Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC6841

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
R07/095HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6841
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Uitleg gedingstukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2008, 521
JOL 2008, 377
NJB 2008, 1183
JWB 2008/225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 mei 2008

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/095HR

JMH/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats], België,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 29 juli 2004 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, voor zover in cassatie nog van belang en kort gezegd, verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat de in gemeenschappelijke eigendom aan partijen toebehorende echtelijke woning te [woonplaats] (België) wordt toegescheiden aan de vrouw onder verplichting tot betaling aan de man van de helft van de waarde van de woning.

De rechtbank heeft bij beschikking van 1 april 2005 de echtscheiding uitgesproken en de beslissing omtrent de verdeling van de gemeenschappelijke eigendom aangehouden. Vervolgens heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd en verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat

- de man zijn medewerking dient te verlenen aan het transport van de echtelijke woning aan de vrouw;

- de vrouw gehouden zal zijn de hypotheciare inschrijving verbonden aan de echtelijke woning te voldoen en de man te vrijwaren;

- de vrouw een bedrag van € 146.272,76 aan de man zal voldoen;

- de man één dag nadat de rechtbank de in deze te wijzen beschikking heeft afgegeven, ervoor dient zorg te dragen dat de hypothecaire inschrijving ten behoeve van de ING Bank op de echtelijke woning wordt doorgehaald;

- de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat deze doorhaling niet plaatsvindt, waarbij de vrouw gerechtigd is de verbeurde dwangsommen te verrekenen met het bedrag dat zij aan de man verschuldigd is ten bedrage van € 146.272,76.

De man heeft het verzochte bestreden en zijnerzijds verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat

- de vrouw medewerking dient te verlenen aan het transport van de woning aan de man;

- de man gehouden zal zijn de hypotheciare inschrijving op de woning ten bedrage van € 170.000,-- te voldoen en de vrouw zal vrijwaren;

- de man wegens overbedeling een bedrag van € 141.000,-- aan de vrouw dient te betalen.

De vrouw heeft dit verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 5 januari 2006, hersteld bij beschikking van 20 februari 2006, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat:

- de in gemeenschappelijk eigendom zijnde echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld;

- de vrouw aan de man wegens overbedeling dient te voldoen een bedrag van € 170.475,41;

- de man zijn medewerking dient te verlenen aan het transport van de echtelijke woning aan de vrouw;

- de vrouw gehouden zal zijn de (eerste) hypothecaire inschrijving verbonden aan de echtelijke woning te voldoen en de man te vrijwaren;

- de man binnen een maand te rekenen vanaf de datum van deze beschikking, ervoor dient zorg te dragen dat de (tweede) hypothecaire inschrijving bij de ING Bank op deze onroerende zaak wordt doorgehaald;

- en de man veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat deze doorhaling op de onroerende zaak na 5 februari 2006 niet plaatsvindt, met een maximum van € 200.000,--, waarbij de vrouw gerechtigd is de verbeurde dwangsommen te verrekenen met het bedrag dat zij aan de man verschuldigd is ten bedrage van € 170.475,41;

Tegen deze twee beschikkingen heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 14 februari 2007 heeft het hof de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen bekrachtigd en het meer of anders in hoger beroep verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw is in cassatie niet verschenen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de man heeft bij brief van 15 februari 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 2005 van echt gescheiden.

(ii) De voormalige echtelijke woning te [woonplaats] (België) behoorde hun in gemeenschappelijke eigendom toe. Op deze woning rustte een tweede hypotheek ten gunste van ING Bank tot zekerheid van een aan de man ten behoeve van zijn bedrijf verstrekte geldlening.

(iii) De rechtbank heeft in haar hiervoor in 1 vermelde, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 5 januari 2006 (verbeterd bij beschikking van 20 februari 2006) onder meer bepaald dat de woning aan de vrouw werd toebedeeld, dat de vrouw wegens overbedeling aan de man € 170.475,41 diende te betalen, dat de vrouw haar medewerking aan het transport van de woning diende te verlenen, dat de man binnen één maand na de datum van de beschikking ervoor diende zorg te dragen dat de hiervoor in (ii) vermelde tweede hypothecaire inschrijving zou worden doorgehaald, met veroordeling van de man tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat deze doorhaling na 5 februari 2006 niet zou plaatsvinden met een maximum van € 200.000,--, waarbij de vrouw gerechtigd zou zijn de verbeurde dwangsommen te verrekenen met het hiervoor vermelde bedrag dat zij wegens overbedeling aan de man diende te betalen.

(iv) De doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving heeft niet vóór 6 februari 2006 plaatsgevonden en de overdracht van het huis heeft na die datum niet plaatsgevonden omdat er tussen partijen een geschil was ontstaan over de vraag of de man dwangsommen had verbeurd welke de vrouw op grond van de beschikking van de rechtbank kon verrekenen met hetgeen zij de man wegens overbedeling verschuldigd was.

3.2 De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen en heeft daarin met zijn tweede appelgrief betoogd - zakelijk samengevat - dat de rechtbank hem ten onrechte een dwangsom heeft opgelegd, nu hij voor de nakoming van zijn verplichting met betrekking tot de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving afhankelijk was van de medewerking van de vrouw, welke zij niet heeft verleend.

3.3 Het hof heeft deze grief verworpen en daartoe in rov. 14 van de bestreden beschikking het volgende overwogen:

"De rechter heeft bij het opleggen van een dwangsom een discretionaire bevoegdheid. De rechter is volledig vrij in het bepalen van zowel de hoogte als de frequentie van de te verbeuren dwangsommen. Naar het oordeel van het hof had en heeft de vrouw er een redelijk belang bij dat de man ervoor zorg draagt dat de tweede hypothecaire inschrijving bij de ING Bank op de onroerende zaak te [woonplaats] wordt doorgehaald. Op grond van dit belang is het gerechtvaardigd dat de rechter een dwangsom heeft opgelegd. Ook in hoger beroep heeft de man niet aangetoond dat er gegronde redenen aanwezig zijn op grond waarvan hij niet kan zorgdragen voor de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving. Uit de gewisselde stukken volgt expliciet dat de vrouw al datgene in het werk stelt om tot een spoedige afwikkeling te komen ter zake van de levering van de onroerende zaak te [woonplaats]".

3.4 Het middel strekt onder meer ten betoge dat het oordeel, vervat in de laatste twee volzinnen van deze overweging, in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is. Deze klacht slaagt.

Uit de gedingstukken kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de man zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat hij het bedrag dat de vrouw hem wegens overbedeling diende te betalen, nodig had om de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving te bewerkstellingen en dat het hem daarom onmogelijk was aan de veroordeling te voldoen alvorens de overdracht en de betaling door de vrouw zouden plaatsvinden. Daarmee had de man in elk geval een gegronde reden aangevoerd op grond waarvan hij niet kon zorgdragen voor de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving. Voorzover het hof heeft geoordeeld dat de man niet een zodanige gegronde reden had gesteld, is het bestreden oordeel dan ook onbegrijpelijk.

Voorzover het hof heeft geoordeeld dat de man een zodanige gegronde reden niet heeft "aangetoond" in de zin van aannemelijk gemaakt, is dat oordeel evenzeer onbegrijpelijk. De gedingstukken laten namelijk geen andere conclusie toe dan dat de vrouw de hier bedoelde stelling van de man niet gemotiveerd heeft weersproken, nu zij blijkens de memorie van antwoord in hoger beroep slechts heeft gesteld (onder 15):

"De man stelt nu opeens dat doorhaling van de tweede hypotheek afhankelijk was van het betalen van € 170.475,41 aan de man. Hij heeft ook nooit, dus ook nimmer na het afgeven van de beschikking d.d. 5 januari 2006 gezegd of gesteld dat doorhaling zo niet mogelijk zou zijn", terwijl de door haar in hoger beroep overgelegde brieven van haar advocaat van 22 februari 2006 aan de advocaat van de man en aan de notaris, en van 14 maart 2006 aan de notaris, geen andere conclusie toelaten dan dat de vrouw zich realiseerde dat de tweede hypothecaire inschrijving mede afgelost diende te worden uit hetgeen de vrouw wegens overbedeling verschuldigd was aan de man. Die brieven hadden immers als onderwerp hetgeen de man, in aanvulling op hetgeen de vrouw na verrekening van de inmiddels door de man verschuldigde dwangsommen hem diende te betalen, onder de notaris diende te storten teneinde het bedrag van € 232.300,-- te bereiken dat voor de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving aan de bank diende te worden betaald.

Ter (nadere) motivering van het oordeel van het hof kan in elk geval niet dienen hetgeen het hof in de laatste volzin van rov. 14 overweegt, te weten dat uit de gewisselde stukken expliciet volgt dat de vrouw al datgene in het werk stelt om tot een spoedige afwikkeling te komen ter zake van de levering van de voormalige echtelijke woning. In het licht van het standpunt van de vrouw dat de man voorafgaande aan de overdracht en de betaling van hetgeen zij hem verschuldigd was wegens overbedeling, diende zorg te dragen voor doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving, kan wat het hof hier overweegt immers geen weerlegging vormen van de stelling van de man dat die doorhaling nu juist onmogelijk was omdat hij voor de aflossing van de schuld, ter verzekering waarvan de tweede hypotheek strekte, afhankelijk was van de betaling van de vrouw.

3.5 Nu de hier besproken klacht slaagt, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven en behoeven de overige klachten van het middel geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 februari 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op € 309,49 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers, als voorzitter, en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 mei 2008.