Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC7469

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
00569/07 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC7469
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Aanvrager is bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd veroordeeld voor het rijden zonder geldig rijbewijs. De inhoud van de bij de aanvrage overgelegde stukken geeft steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, t.w. dat aanvrager t.t.v. de overtreding waarop de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd betrekking heeft, beschikte over een geldig rijbewijs. E.e.a. levert het ernstige vermoeden op dat de Ktr., ware deze daarmee bekend is geweest, aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 248
RvdW 2008, 382

Uitspraak

25 maart 2008

Strafkamer

nr. 00569/07 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 11 juni 2003, nummer 09/163574-02, ingediend door mr. D.S.C. Hes, advocaat te 's-Gravenhage, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] in 1974, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Kantonrechter heeft in zijn vonnis de aanvrager ter zake van "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening en de aanvulling daarop zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat hij ten tijde van de bewezenverklaarde overtreding wel over een geldig rijbewijs beschikte.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 juni 2003 zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. De aanvrager is bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd veroordeeld voor het rijden zonder geldig rijbewijs op 21 april 2002.

4.2. Als bijlagen bij de aanvrage zijn onder meer gevoegd:

(i) een kopie van het op 21 juni 2005 aan [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op 00-00-1974, afgegeven rijbewijs dat geldt voor motorrijtuigen van categorie B en dat inhoudt dat de houder van het desbetreffende rijbewijs sinds 17 juni 1996 bevoegd is tot het besturen van motorrijtuigen van genoemde categorie;

(ii) een brief van een medewerker van de gemeente 's-Gravenhage, gedateerd 29 maart 2006, die inhoudt dat op 17 juni 1996 een rijbewijs is afgegeven aan [aanvrager] (geboren 00-00-1974), dat nadien nog vijf maal een rijbewijs aan die persoon is afgegeven, waarvan de laatste maal op 21 juni 2005, en waarop met de hand is geschreven dat uit bij de RDW opgevraagde gegevens blijkt dat [aanvrager] in het bezit is van een geldig rijbewijs.

4.3. De hiervoor onder 4.2 weergegeven inhoud van de genoemde overgelegde stukken geeft steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat de aanvrager ten tijde van de overtreding waarop de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd betrekking heeft, beschikte over een geldig rijbewijs.

4.4. Een en ander levert het ernstige vermoeden op dat de Kantonrechter, ware deze daarmee bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

5. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;

beveelt voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 11 juni 2003;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 25 maart 2008.