Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC6794

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
00365/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6794
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweer-exces. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AW3569 en HR LJN BC4459. 1. Huisrecht. 2. Door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Ad 1. Vzv. in het 1e middel wordt geklaagd over ’s Hofs oordeel dat onder 'goed' a.b.i. art. 41 Sr het huisrecht niet kan worden begrepen, faalt het, omdat dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR NJ 1998, 662). Ad 2. Blijkens ’s Hofs overwegingen heeft het Hof onderzocht of t.t.v. de confrontatie onderaan de trap (de 2e fase) sprake was van een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft daarbij niet miskend dat aan een geslaagd beroep op noodweerexces niet in de weg behoeft te staan dat ook andere factoren dan de wederrechtelijke aanranding hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft echter niet aannemelijk geacht dat het handelen van verdachte in de 2e fase het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanige hevige angst of woede, veroorzaakt door de eerdere aanranding, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging a.b.i. art. 41.2 Sr. Het Hof heeft een zekere rationaliteit en doelgerichtheid - waarmee het Hof kennelijk het oog erop had dat verdachte met een bepaalde mate van berekening het slachtoffer (definitief) wilde uitschakelen – en dus niet een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging doorslaggevend geacht in het handelen van verdachte. Het Hof is mede o.g.v. door verdachte afgelegde verklaringen tot dat oordeel gekomen. Het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel van het Hof is, gelet op de door het Hof vastgestelde feiten, niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 233
NBSTRAF 2008/233
VA 2009/22 met annotatie van J. Silvis
JOL 2008, 405
NJ 2008, 510 met annotatie van M.J. Borgers
RvdW 2008, 580
NJB 2008, 1282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 mei 2008

Strafkamer

nr. 00365/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 juni 2006, nummer 20/008593-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, van 24 maart 2005 - de verdachte ter zake van "doodslag" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. De middelen keren zich tegen de verwerping van het beroep op noodweerexces en lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.2.1. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte:

"in de nacht van 26 op 27 september 2004 te Vlijmen, gemeente Heusden, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 27 september 2004 omstreeks 1.55 uur werd door de medewerkers van het politieteam Heusden in een plantsoen aan de Spaaklaan te Vlijmen, in de gemeente Heusden, ter hoogte van perceel 17 het stoffelijk overschot aangetroffen van het slachtoffer [slachtoffer]. Het slachtoffer is geboren op [geboortedatum] 1960."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben ambulancechauffeur. Ik had dienst met verpleegkundige [betrokkene 2] in de nacht van 26 op 27 september 2004. We kregen de melding dat we naar Vlijmen moesten gaan. We zijn de Spaaklaan ingereden. Ter hoogte van perceel 17 of 13 zag ik een persoon half in het gras en half op de stoep liggen. Het bleek dat er geen hartritme was. Verder is naar zijn ademhaling geluisterd en zijn zijn pupillen gecontroleerd. Op dat moment begrepen we dat de man overleden was."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Gisteren (26 september 2004; hof) ben ik met [betrokkene 3] naar het huis van [betrokkene 3] in [plaats] gegaan. We gingen naar bed en gingen slapen. Ineens kreeg ik een knal op mijn gezicht van [slachtoffer] ([slachtoffer]; hof). We zijn aan het slaan gegaan. Hij viel van de trap. Ik ben erachter aan gegaan en heb hem bewerkt. Ik heb zijn gebit uit zijn mond getrapt. Ik heb flink op hem in staan hengsten, omdat ik zeker wist dat hij mij niets kon doen (het hof begrijpt: om zeker te weten dat hij mij niets kon doen). Ik heb hem geslagen en geschopt. Ik heb hem met mijn linker- en rechtervuist op zijn kop geraakt. Ik heb op zijn ribben staan schuppen. Ik heb dit met allebei mijn voeten gedaan. Ik heb hem geschopt alles wat ik kon, omdat ik niet wilde dat hij mij zou overmeesteren. Ik zag dat [slachtoffer] een flink pak slaag van mij gehad had. Alles lag vol bloed. Toen heb ik hem naar buiten gesleept naar een grasveldje voor het huis."

d. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op een gegeven moment viel [slachtoffer] van de trap af naar beneden. Ik ben ook zo vlug mogelijk van de trap naar beneden gerend. Ik heb met mijn vuisten geslagen en met mijn voeten geschopt waar ik hem maar raken kon. Ik heb dat ook gedaan, terwijl [slachtoffer] op de grond lag."

e. een sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door H.A. Tromp, voor zover inhoudende:

"Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1960, is het navolgende gebleken:

B1. Breuken van de grote hoorns van het strottenhoofd beiderzijds met bloeduitstorting rondom en bloeduitstortingen in de halsspieren.

B2. Vele ribbreuken links en rechts zijwaarts en aan de achterzijde met bloeduitstorting rond de breuken,

asymmetrie van de borstkas en een geringe hoeveelheid bloed in de borstholten.

B3. Vele perforaties van de borstvliezen; aan de zijkant van de rechterborstkas verplaatsing van gebroken ribben met een gat in de borstwand van ca. 5 bij 2 cm.

B5. Perforaties van de longen beiderzijds met grotendeels samenvallen van de longen.

Er waren uitgebreide letsels aan de borstkas (B2 en B3). Deze letsels zijn bij leven ontstaan, waren het gevolg van de inwerking van heftig uitwendig mechanisch stomp geweld en toonden samenhang met de uitwendige letsels A1 (op de rug, aan de zijkant van de borstkas links en rechts en op de bovenarm links gebieden met bloeduitstortingen; hof). Ten gevolge van de letsels aan de borstkas waren beide longen geperforeerd en grotendeels samengevallen (B5). Hierdoor wordt het vrijwel onmogelijk zuurstof op te nemen in het bloed, hetgeen het overlijden op zichzelf volledig verklaart.

Daarnaast was er sprake van de inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (B1), hetgeen ernstige ademhalingsbelemmering kan opleveren. Zeker in samenhang met de ademhalingsbelemmering door de uitgebreide letsels van het borstkasstelsel kan ook dit de dood ten gevolge hebben.

De gevolgen van genoemde letsels verklaren derhalve zowel op zichzelf als in combinatie het overlijden volledig.

Conclusie

Bij [slachtoffer] is de dood ingetreden door ernstige letsels aan hals en borstkas, waarbij deze letsels zowel in combinatie als ieder op zichzelf het overlijden volledig kunnen verklaren."

f. de verklaring van de getuige-deskundige H.A. Tromp, ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Het borstletsel was zodanig uitgebreid dat dit niet alleen is ontstaan ten gevolge van de val van de trap. Het slachtoffer had ook aan de achterkant ribbreuken, zelfs meer dan tien breuken, waarbij sommige ribben op meerdere plaatsen gebroken waren. De longen waren op meerdere plaatsen geperforeerd. Ik heb nooit meegemaakt dat dit soort ribbenletsel is ontstaan tengevolge van een val van de trap, dan wel de val tegen een trapleuning.

Gelet op het uitgebreide letsel aan de hals kan dit niet het gevolg zijn geweest van een simpele val van de trap."

3.2.3. De raadsman heeft blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota een beroep gedaan op noodweerexces en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:

"Ik kom dan toe aan de verwerping door de rechtbank van wat de officier van justitie noemt het extensief noodweerexces. De officier van justitie verwerpt het extensieve noodweerexces omdat de aard van de emotie die cliënt beneden zou hebben bevat er niet een is die kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De officier van justitie zegt dus eigenlijk dat cliënt zich heeft laten leiden door een verkeerde gemoedsbeweging die weliswaar het gevolg is van de eerdere aanranding, maar die niet verschoonbaar is. Ik moet helaas constateren dat hetgeen door de verdediging in eerste aanleg als strafuitsluitende verweren naar voren is gebracht, voor de rechtbank geen aanleiding behoefde te zijn om daar gemotiveerd op in te gaan, noch uit de constatering van de raadsman in eerste aanleg dat aan de hand van het dossier hij concludeert dat de ribben zijn gebroken door de val van de trap en de confrontatie met de trapleuning. Grofweg gezegd, verenigt de rechtbank zich met het standpunt van de officier van justitie en noemt expliciet woede als een emotie die niet van dien aard is dat zij kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de oorspronkelijke aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. De rechtbank zegt dan ook nog eens uitdrukkelijk dat het niet de angst was die tot uitdrukking komt in de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen.

Ik moet u zeggen grote moeite te hebben met het gepsychologiseer omtrent de aard van de emotie. Ik denk dat het wel duidelijk is dat cliënt geen persoon is die gemakkelijk de aard van de in hem opkomende emoties kan omschrijven, zo hij hier zich al duidelijk bewust van is. Woede lijkt aldus een verwerpelijke emotie, in tegenstelling tot angst. Alsof die emoties allemaal haarscherp zijn te onderscheiden.

(...)

Ik meen op grond van het dossier te mogen vaststellen dat het slachtoffer [slachtoffer] massief wederrechtelijk is opgetreden. Wij kunnen dit wel beperken tot de aanvankelijke agressie van hem jegens mijn cliënt, maar dit is een onterechte beperking van de massieve aantasting van lijf, eerbaarheid en goed door binnen te dringen in het huis, waarvan hem nog zeer kort tevoren was aangezegd dat niet meer te doen. Zijn eerdere binnendringen was toen nog beperkt tot gelegenheden dat er niemand aanwezig was, maar nu was hij niet slechts binnengedrongen in het huis, maar zelfs in het als meest privé gevonden vertrek van het huis, de slaapkamer, waarin cliënt met zijn pas gevonden relatie ligt te slapen. Dit is een zo overweldigende inbreuk, waar wij ons nauwelijks een voorstelling van kunnen maken. Als daarenboven cliënt in de meest private situatie ook nog eens gewelddadig wordt bejegend, dan kan het niet anders zijn dan dat dit een geweldige reactie oproept. [Slachtoffer] slaat cliënt hard op zijn slaap/oog en duikt vervolgens op bed, bovenop cliënt om een worsteling aan te gaan. Dan roept zijn vriendin [betrokkene 3]: 'Dat is 'm'. Maar van cliënt heeft zich een overweldigende emotie meester gemaakt. Als de officier van justitie dan betoogt 'hij moest plat, hij mocht niet meer overeind komen, zodat ik de politie kon bellen' getuigt niet van razernij maar eerder van rationaliteit, dan ben ik van oordeel dat de officier van justitie zich onvoldoende heeft ingeleefd in de overweldigende inbreuk die op dat moment door [slachtoffer] wordt gepleegd. Het is dan niet meer haarfijn te onderscheiden dat in begin er angst was, paniek en wellicht daarna ook woede.

Maar mag iemand ook woede hebben als in het meest private domein wordt binnengedrongen, hij klappen krijgt en [slachtoffer] boven op hem duikt. Het zou zelfs merkwaardig genoemd mogen worden als op een gegeven moment die woede niet naar buiten zou zijn gekomen.

In bed krijgt hij [slachtoffer] op een gegeven moment van zich af en al worstelend komen ze aan het voeteneind van het bed, waar hij weer even de onderliggende partij wordt, doordat hij achterover op bed wordt geduwd. Vervolgens schiet [slachtoffer] de hal in waar cliënt zijn vriendin weet en hij schiet er achteraan. In die hal ontstaan wederom schermutselingen. Die hal is zo klein dat op een gegeven moment [slachtoffer] van de trap aftuimelt.

Bij het vervolg moet naar mijn mening tenminste nog een tweetal factoren worden ingecalculeerd namelijk ten eerste dat in de afgelopen week cliënt steeds is gevoed met negatieve informatie over [slachtoffer]. Hij is degene die stelselmatig zijn vriendin [betrokkene 3] heeft mishandeld en gegijzeld en die nog bij voortduring inbreuk maakte op haar leven door ongevraagd haar huis binnen te komen. We zien tenminste zeven meldingen in het BTS systeem en we lezen in het dossier dat de buren zo gewend waren aan die gewelddadigheden en ruzies dat zij op aanbellen van [betrokkene 3] niet meer reageerden. Ook haar neef laat het afweten als ze in paniek bij hem aan de deur komt. Met andere woorden, cliënt krijgt een nieuwe vriendin en wordt die nacht in hevige mate geconfronteerd met haar verleden, met welk verleden hij in die afgelopen week negatief is gevoed. Er zullen bij cliënt zeker gevoelens zijn opgekomen haar tegen die geschetste boosdoener te moeten beschermen en met zijn kwaadaardigheid werd hij die nacht geconfronteerd.

Een tweede aspect is de persoonlijkheid van cliënt die natuurlijk met zijn optreden niet kan worden weggecijferd. Ik zou menen dat dat specifiek menselijke, zijn eigen geaardheid, niet kan worden weggedacht uit zijn optreden om zodoende gemakkelijk het uiterlijk waarneembare te kunnen categoriseren. Daarmee wordt de essentie aan ons strafrecht onttrokken namelijk dat het individueel bepaald is. Cliënt beschikt, aldus het pro justitia rapport van de gerechtelijk deskundige, Rempt, over een beperkte psychische draagkracht. Hij beschikt over beperkt verstandelijke vermogens en die gebrekkige constellatie van de persoonlijkheid bepaalt zijn kern en dus ook zijn optreden in de samenleving. Antw. 4b rapp. Rempt: "Door deze stoornis heeft betrokkene weinig adequate afwegingen meer kunnen maken."

Gelet op die achtergrond mogen we juist constateren dat hij zichzelf na een aanvankelijk turbulente periode met justitiële contacten prima heeft hersteld.

Dan wordt hij in de nacht van 26 op 27 september 2004 bij zijn nieuwe vriendin geconfronteerd met een massieve wederrechtelijke aanranding die weliswaar gemakshalve wordt beperkt tot de wederrechtelijke aanranding in bed, klappen en dat [slachtoffer] boven op hem dook, maar dat is een beperking die geen recht doet aan de veel omvangrijke inbreuk, namelijk die van lijf, eerbaarheid en goed onder welk laatste naar ik meen het huisrecht moet worden begrepen.

Ik weet niet wat er zou zijn gebeurd als cliënt enkel en alleen door angst zou zijn overweldigd. Maar stel nu eens dat cliënt, gelet op de verhalen van [betrokkene 3] over haar ex-partner, waarmee hij is gevoed, uit voorzorg op zijn nachtkastje een mes had gelegd en dat mes onmiddellijk had gebruikt nadat [slachtoffer] hem in bed had aangevallen en daarmee [slachtoffer] dodelijk had verwond, dan hadden we hier niet gezeten. Het beroep op noodweer was dan evident geweest.

Cliënt is niet slechts overweldigd geraakt door angst en paniek, maar heeft alles in het werk gesteld de inbreukmaker naar buiten te werken. De weg is omslachtig, omdat de weg naar buiten verloopt via de huiskamer. Zolang [slachtoffer] in die woning verblijft, maakt hij inbreuk, is er sprake van een wederrechtelijke aantasting. Die wederrechtelijke aantasting is, zoals gezegd, niet beperkt tot het door hem jegens cliënt uitgeoefende geweld, maar de aantasting betreft wel degelijk ook het huis binnendringen. We lezen in het dossier dat cliënt wel duizend keer heeft geroepen: 'Eruit, eruit'. In de heftige gemoedsbeweging waarin hij verkeerde, heeft cliënt niet kunnen bevroeden dat die [slachtoffer] door zijn enorme dronkenschap daartoe niet allengs in staat was.

Met andere woorden, de beperking door de rechtbank van de noodweersituatie tot de eerste fase is naar mijn mening een onterechte beperking, want de inbreuk duurde voort. Vervolgens zegt de rechtbank het niet aannemelijk te achten dat de gemoedstoestand van angst nog voortduurde op het moment dat [slachtoffer] van de trap af was gevallen en op de grond lag. Van enig gevaar was toen, aldus de rechtbank, geen sprake meer. Ik heb omstandig betoogd dat dat gevaar er nog steeds was, omdat [slachtoffer] nog steeds gold als de in het huis binnen gedrongene, [slachtoffer] richtte zich steeds opnieuw op en cliënt heeft bij herhaling verklaard dat hij niet meer wilde dat [slachtoffer] hem of [betrokkene 3] nog zou aanvallen. Of de hevige gemoedstoestand alleen angst is geweest, of dat er ook woede heeft gespeeld, is eigenlijk niet zo relevant. Woede is onder die omstandigheden een terechte menselijke gemoedstoestand. Het is een oneigenlijke manier van psychologiseren alsof gemoedstoestanden met een waterscheiding zijn af te bakenen en dat die gemoedstoestanden niet door elkaar heen lopen. Uit mijn betoog volgt dat ik mij niet kan verenigen met de weerlegging van de rechtbank van het extensieve noodweerexces, omdat woede niet van dien aard is dat zij kan worden aangemerkt als onmiddellijk gevolg van een door de oorspronkelijke aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.

Het is op grond van noodweer, noodweerexces c.q. extensieve noodweer dat ik uw Hof verzoek cliënt te ontslaan van rechtsvervolging."

3.2.4. Het Hof heeft ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte het volgende overwogen:

"Op de zitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake zou zijn van noodweerexces.

Daartoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat niet alleen het fysieke aanvallen van de verdachte door [slachtoffer] de tenlastegelegde handelingen van de verdachte rechtvaardigden in de zin van noodweer, maar ook het wederrechtelijk binnendringen door [slachtoffer] in de woning van [betrokkene 3]. Zo al de fysieke aanranding van de verdachte door [slachtoffer] was beëindigd, nadat deze van de trap was gevallen, noodzaakte de inbreuk door [slachtoffer] op het huisrecht de verdachte nog immer tot verdediging. Bij die noodzakelijke verdediging is de verdachte verder gegaan dan geboden was. Die overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging was evenwel het onmiddellijke gevolg van de hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Dit verweer miskent dat 'goed' in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object betekent en dat huisvrede hier niet onder valt. Huisvredebreuk, waarbij geen sprake is van vernieling of beschadiging van de woning zoals in het onderhavige geval, is derhalve geen aanranding van enig 'goed', waartegen noodweer gerechtvaardigd is. Nu er voor de verdachte in deze zin geen sprake was van een noodweersituatie, verwerpt het hof in zoverre het beroep op noodweerexces.

Voorts heeft de raadsman gepleit voor ontslag van alle rechtsvervolging op grond van (extensief) noodweerexces.

Daartoe is aangevoerd dat de verdachte zich - ook afgezien van het voorgaande - onder aan de trap diende te verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer]. Voorzover hij daarin te ver is gegaan, is dit gebeurd onder invloed van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt ofwel door die aanval van [slachtoffer] onder aan de trap (noodweerexces) dan wel door de daaraan voorafgaande aanval van [slachtoffer] in de slaapkamer en op de overloop (extensief noodweerexces).

Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

Het hof gaat uit van de volgende feitelijke gang van zaken:

a) sinds kort (ongeveer één week voor de nacht waarin het ten laste gelegde zich heeft afgespeeld) verbleef de verdachte in de woning van [betrokkene 3] met wie hij een relatie was begonnen (verklaring verdachte p. 193, verklaring [betrokkene 3] p. 198);

b) [betrokkene 3] had juist haar relatie met [slachtoffer] beëindigd. In deze relatie was [betrokkene 3] veelvuldig mishandeld door [slachtoffer] en ook na het verbreken van de relatie viel [slachtoffer] [betrokkene 3] lastig. De verdachte was van een en ander op de hoogte (verklaring verdachte p. 161, verklaring [betrokkene 3] p. 198);

c) in de nacht van 26 op 27 september 2004 sliep de verdachte bij [betrokkene 3] in de slaapkamer op de eerste verdieping (verklaring verdachte p. 165);

d) de verdachte is wakker geworden van een klap op zijn hoofd en hoorde [betrokkene 3] zeggen: "Daar heb je hem". De verdachte begreep dat het [slachtoffer] was die de woning was binnengedrongen en hem op zijn gezicht had geslagen, waarna in de slaapkamer tussen beiden een gevecht is ontstaan, dat zich verplaatste naar de overloop (verklaring verdachte p. 165/166);

e) om een onduidelijke reden is [slachtoffer] van de trap af gevallen (verklaring verdachte p. 166);

f) de verdachte is de trap afgegaan en heeft [slachtoffer] die overeind probeerde te komen tegen het hoofd en het lichaam geslagen en geschopt, ook toen [slachtoffer] op de grond lag (verklaring verdachte bij de rechter-commissaris op 29 september 2004, verklaring verdachte p. 166: "Ik heb flink op hem in staan hengsten, omdat ik zeker wist dat hij mij niks kon doen", verklaring verdachte p. 187: "Toen heb ik geslagen en geschopt, maar dit was gewoon met de bedoeling dat hij bleef liggen, zodat hij niets meer kon doen tegen mij en [betrokkene 3]".) Hierbij heeft de verdachte ook nog aan [slachtoffer] gevraagd wat hij met de computer en de telefoon gedaan had (verklaring verdachte p. 166).

g) op enig moment is de verdachte opgehouden met slaan en schoppen en na enige tijd heeft hij [slachtoffer] naar buiten gesleept en op een grasveldje voor de woning van [betrokkene 3] neergelegd (verklaring verdachte p. 167);

h) naar aanleiding van een melding door een buurtbewoner is een ambulance ter plaatse gekomen, waarna het ambulancepersoneel vaststelde dat [slachtoffer] was overleden (proces-verbaal van bevindingen p. 108).

Het hof onderscheidt in de hierboven geschetste feitelijke gang van zaken twee fasen, waarbij de eerste fase heeft bestaan uit het gevecht tussen de verdachte en [slachtoffer] in de slaapkamer en op de overloop en de tweede fase heeft behelst hetgeen zich heeft afgespeeld toen [slachtoffer] onder aan de trap lag.

Het hof is van oordeel dat de verdachte ten tijde van de eerste fase zich op grond van het gestelde onder d) in een noodweersituatie kan hebben bevonden. Er was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer], waartegen de verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. De verdachte is hierbij naar het oordeel van het hof niet verder gegaan dan geboden was.

Nu echter het letsel dat tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid - zoals het hof hiervoor heeft overwogen - door de verdachte niet in deze fase is toegebracht, disculpeert dit de verdachte niet ten aanzien van de door het hof bewezen verklaarde doodslag.

Met betrekking tot de tweede fase heeft de verdachte ter zitting van de rechtbank verklaard dat [slachtoffer] onder aan de trap steeds op hem af bleef komen, maar het hof acht dat niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft deze stelling eerst ter zitting van de rechtbank ingenomen. Daarvóór heeft hij bij de politie verklaard dat [slachtoffer] overeind wilde komen en dat hij (verdachte) het verhaal toen efkes af moest maken (p. 177), dat [slachtoffer] probeerde op te staan, toen gebukt stond, bezig was op te staan en toen al vrij rechtstond en dat hij (verdachte) toen hij beneden kwam gelijk weer volop aan de gang is gegaan (p. 187). Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte op 29 september 2004 verklaard dat hij [slachtoffer] ook heeft geschopt en geslagen toen hij op de grond lag, omdat hij wilde dat [slachtoffer] op de grond bleef liggen en niet op zou staan.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het slaan en schoppen van [slachtoffer] door de verdachte in de tweede fase, tengevolge waarvan [slachtoffer] de dood heeft gevonden, was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een direct dreigend gevaar daarvoor. Nu verdachte zich toen derhalve niet in een noodweersituatie bevond, kan er in die zin geen sprake zijn van noodweerexces. Het hof verwerpt in zoverre het verweer.

Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan evenwel ook sprake zijn indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedragingen de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, maar deze gedragingen het onmiddellijke gevolg zijn van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de voorafgaande, reeds beëindigde, aanranding. Het hof begrijpt dat de raadsman hierop ziet met het beroep op extensief noodweerexces.

In dit kader heeft de verdachte aangevoerd dat hij ten tijde van het slaan en schoppen van [slachtoffer] toen deze onder aan de trap lag, ten prooi was aan angst en woede. De angst kwam volgens de verdachte voort uit de oorspronkelijke aanranding door [slachtoffer] (de hiervoor bedoelde eerste fase). De daarbij ontstane angst duurde nog voort op het moment dat [slachtoffer] van de trap was gevallen en onder aan de trap op de grond lag.

Naar het oordeel van het hof getuigen de gedragingen van de verdachte en zijn beweegredenen daarvoor, zoals weergegeven onder f), veeleer van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid bij de verdachte dan van hevige angst. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachtes handelen het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanig hevige angst, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. In zoverre verwerpt het hof dan ook het verweer.

Voor zover de verdachte heeft willen betogen dat woede hem tot zijn handelen onder aan de trap heeft gebracht, acht het hof het invoelbaar dat die emotie bij de verdachte is ontstaan als gevolg van [slachtoffer]s onverhoedse aanval op de slapende verdachte. Ook is niet onaannemelijk dat die woede werd gevoed door de wetenschap bij de verdachte dat [slachtoffer] zich eerder ook al gewelddadig had getoond in de richting van [betrokkene 3] en haar na het verbreken van de relatie was blijven lastig vallen. Het hof acht evenwel - gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen aangaande de zekere rationaliteit en doelgerichtheid van verdachtes handelen - niet aannemelijk geworden dat verdachtes handelen het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanig hevige woede, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Ook in zoverre verwerpt het hof dan ook het verweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde."

3.3. Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweerexces geldt wat betreft het door de rechter in te stellen onderzoek het volgende. Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Voorts volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 13 juni 2006, LJN AW3569, NJ 2006, 343).

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een "dergelijk onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 8 april 2008, LJN BC4459).

3.4.1. Voor zover in het eerste middel wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat onder 'goed' als bedoeld in art. 41 Sr het huisrecht niet kan worden begrepen, faalt het, omdat dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 14 april 1998, NJ 1998, 662).

3.4.2. Zowel in het eerste als in het derde middel wordt tegen de overwegingen van het Hof ingebracht dat in weerwil van hetgeen uitdrukkelijk is aangevoerd, geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het slachtoffer met schending van het huisrecht in de nachtelijke uren een woning is binnengedrongen. Blijkens de hiervoor onder 3.2.4 weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat het slachtoffer in de woning waarin de verdachte verbleef, is binnengedrongen. Van die feitelijke vaststelling is het Hof uitgegaan bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces. Het Hof verwijst ook expliciet naar die omstandigheid, waar wordt overwogen dat de verdachte zich in de eerste fase van de confrontatie in een noodweersituatie kan hebben bevonden en toen niet de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Voor zover de middelen hieraan voorbij zien, missen zij feitelijke grondslag. Hetgeen op dit punt door de verdediging is aangevoerd, noopte het Hof evenmin tot een nadere motivering. In zoverre falen deze middelen.

3.4.3. Het derde middel behelst voorts de klacht dat onbegrijpelijk is de overweging van het Hof dat handelen vanuit een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging niet aannemelijk is geworden, omdat het handelen van de verdachte veeleer getuigt van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid. Blijkens de hiervoor onder 3.2.4 weergegeven overwegingen heeft het Hof onderzocht of ten tijde van de confrontatie onderaan de trap (de tweede fase) sprake was van een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft daarbij niet miskend dat aan een geslaagd beroep op noodweerexces niet in de weg behoeft te staan dat ook andere factoren dan de wederrechtelijke aanranding hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft echter niet aannemelijk geacht dat het handelen van de verdachte in de tweede fase het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanige hevige angst of woede, veroorzaakt door de eerdere aanranding, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41, tweede lid, Sr. Het Hof heeft een zekere rationaliteit en doelgerichtheid - waarmee het Hof kennelijk het oog erop had dat de verdachte met een bepaalde mate van berekening het slachtoffer (definitief) wilde uitschakelen - en dus niet een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging doorslaggevend geacht in het handelen van de verdachte. Het Hof is mede op grond van door de verdachte afgelegde verklaringen tot dat oordeel gekomen. Het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel van het Hof is, gelet op de door het Hof vastgestelde feiten, niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Het derde middel faalt ook in zoverre.

3.4.4. Het vierde middel behelst de klacht dat het Hof bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces voorbij is gegaan aan het onderdeel van het verweer dat ook rekening moest worden gehouden met de persoonlijkheid van de verdachte.

Het Hof is echter blijkens de hiervoor onder 3.2.4 weergegeven overwegingen uitvoerig ingegaan op het door de verdediging gedane beroep op noodweerexces. Hetgeen door de verdediging in dit verband is aangevoerd met betrekking tot de persoonlijkheid van de verdachte, noopte het Hof niet tot een nadere motivering, zodat het middel faalt.

3.4.5. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 mei 2008.