Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC6699

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
C06/278HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6699
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2006:AY5993, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Contractuele beperking van aanvulling op wettelijke minimumuitkering bij arbeidsongeschiktheid, in verband met buiten de werksfeer liggende gedragingen of activiteiten van de werknemer, zonder dat sprake is van opzet werknemer is niet in strijd met art. 7:629 BW; uitleg CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/112 met annotatie van Barentsen
JAR 2008/110 met annotatie van Dr. M.S.A. Vegter
AR-Updates.nl 2008-0168
NJ 2008, 567
JOL 2008, 196
RvdW 2008, 310
RAR 2008, 62
RAV 2008, 45
Prg. 2008, 109
JAR 2008, 110
NJB 2008, 755
Ondernemingsrecht 2008, 70
SR 2008, 42
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 39
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2012, p. 30
JWB 2008/130

Uitspraak

14 maart 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/278HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 10 maart 2004 [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem, sector kanton, locatie Tiel, en gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris ten bedrage van € 615,09 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente alsmede met buitengerechtelijke kosten met rente.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd te verklaren voor recht dat zij:

- (primair) bij arbeidsongeschiktheid van [eiser] ten gevolge van (zaal)voetbal, niet gehouden is het loon van [eiser] door te betalen;

- (subsidiair) bij arbeidsongeschiktheid van [eiser] ten gevolge van (zaal)voetbal, slechts gehouden is het loon te betalen ex art. 7.629 BW, exclusief aanvullingen hierop op grond van art. 12 dan wel 16 van de toepasselijke CAO;

- (meer subsidiair) bij arbeidsongeschiktheid van [eiser] ten gevolge van (zaal)voetbal, slechts gehouden is aan [eiser] te betalen het volledige nettoloon exclusief overuren op basis van art. 12 dan wel 16 van de toepasselijke CAO.

[Eiser] heeft de vorderingen in reconventie bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 30 maart 2005 in conventie [verweerster] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 569,53 bruto vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW ad 50% en met de wettelijke rente vanaf 1 april 2003. Het meer of anders in conventie gevorderde alsmede de vorderingen in reconventie heeft de kantonrechter afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 27 juni 2006 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] in conventie afgewezen, en in reconventie voor recht verklaard dat [verweerster], bij arbeidsongeschiktheid van [eiser] ten gevolge van (zaal)voetbal, slechts gehouden is aan [eiser] het loon te betalen ex art. 7:629 BW, exclusief aanvullingen hierop op grond van art. 12 dan wel 16 van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen. Het hof heeft voorts [eiser] veroordeeld in de kosten van beide instanties en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie.

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verweerster] mede door mr. J.N. Stamhuis, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is sinds 7 maart 1995 als chauffeur in dienst bij [verweerster].

(ii) Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de CAO) van toepassing. Art. 12 van de CAO, zoals die tot en met 31 maart 2003 heeft gegolden, bepaalde, voor zover in cassatie van belang:

"Algemeen

Het bepaalde onder A in dit artikel is een aanvulling op de wettelijke loondoorbetalingsverplichting krachtens artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek.

A. Loon bij arbeidsongeschiktheid

1. a. Tenzij schriftelijk gunstiger voorwaarden overeengekomen zijn, is, wanneer de werknemer ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd is zijn arbeid te verrichten behalve indien de arbeidsongeschiktheid door zijn schuld of toedoen veroorzaakt is (...) de werkgever verplicht om over de dagen waarop de werknemer ten gevolge van arbeidsongeschiktheid (waaronder te verstaan ziekte en ongeval) verhinderd is zijn arbeid te verrichten, het nettoloon te betalen.

(...)

e. In geval van arbeidsongeschiktheid wordt onder loon in de zin van dit artikel verstaan het nettoloon, vastgesteld op basis van het functieloon verhoogd met het bedrag dat de betrokken werknemer gemiddeld gedurende de periode van 52 weken voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid heeft genoten aan overuren (met een maximum van 15 overuren per week) (...).

Het bovenstaande wil zeggen, dat de werknemer een uitkering zal worden toegekend tot het hierboven omschreven nettoloon (maximaal dagloon ZW).

(...)."

Deze en andere bepalingen van de CAO zijn bij besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 maart 2001, Bijvoegsel Stcrt. 2001, 51, voor de periode van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2003 algemeen verbindend verklaard.

Art. 12 van de CAO komt inhoudelijk overeen met art. 16 van de CAO, zoals die vanaf 1 april 2003 tot en met 31 maart 2004 gold.

(iii) [Eiser] is regelmatig gedurende langere perioden arbeidsongeschikt geweest, als gevolg van blessures die hij tijdens het (zaal)voetballen had opgelopen. In de periode van juni 2000 tot en met augustus 2004 is dat gedurende omstreeks 24 maanden het geval geweest. Tijdens het grootste deel van de perioden waarin hij arbeidsongeschikt was, is [eiser] op arbeidstherapeutische basis werkzaam geweest.

(iv) [Verweerster] heeft [eiser] een aantal malen duidelijk gemaakt dat zij wenste dat hij zou stoppen met (zaal)voetballen, onder meer bij brieven van 17 juni 2002 en 21 januari 2003. In eerstgenoemde brief heeft [verweerster] [eiser] te kennen gegeven dat zij overwoog, indien [eiser] opnieuw langdurig arbeidsongeschikt zou raken ten gevolge van een sportblessure, het ziekengeld niet aan te vullen.

(v) Nadat [eiser] op 25 februari 2003 weer arbeidsongeschikt was geraakt als gevolg van een bij het voetballen opgelopen knieblessure, heeft [verweerster] hem op 26 februari 2003 schriftelijk medegedeeld hem gedurende zijn arbeidsongeschiktheid geen salaris te zullen betalen, omdat de arbeidsongeschiktheid door schuld of toedoen van [eiser] was veroorzaakt. Uiteindelijk heeft [verweerster] aan [eiser] over de periode van 25 februari 2003 tot en met 23 maart 2003 wel het basisloon en het vakantiegeld daarover betaald.

(vi) Vanaf 24 maart 2003 was [eiser] op arbeidstherapeutische basis werkzaam en heeft [verweerster] hem het basisloon, vermeerderd met het loon over het in art. 12 van de CAO bedoelde gemiddeld aantal overuren, betaald.

(vii) Sinds januari 2005 is [eiser] volledig arbeidsgeschikt. Sedert zijn laatste arbeidsongeschiktheid voetbalt hij niet meer.

3.2.1 [Eiser] vordert in dit geding, kort gezegd, het onbetaald gebleven gedeelte van zijn volledige netto-loon, vermeerderd met de vergoeding over het gemiddeld aantal overuren dat hij in de voorafgaande 52 maanden betaald heeft gekregen, een en ander overeenkomstig de CAO-bepalingen, bedoeld hiervoor in 3.1 onder (ii).

De hiervoor onder 1 weergegeven reconventionele vordering baseert [verweerster], voor zover in cassatie van belang, op haar stelling dat [eiser] zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt in de zin van art. 7:629 lid 3 BW, althans dat zijn arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door zijn schuld of toedoen in de zin van de eerderbedoelde bepalingen van de CAO.

3.2.2 De kantonrechter heeft de vordering van [eiser] (grotendeels) toegewezen en die van [verweerster] afgewezen. Het hof heeft dat vonnis, zowel in conventie als in reconventie, vernietigd, de vordering van [eiser] afgewezen en die van [verweerster] in zoverre toegewezen dat het voor recht heeft verklaard dat [verweerster], bij arbeidsongeschiktheid van [eiser] ten gevolge van (zaal)voetbal, slechts gehouden is hem loon te betalen op de voet van art. 7:629 BW, exclusief de aanvullingen als bedoeld in art. 12 dan wel 16 van de CAO. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, de volgende uitgangspunten gehanteerd. Met art. 12 A lid 1, onder a en e, van de CAO is ten gunste van [eiser] als werknemer afgeweken van het bepaalde in art. 7:629 BW, zoals lid 9 toestaat, door opneming van een aanvulling op de in lid 1 neergelegde wettelijke verplichting tot loondoorbetaling. Een dergelijke aanvulling mogen CAO-partijen afhankelijk stellen van voorwaarden en zij mogen ook overeenkomen dat de werknemer in bepaalde gevallen daarop geen aanspraak heeft. De uitsluitingsgrond van art. 12 A lid 1, onder a, mag afwijken van die van art. 7:629 lid 3, onder a. (rov. 5.11). Voorts, dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de langdurige arbeidsongeschiktheid van [eiser], bedoeld hiervoor in 3.1 onder (iii), is veroorzaakt door (zaal)voetbal. Vervolgens heeft het hof onderzocht of de arbeidsongeschiktheid van [eiser] in de periode waarover hij suppletie vordert, is veroorzaakt door zijn opzet - welke vraag het ontkennend heeft beantwoord, zodat de door [verweerster] primair in reconventie gevorderde verklaring voor recht niet voor toewijzing in aanmerking kwam (rov. 5.16-5.17) - dan wel door zijn schuld of toedoen in de zin van art. 12 CAO. Dit laatste is naar het oordeel van het hof wel het geval geweest. Het overwoog daartoe dat voor 'schuld of toedoen' in de zin van de CAO vereist is dat [eiser] een (rechtens) relevant verwijt van het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid kan worden gemaakt en dat daarbij van belang is dat [eiser] redelijkerwijs heeft moeten voorzien dat zijn sportbeoefening tot arbeidsongeschiktheid zou kunnen leiden en heeft nagelaten maatregelen te treffen die dat zouden kunnen voorkomen, hoewel dat in zijn vermogen lag. Het hof heeft voorts in zijn overwegingen betrokken dat zaalvoetbal (een van) de meest risicovolle sport(en) is wat betreft de kans op blessures, dat gesteld noch gebleken is dat de herhaalde en langdurige arbeidsongeschiktheid van [eiser] een andere oorzaak dan (zaal)voetbal heeft gehad, dat [eiser], die vaker dan de gemiddelde sporter met blessures door zaalvoetballen is geconfronteerd, wist dat die sport in zijn geval kennelijk een groter dan normaal risico op arbeidsuitval meebracht en dat [verweerster] [eiser] herhaalde malen, tevergeefs, heeft verzocht zijn keuze voor (zaal)voetbal te heroverwegen en hem heeft gewezen op de nadelige financiële consequenties die een nieuwe arbeidsongeschiktheid ten gevolge van (zaal)voetbal zou kunnen hebben. (rov. 5.18-5.26).

3.3 Het eerste middel richt zich tegen rov. 5.11 en betoogt dat het hof ten onrechte voor uitsluiting van de suppletie van art. 12 A CAO een andere maatstaf van toepassing acht dan enkel opzet, als neergelegd in art. 7:629 lid 3, onder a. Deze klacht faalt. Dat laatstgenoemde wetsbepaling de werknemer het recht op doorbetaling van het in art. 7:629 lid 1 bedoelde gedeelte van zijn loon bij arbeidsongeschiktheid ontzegt ingeval de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt, belet niet dat werkgever en werknemer, dan wel CAO-partijen, het verlies van het recht op een bovenwettelijke, contractuele suppletie op de wettelijk gewaarborgde minimumuitkering verbinden aan ook andere gedragingen van de werknemer dan die als opzet op het ontstaan van de ziekte zijn aan te merken. Dat de in de CAO overeengekomen grond voor het vervallen van de aanspraak op suppletie in strijd komt met enig rechtsbeginsel dat in arbeidsverhoudingen in acht behoort te worden genomen, valt niet in te zien en is door [eiser] ook niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Voor zover het middel betoogt dat een andere dan de daarin verdedigde opvatting in strijd komt met het maatschappelijk aanvaarde en in het recht verankerde beginsel van het 'risque social' - het bestaan van een dergelijke rechtsbeginsel daargelaten - miskent het dat de omstandigheid dat art. 7:629 zich niet beperkt tot de risico's van beroepsziekten en -ongevallen niet eraan in de weg staat dat, zoals hier geschied is, de aanspraak op een bovenwettelijke aanvulling contractueel aldus wordt beperkt dat arbeidsongeschiktheid, veroorzaakt door buiten de werksfeer liggende gedragingen of activiteiten van de werknemer, die aanspraak doet vervallen.

3.4 Het tweede middel bestrijdt 's hofs oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] door zijn eigen schuld of toedoen is veroorzaakt. Het betoogt in de eerste plaats dat het hof niet heeft vastgesteld dat het [eiser] om medische redenen was ontraden of verboden om te voetballen en verbindt daaraan kennelijk de klacht dat het [eiser] daarom vrijstond de wens van [verweerster] naast zich neer te leggen zonder dat daaraan de gevolgtrekking mag worden verbonden dat van schuld of toedoen in meerbedoelde zin sprake is. Voorts klaagt het middel dat het hof het begrippenpaar 'schuld of toedoen' te licht heeft ingevuld omdat het een zekere mate van opzettelijk handelen vereist.

Ook dit middel mist doel. Het hof heeft het algemeen verbindend verklaarde art. 12 A lid 1, onder a, van de CAO aldus uitgelegd dat het begrippenpaar 'schuld of toedoen' niet dient te worden gelijkgesteld met opzet, maar inhoudt dat de werknemer een (rechtens) relevant verwijt moet kunnen worden gemaakt.

Voor de wijze waarop CAO-bepalingen dienen te worden uitgelegd geldt als uitgangspunt dat de bewoordingen van de CAO-bepalingen en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting daarbij kenbaar zijn, maar op de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (HR 11 april 2003, nr. C01/248, NJ 2003, 430). Mede gelet op het gebruik elders in de CAO van de term 'opzet' - zoals in art. 5 lid 4, onder b, en 19 A, onder a - en de gangbare betekenis van de woorden 'schuld' en 'toedoen', is 's hofs uitleg juist. Het oordeel van het hof dat de keuze van [eiser] om met (zaal)voetbal door te gaan, hoewel hij wist dat deze sport in zijn geval een groter risico dan normaal op arbeidsuitval meebracht, en deze arbeidsuitval ook al bij herhaling daardoor had plaatsgevonden, en in weerwil van de herhaalde verzoeken van [verweerster] aan hem met (zaal)voetbal te stoppen, meebrengt dat de opnieuw als gevolg van sportblessures opgetreden arbeidsongeschiktheid aan zijn schuld of toedoen te wijten is geweest, is onjuist noch onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat het [eiser] niet om medische redenen ontraden of verboden was te voetballen, noch dat het voetballen de arbeidssatisfactie van [eiser] bevorderde, zoals het middel betoogt, overigens zonder te vermelden waar [eiser] in feitelijke instanties zodanige stellingen heeft betrokken.

3.5 Het derde middel, gericht tegen rov. 5.27 en 5.28, behelst geen zelfstandige klachten, zodat dit het lot van de voorgaande middelen moet delen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 maart 2008.