Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC7860

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
00237/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC7860
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AO5822. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat verdachte in de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval de fietser aan wie hij voorrang had dienen te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, niet volgen dat verdachte, zoals is bewezenverklaard, zich “aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend” heeft gedragen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 416
NJ 2008, 441
RvdW 2008, 578
VR 2008, 85
NJB 2008, 1289
JWR 2008/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 mei 2008

Strafkamer

nr. 00237/07

RS/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 september 2006, nummer 20/011612-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 25 oktober 2005, waarbij de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht" is veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.J. Schuurman, advocaat te Meerssen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de bewezenverklaarde schuld van de verdachte ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 10 november 2004, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Sint Gerardusweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, welke bovenbedoelde gedraging aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die Sint Gerardusweg, komende uit de richting van de autosnelweg, gekomen bij de kruising van die weg en de weg, de Alfons Ariënsstraat, ter plaatse waar op het door hem bereden gedeelte van de Sint Gerardusweg een in zijn richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd bord B6 van Bijlage l van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst en haaientanden als bedoeld in artikel 80 van voornoemd reglement op het wegdek van die Sint Gerardusweg waren aangebracht, die kruising zonder te stoppen en zonder voorrang te verlenen aan een zich op die kruising bevindende bestuurder van een fiets, is opgereden, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig (personenauto) en de bestuurder van die fiets, te weten die [slachtoffer] voornoemd, en die fiets."

3.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik reed op 10 november 2004 in Maastricht vanaf de Kennedybrug bij de kruising met de Alfons Ariënsstraat over de Sint Gerardusweg, richting de Heerderdwarsstraat. Ik ben die kruising opgereden zonder te stoppen.

Er waren haaientanden op het wegdek van de Sint Gerardusweg aangebracht en er stond ook een in mijn richting gekeerd bord waaruit volgde dat ik een voorrangsweg naderde. Ik was daar met de situatie goed bekend. Het regende en het was wat donker/schemerig. Ik schat dat ik met 20 tot 30 kilometer per uur die kruising opreed. Ineens klapte er een fietser tegen mijn auto. Ik had die fietser niet gezien."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"Vandaag, 10 november 2004, omstreeks 07.40, reed ik als passagier in een personenauto, bestuurd door mijn vriend [verdachte]. Ik zat voorin naast de bestuurder. We waren zojuist van de J.F. Kennedybrug afgekomen en reden over de Sint Gerardusweg in de richting van de Heerderweg te Maastricht. Nabij de aldaar gelegen spoorwegovergang wilde mijn vriend rechtdoor de Sint Gerardusweg afrijden. We naderden de spoorwegovergang met een snelheid van naar schatting 30 tot 40 kilometer per uur. Het regende en er was slecht zicht. Tevens was het nog donker. Het begon net te schemeren. Bij de haaientanden heeft mijn vriend de auto niet tot stilstand gebracht. Plotseling zag ik in de bocht een fietser die ik eerder niet had gezien. Ik zei tegen mijn vriend: "Kijk uit een fietser", of woorden van gelijke strekking. Mijn vriend trachtte die fietser nog te ontwijken en heeft krachtig geremd. Een botsing kon niet meer worden voorkomen. De fietser rolde over de motorkap van de auto heen, waarbij hij de voorruit raakte, die daardoor barstte. De man was gewond en bleef op de grond liggen."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 10 november 2004, omstreeks 07.45 uur, reed ik op mijn fiets over de Alfons Ariënsstraat te Maastricht. Ik reed vervolgens de spoorwegovergang bij de Bloemenweg/Sint Gerardusweg over. Ik liet hier nog twee personenauto's voorgaan die uit de richting van de Heerderdwarsstraat kwamen en rechtdoor in de richting van de autosnelweg reden. Ik zag een personenauto aankomen van rechts uit de richting van de autosnelweg. Ik fietste rechtdoor in de richting van de Sint Gerardusweg. Plots lag ik op de grond, met iemand gebogen over mij.

Ik heb een hersenkneuzing, met daarbij luchtbobbels in mijn hersenen. Tevens was er een adertje gesprongen in mijn hoofd."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Ik kan U zeggen dat ik sinds 4 januari 2005 weer aan het werk ben. Ik heb nog licht last van mijn knie."

3.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting heeft de raadsman - op de gronden als vermeld in de door hem overgelegde pleitnota - kort samengevat aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het aan de schuld van zijn cliënt te wijten is dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor de fietser [slachtoffer] lichamelijk letsel is toegebracht, zoals primair is ten laste gelegd.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat:

- verdachte, vanaf de Kennedybrug bij de kruising met de Alfons Ariënsstraat, is gereden over de Sint Gerardusweg, richting de Heerdwarsstraat, zonder te stoppen en zonder voorrang te verlenen aan een zich op die kruising bevindende fietser - [slachtoffer] genaamd - vervolgens de kruising is opgereden, terwijl ter plaatse waar op het door hem bereden gedeelte van de Sint Gerardusweg een in zijn richting gekeerd en voor hem, verdachte bestemd, bord B6 van Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst en haaientanden als bedoeld in artikel 80 van voornoemd reglement op het wegdek van die Sint Gerardusweg waren aangebracht;

- de verdachte met de situatie aldaar bekend was;

- het regende en wat donker/schemerig was en dat de voorruit van verdachtes auto, naar zijn zeggen, onder de regenspetters zat;

- dat hij, verdachte, de betreffende fietser niet heeft zien staan of zien rijden en dat deze ineens tegen zijn auto klapte.

Gelet op de hierboven genoemde ter plaatse van het ongeval geldende omstandigheden, heeft verdachte bij het oprijden van genoemde kruising niet de voorzichtigheid en oplettendheid betracht die redelijkerwijs van de bestuurder van een motorrijtuig in bedoelde omstandigheden mag worden verwacht.

Zelfs in het geval de betreffende fietser eerst zou hebben stilgestaan om te wachten op twee in voor verdachte tegenovergestelde richting naderende auto's en het zicht voor verdachte door die auto's op de fietser werd weggenomen, zoals ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, staat dit er niet aan in de weg dat een normaal oplettende bestuurder in bovengenoemde omstandigheden de naderende fietser redelijkerwijs kon waarnemen en in staat kon zijn hierop zijn handelen af te stemmen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van schuld van verdachte in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer."

3.4. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252).

3.5. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat de verdachte in de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval de fietser aan wie hij voorrang had dienen te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, niet volgen dat de verdachte, zoals is bewezenverklaard, zich "aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend" heeft gedragen. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 27 mei 2008.