Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC6726

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
00093/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6726
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzoek horen getuigen. In het tussenarrest van het Hof zijn de ttz. verzochte getuigen afgewezen nu het Hof het horen van die getuigen redelijkerwijs niet noodzakelijk heeft geacht. Het onderzoek in nadien opnieuw aangevangen. Ingevolge art. 322.4 Sv blijven beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ttz. uit hoofde van art. 287 Sv of art. 288 Sv in stand. Het tussenarrrest bevat geen beslissing als zodanig. Het voorgaande brengt mee dat verdachte niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep vzv. dit is gericht tegen het tussenarrest omdat de bestreden uitspraak niet mede berust op dat tussenarrest (vgl. HR LJN AD2489).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 229
JOL 2008, 279
RvdW 2008, 430
NJB 2008, 981

Uitspraak

8 april 2008

Strafkamer

nr. 00093/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, van 10 mei 2006, nummer 21/001085-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 18 januari 2005 - de verdachte ter zake van "een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" en "een persoon aanwerven met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" en "opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voorvloeiend overwicht beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, waarvan 11 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het Hof in zijn tussenarrest van 8 maart 2006 van het verzoek van de verdediging tot het horen van een zevental getuigen.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2006 houdt onder meer het volgende in:

"De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb in eerste instantie ook een verzoek gedaan tot het horen van getuigen. Dat verzoek wil ik hier graag herhalen. Ik kan mij de opmerking van de advocaat-generaal dat het lastig zal zijn om de betrokkenen te traceren voorstellen. Wij zijn nu enige tijd verder hetgeen kan betekenen dat een onderzoek naar de verblijfplaats van de getuigen resultaat kan hebben. Degenen die nog niet zijn gehoord kunnen ook ontlastende verklaringen afleggen. Ook degenen die reeds voor de wijziging van de tenlastelegging zijn gehoord wens ik opnieuw te horen. Ik wens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen over de uitleveringskwestie.

Voor de inhoudelijke kant van de zaak verwijs ik naar mijn pleitnota van 29 april 2004 waarin ik de getuigen die ik wens te horen met name en met de redenen waarom zij dienen te worden gehoord heb aangegeven. Het betreft de volgende getuigen:

- [betrokkene 3];

- [betrokkene 4];

- [betrokkene 5];

- [betrokkene 6];

- [betrokkene 7].

Ik Iaat het aan uw oordeel over of de getuigen worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen of dat het via een rogatoire commissie gaat. Ik heb daarbij geen voorkeur."

3.2.2. Het tussenarrest van het Hof van 8 maart 2006 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 februari 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Ter terechtzitting is door de verdediging verzocht de volgende getuigen te horen:

- [betrokkene 1];

- [betrokkene 2];

- [betrokkene 3];

- [betrokkene 6];

- [betrokkene 5];

- [betrokkene 7];

- [betrokkene 4].

Hot hof is omtrent voormeld verzoek van oordeel dat, gelet op hetgeen door de verdediging ter terechtzitting van 22 februari 2006 is aangevoerd, op de brief van de raadsman van 30 september 2003 en op de pleitnotities van de raadsman van 29 april 2004, het horen van de getuigen redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten en het verzoek derhalve dient te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

wijst af het verzoek tot het horen van de door de raadsman verzochte getuigen;

heropent het onderzoek;

bepaalt, dat het onderzoek zal worden hervat ter

terechtzitting van 26 april 2006 te 10.30 uur."

3.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2006 houdt onder meer het volgende in:

"In verband met de gewijzigde samenstelling van het hof wordt het onderzoek opnieuw aangevangen."

3.2.4. Het bestreden arrest houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het Hof van 26 april 2006 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

3.3. Art. 322, vierde lid, Sv luidt als volgt:

"Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of

artikel 288 in stand."

3.4. Het tussenarrest van het Hof van 8 maart 2006 bevat een beslissing op een verzoek van de raadsman van de verdachte tot het horen van de in het middel bedoelde getuigen, dat eerst op de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2006 is gedaan. Het tussenarrest bevat derhalve geen beslissing inzake het horen of de oproeping van getuigen ter terechtzitting uit hoofde van art. 287 of 288 Sv. Art. 322, vierde lid, Sv is in de onderhavige zaak dus niet van toepassing.

3.5. Het voorgaande brengt mee dat de verdachte niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van het Hof van 8 maart 2006, omdat de bestreden uitspraak niet mede berust op dat tussenarrest (vgl. HR 20 februari 1996, LJN AD2489, NJ 1996, 424). Het eerste middel moet daarom onbesproken blijven.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat, nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover dat is gericht tegen het tussenarrest van het Hof van 8 maart 2006;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 8 april 2008.