Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC7476

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
C07/001HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC7476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Agentuurovereenkomst. Procesrecht; Bevoegdheid rechtbank om kennis te nemen van vordering m.b.t. beëindiging van overeenkomst tot bemiddeling als assurantietussenpersoon; belang van door eiser aan overeenkomst gegeven benaming.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 470
NJ 2009, 105 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2008, 619
NJB 2008, 1394
JWB 2008/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/001HR

IV/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

2. MEGA ADVIES B.V.,

beiden gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

ZÜRICH LEVEN N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] c.s. en Zürich.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiseres] c.s. hebben bij exploot van 5 april 2000 Zürich gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, dat Zürich wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 178.546,40, met rente en kosten.

Zürich heeft de vordering bestreden en harerzijds in reconventie betaling van een bedrag van ƒ 135.503,78 gevorderd.

Na tussenvonnissen van 25 juli 2001 en 14 november 2001, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 4 december 2002 de vordering van [eiseres] c.s. afgewezen en de reconventionele vordering van Zürich toegewezen.

Tegen de vonnissen van de rechtbank hebben [eiseres] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 19 september 2006 heeft het hof [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in het door hen ingestelde hoger beroep.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Zürich heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest en verwijzing naar een ander hof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] c.s. zijn een assurantietussenpersoon. Zij hebben in november 1994 met Helvetia Levensverzekering N.V. (hierna: Helvetia) een overeenkomst gesloten in het kader waarvan zij bemiddelden bij het sluiten van (onder andere) verzekeringsovereenkomsten tussen Helvetia en verzekerden/verzekeringnemers.

(ii) De rechtsverhouding is vastgelegd in een aanstellingsbrief, die voorzover thans van belang als volgt luidt:

"Betreft: levenagentschap

Geachte [betrokkene 1],

Mede naar aanleiding van de gevoerde besprekingen, kunnen wij u mededelen, een levenagentschap te hebben geopend onder nummer [001], hetgeen per separate post aan u wordt bevestigd. (...)"

De bevestigingsbrief luidt voorzover thans van belang:

"Betreft: Agentschap Helvetia Levensverzekering N.V.

Geachte [betrokkene 1],

Wij ontvingen uw verzoek tot aanstelling als tussenpersoon van Helvetia Levensverzekering N.V.

Gaarne voldoen wij hieraan en wij stellen het zeer op prijs met u te mogen samenwerken. (...)"

(iii) Onderdeel van de overeenkomst was een provisieregeling, op basis waarvan [eiseres] c.s. per aangebrachte verzekerde respectievelijk verzekeringnemer recht hadden op een bepaald bedrag, alsmede een rekening-courantverhouding waarin onder andere provisie werd geboekt dan wel teruggeboekt.

(iv) Helvetia is in 1996 overgenomen door Zürich. Zürich heeft de overeenkomst met [eiseres] c.s. voortgezet.

(v) Op 18 juni 1998 heeft Zürich per brief de relatie met [eiseres] c.s. per die datum beëindigd.

(vi) [Eiseres] c.s. hebben bij inleidende dagvaarding van

5 april 2000 de hiervoor in 1 vermelde vordering aanhangig gemaakt. De dagvaarding vermeldt, voor zover in cassatie van belang, onder meer het volgende:

"1. Tussen eisers enerzijds en gedaagde anderzijds bestond een (agentuur)overeenkomst in de zin van de Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf in het kader waarvan eisers als tussenpersoon voor gedaagde werkzaamheden verrichtten. In die hoedanigheid bemiddelden eisers bij het sluiten van (onder andere) verzekeringsovereenkomsten tussen gedaagde en verzekerden/verzekeringnemers. (...)

4. (...) eisers [hebben] moeten ervaren dat gedaagde zonder enige voorafgaande waarschuwing bij telefoongesprek van 28 juni 1998 - schriftelijk bevestigd bij brief van dezelfde datum - met ingang van die datum "de relatie" met eisers beëindigden. (...) Als reden voor die zeer ingrijpende maatregel heeft gedaagde aangevoerd (...). Eisers ontkennen dat die redenen in werkelijkheid aanwezig zijn geweest subsidiair dat die redenen van zodanig ernstige aard waren dat die een beëindiging met onmiddellijke ingang van de rechtsverhouding tussen partijen rechtvaardigden.

5. Het beëindigen door gedaagde van de relatie met eisers met onmiddellijke ingang zonder dat daarvoor dringende/klemmende redenen aanwezig waren, levert een toerekenbare tekortkoming op van gedaagde jegens eisers althans is dat handelen aan te merken als onrechtmatig jegens eisers. (...)"

3.2 De rechtbank heeft de vordering van [eiseres] c.s. afgewezen en de vordering van Zürich in reconventie toegewezen.

Het hof heeft [eiseres] c.s. - zowel in conventie als in reconventie - niet-ontvankelijk verklaard in het door hen ingestelde hoger beroep. Het heeft daartoe, kort samengevat, als volgt overwogen.

De stellingen van [eiseres] c.s. in de inleidende dagvaarding komen er in de kern op neer dat zij schade hebben geleden als gevolg van de onregelmatige opzegging door Zürich van de tussen partijen bestaande agentuurovereenkomst, zodat sprake is van een tot de kennisneming van de kantonrechter behorende "rechtsvordering betrekkelijk tot een agentuurovereenkomst" in de zin van art. 39 aanhef en onder 2 (oud) Wet RO. Hetgeen [eiseres] c.s. in hoger beroep daartegen hebben aangevoerd, kan daaraan niet afdoen. Voor zover [eiseres] c.s. - met verwijzing naar HR 7 maart 1980, nr. 11566, NJ 1980, 641, waarin is overwogen dat voor de toepassing van art. 157 (oud) Rv. de grondslag van de vordering zoals die blijkens de dagvaarding is ingesteld maatgevend is, waarbij de benaming door de eiser gegeven aan de overeenkomst waaruit hij ageert niet beslissend behoeft te zijn - beogen te stellen dat zij in de dagvaarding, in weerwil van de daarin gegeven kwalificatie, geen agentuurovereenkomst aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd, wordt die stelling verworpen omdat zulks op geen enkele wijze uit de stellingen in de dagvaarding valt af te leiden (rov. 4).

Zürich heeft in haar conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, erkend dat sprake is van een agentuurovereenkomst en heeft bevestigd dat daarvan een rekening-courantverhouding deel uitmaakt, op grond waarvan zij in reconventie het openstaande debetsaldo van [eiseres] c.s. vordert. Nu haar stellingen er in de kern op neerkomen dat zij afrekening vordert in het kader van de (rekening-courant die deel uitmaakt van de) agentuurovereenkomst, is ook de vordering in reconventie "betrekkelijk tot een agentuurovereenkomst" als bedoeld in art. 39 aanhef en onder 2 (oud) Wet RO (rov. 6).

Noch door Zürich (in conventie), noch door [eiseres] c.s. (in reconventie) is de exceptie van onbevoegdheid voorgesteld, zodat de rechtbank ten aanzien van beide vorderingen in hoogste ressort heeft rechtgesproken (rov. 5 en 7).

3.3 Onderdeel 1 van het middel neemt tot uitgangspunt dat voor het antwoord op de vraag tot wiens kennisneming de vordering behoort, (mede) beslissend is hoe de wederpartij de stellingen van de eiser in de inleidende dagvaarding heeft opgevat dan wel redelijkerwijs heeft moeten opvatten, en beroept zich erop dat Zürich blijkens de gedingstukken in eerste aanleg de grondslag van de vordering van [eiseres] c.s. kennelijk aldus heeft verstaan dat zij betrekking had op een rechtsverhouding krachtens welke [eiseres] c.s. als "zelfstandig" tussenpersoon optrad. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Voor het antwoord op de vraag tot wiens kennisneming een vordering met betrekking tot een bepaalde overeenkomst behoort, is bepalend de grondslag van de vordering zoals die blijkens de dagvaarding is ingesteld, waarbij de benaming door de eiser gegeven aan de overeenkomst waaruit hij ageert niet beslissend behoeft te zijn (vgl. het hiervoor in 3.2 vermelde arrest van de Hoge Raad). Daarbij is niet relevant wat de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding is, noch wat het verweer van de gedaagde inhoudt. Het hof heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij zijn oordeel omtrent de grondslag van de vordering van [eiseres] c.s. geen betekenis toe te kennen aan de proceshouding van Zürich in eerste aanleg.

3.4 Onderdeel 2 klaagt dat het hof, door de in de inleidende dagvaarding door [eiseres] c.s. gestelde rechtsverhouding te bestempelen als een agentuurovereenkomst, heeft miskend dat het gebonden was aan de feitelijke vaststelling door de rechtbank van de grondslag van de eis. Het onderdeel faalt, omdat hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, op zichzelf niet onverenigbaar is met de door het hof gegeven kwalificatie.

3.5 De onderdelen 3-5 richten rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat [eiseres] c.s. een agentuurovereenkomst aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd.

Bij de beoordeling van deze klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Zoals hiervóór reeds is vermeld, is bepalend hetgeen in de inleidende dagvaarding omtrent de grondslag van de vordering is gesteld. Bij de uitleg van de dagvaarding dient echter in aanmerking te worden genomen dat op grond van het feit dat de eiser zijn vordering niet bij de kantonrechter doch bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt, in beginsel moet worden aangenomen dat hij een vordering beoogde in te stellen ter zake waarvan de rechtbank de bevoegde rechter is. In het licht daarvan kan de conclusie dat de vordering ten onrechte bij de rechtbank is aangebracht, slechts getrokken worden, indien de dagvaarding niet in redelijkheid aldus kan worden uitgelegd dat zij inderdaad een vordering inhoudt tot beoordeling waarvan de rechtbank bevoegd is.

Tegen deze achtergrond heeft het hof op ongenoegzame gronden aangenomen dat [eiseres] c.s. hun vordering blijkens de dagvaarding hadden gebaseerd op een agentuurovereenkomst als bedoeld in art. 39 RO. Hiervoor is vereist dat zij in opdracht van de verzekeraar werkzaam waren. Dat dit het geval was, is in de dagvaarding niet gesteld. Voorts ziet de regeling betreffende tussenpersonen in de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf, waarnaar in de dagvaarding wordt verwezen, zeker niet uitsluitend op personen die een zodanige relatie met een verzekeraar hebben, en wordt in deze wet de aanduiding "agent" in een ruimere betekenis gebruikt. Kennelijk heeft het hof beslissend geacht dat in de dagvaarding de aanduiding "(agentuur)overeenkomst" wordt gehanteerd, maar dit is in het licht van het voorgaande onvoldoende om de daaraan door het hof verbonden conclusie te dragen. De hierop gerichte klachten van de onderdelen 3-5 slagen derhalve.

3.6 Met verwijzing naar de voorgaande onderdelen komt onderdeel 6 op tegen rov. 6 waarin het hof, voortbouwend op hetgeen het heeft overwogen ten aanzien van de vordering in conventie, oordeelt dat ook de reconventionele vordering tot de kennisneming van de kantonrechter behoort. De gegrondheid van de onderdelen 3-5 brengt mee dat ook onderdeel 6 doel treft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 september 2006;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Zürich in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] c.s. begroot op € 462,05 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 juni 2008.