heeft verteld. U zegt mij dat die vuurwapens inderdaad in een blauwe tas lagen. U vraagt wederom hoe ik dit kan weten. Ik weet het niet. Ik heb niets gezegd."

U zegt mij... nergens blijkt uit dat [verdachte] zulks verklaard heeft. De politie zegt dat tegen hem maar er is geen enkele verklaring waaruit dit blijkt. De politie probeert [verdachte] kennelijk uit de tent te lokken om een bekentenis te verkrijgen. [Verdachte] weet het echter niet. Hij heeft ook niets gezegd."

3.5. Of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn, kan in cassatie niet worden onderzocht. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, LJN AD3530).

3.6. Uit de hiervoor onder 3.3.2 weergegeven bewijsoverweging moet worden afgeleid dat het Hof de inhoud van het als bewijsmiddel 4 gebezigde proces-verbaal van politie aldus heeft verstaan, dat daarin als verklaring van de verdachte is weergegeven dat de vuurwapens in een blauwe tas lagen. Die uitleg is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat dit bewijsmiddel enkel inhoudt een weergave van hetgeen de verdachte de verbalisanten tegen hem heeft horen zeggen en niet als zijn eigen verklaring inhoudt hetgeen hij omtrent de aanwezigheid van wapens in die tas heeft gezegd.

Gelet daarop is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.

3.7. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 27 mei 2008.