Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC6641

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
C06/264HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6641
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet in verband met ernstig werkverzuim; dringende reden; schadeplichtigheid (art. 7:677 lid 3 BW); opzet of schuld werknemer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/109
AR-Updates.nl 2008-0165
JOL 2008, 195
RvdW 2008, 318
Prg. 2008, 67
JAR 2008, 109
NJB 2008, 754
JWB 2008/128

Uitspraak

14 maart 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/264HR

MK/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel,

t e g e n

TORNADO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Tornado.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 24 januari 2003 Tornado gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton, en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat het ontslag op staande voet per 1 juli 2002 nietig is en Tornado te veroordelen tot betaling van achterstallig loon over de periode 1 juni 2002 tot en met januari 2003, met de wettelijke verhoging, alsmede tot betaling van het overeengekomen salaris vanaf januari 2003 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, een en ander met rente en kosten.

Tornado heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen om aan Tornado een schadeloosstelling van € 1.568,58 te betalen, met kosten.

De kantonrechter heeft, na tussenvonnissen van 22 april 2003 en 26 augustus 2003, bij eindvonnis van 15 juni 2004 in conventie de vordering afgewezen en in reconventie [eiser] veroordeeld om aan Tornado te betalen een bedrag van € 1.568,58.

Tegen dit eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 8 juni 2006 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Tornado is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 4 januari 2008 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is met ingang van 3 mei 1999 bij Stichting Tornado (hierna: de Stichting), de rechtsvoorgangster van Tornado, in dienst getreden. Zijn bruto maandloon bedroeg laatstelijk € 1.568,58.

(ii) Per 1 januari 2002 zijn de activiteiten van de Stichting overgegaan op Tornado. Op grond van art. 7:662 e.v. BW zijn daarmee alle rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst van rechtswege overgegaan van de Stichting op Tornado. [Eiser] is hiervan per brief van 17 december 2001 op de hoogte gesteld.

(iii) [eiser] heeft zich in verband met een bedrijfsongeval op 6 juni 2002 bij Tornado ziek gemeld.

(iv) Op 27 juni 2002 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser], zijn broer, en [eiser]'s leidinggevende bij Tornado, [betrokkene 1]. [Eiser] en [betrokkene 1] zijn bij die gelegenheid overeengekomen dat [eiser] zijn werkzaamheden op vrijdag 28 juni 2002 zou hervatten. [Eiser] heeft op (een gedeelte van) die vrijdag gewerkt.

(v) [Eiser] is op zaterdag 29 juni 2002 voor vakantie naar Marokko afgereisd. Nadat [eiser] op maandag 1 juli 2002 niet op zijn werk was verschenen, heeft Tornado hem bij brief van diezelfde datum op staande voet ontslagen. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Heden maandag 1 juli 2002 was u niet aanwezig op het werk. Bij navraag (...) hebben wij vernomen dat u op vakantie bent gegaan naar Marokko. Dit zonder de vereiste toestemming van Tornado B.V. als uw werkgever.

U hebt na een ziekteverlof van 4 weken, op vrijdag 28 juni j.l. uw werkzaamheden weer hervat zoals was afgesproken op donderdag 27 juni j.l. toen u op kantoor verscheen in gezelschap van uw broer (...).

Van uw voornemen om op vakantie te gaan heeft u toen geen blijk gegeven. U heeft die middag zelfs een afspraak gemaakt met [betrokkene 1] om op maandag 1 juli om 15:30 uur na uw werkzaamheden, op kantoor nog een aantal zaken door te nemen (...).

U hebt door uw handelen zowel uw werkgever als uw collega's voor het blok geplaatst. U hebt in strijd gehandeld met zowel uw contractuele verplichting zoals beschreven onder artikel 6 van de arbeidsovereenkomst, als de normale omgangsvormen.

Wij hebben dan ook besloten om u per direct maandag 1 juli 2002 op staande voet te ontslaan (...)."

(vi) [Eiser] heeft bij brief van 9 september 2002 van zijn gemachtigde aan de Stichting de nietigheid/vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen.

3.2 De kantonrechter heeft geoordeeld dat [eiser], door op 1 juli 2002 niet op zijn werk te verschijnen, zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig werkverzuim en dat hij Tornado aldus een dringende ontslagreden heeft gegeven, waarvan Tornado met recht gebruik heeft gemaakt. Daardoor is de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2002 rechtsgeldig beëindigd. Op deze grond heeft de kantonrechter de hiervoor in 1 weergegeven vorderingen van [eiser] in conventie afgewezen en die van Tornado in reconventie toegewezen.

Het hof heeft de bestreden vonnissen bekrachtigd.

3.3.1 Volgens onderdeel 1 heeft het hof bij zijn oordeel dat de in reconventie door Tornado gevorderde schadeloosstelling toewijsbaar is, miskend dat daarvoor ingevolge art. 7:677 lid 3 BW vereist is dat [eiser] "door opzet of schuld" aan Tornado een dringende reden heeft gegeven. Mocht het hof dat niet hebben miskend, dan heeft het hof zijn (in dat geval impliciete) oordeel dat van opzet of schuld sprake was, onvoldoende gemotiveerd, nu de enkele vaststelling door het hof dat sprake was van een dringende reden onvoldoende is voor het oordeel dat de werknemer daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

3.3.2 Het onderdeel faalt. Het hof mocht ter motivering van zijn beslissing dat [eiser] op grond van art. 7:677 lid 3 jegens Tornado schadeplichtig is, volstaan met zijn oordeel dat aan het ontslag op staande voet een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. [Eiser] heeft immers het oordeel van de kantonrechter dat hij jegens Tornado schadeplichtig is (door middel van zijn vijfde grief) uitsluitend bestreden op de grond dat hij ten onrechte op staande voet was ontslagen, en niet (mede) op de grond dat bij hem geen sprake was van opzet of schuld. Nu voor de beoordeling van laatstbedoeld verweer een onderzoek van feitelijke aard nodig is, kan [eiser] dit punt niet voor het eerst in cassatie aan de orde stellen.

3.4.1 Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof dat [eiser] op 1 juli 2002 ongeoorloofd afwezig was zodat aan het aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet een dringende reden ten grondslag heeft gelegen.

Het onderdeel klaagt primair dat het hof voor de beoordeling van de vraag of [eiser]'s verzuim op 1 juli 2002 ongeoorloofd was, klaarblijkelijk beslissend heeft geacht dat Tornado wegens het ontbreken van een (hernieuwde) ziekmelding op die datum redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat [eiser] arbeidsgeschikt was. Volgens de klacht geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat niet dit laatste beslissend is maar of [eiser] op genoemde datum daadwerkelijk arbeidsongeschikt was, hetgeen het hof in rov. 4.11 heeft verzuimd te onderzoeken. Subsidiair klaagt het onderdeel dat, indien het hof dit niet zou hebben miskend, zijn oordeel dat [eiser] op genoemde datum daadwerkelijk arbeidsongeschikt was, onvoldoende gemotiveerd is. Ten slotte klaagt het onderdeel meer subsidiair dat, indien rov. 4.11 aldus moet worden begrepen dat de ongeoorloofdheid van de handelwijze van [eiser] op 1 juli 2002 daarin is gelegen dat hij zich niet voorafgaand aan of uiterlijk op die dag heeft ziek gemeld en dat daarin een geldige dringende reden voor het ontslag op staande voet zou zijn gelegen, die beslissing eveneens in verschillende opzichten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

3.4.2 Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld. In rov. 4.10 en 4.11 heeft het hof enkele overwegingen gewijd aan de stelling van [eiser] dat hij zich op 27 juni 2002 niet hersteld had gemeld en dat hij op 1 juli 2002 nog steeds arbeidsongeschikt was. Volgens het hof moet het gesprek van 27 juni 2002 echter wel als een hersteldmelding aangemerkt worden, en kon [eiser] dan ook op 1 juli 2002 niet zonder nadere kennisgeving van de gestelde (hernieuwde) ziekte van zijn werk wegblijven. In rov. 4.12 en 4.13 heeft het hof - in cassatie niet bestreden - de stelling van [eiser] verworpen dat hij van Tornado toestemming had gekregen om in juli 2002 op vakantie te gaan. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.14, voor zover hier van belang, overwogen:

"Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] op 1 juli 2002 ongeoorloofd afwezig was, zodat aan het aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Deze dringende reden is ook voldoende duidelijk verwoord in de ontslagbrief van 1 juli 2002."

De door het hof genoemde ontslagbrief vermeldt als dringende reden voor het ontslag op staande voet - uitsluitend - dat [eiser] op 1 juli 2002 van zijn werk is weggebleven omdat hij zonder toestemming van Tornado op vakantie is gegaan (zie hiervoor in 3.1 onder (v)). In het licht van deze in de ontslagbrief genoemde dringende reden, waarnaar het hof in dit verband uitdrukkelijk verwijst, is zijn oordeel in rov. 4.14 dat [eiser] op 1 juli 2002 ongeoorloofd afwezig was zodat aan het ontslag op staande voet een dringende reden ten grondslag heeft gelegen, kennelijk uitsluitend gegrond op de in die brief vermelde omstandigheid dat [eiser] ongeoorloofd van zijn werk is weggebleven omdat hij zonder toestemming van Tornado op vakantie is gegaan. Hetgeen het hof in rov. 4.10 en 4.11 heeft overwogen omtrent het achterwege blijven van een (hernieuwde) ziekmelding door [eiser], is dan ook niet dragend voor zijn oordeel in rov. 4.12 - 4.14 omtrent de door Tornado aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden.

3.4.3 Uit het zojuist overwogene vloeit voort dat de klachten van onderdeel 2 uitgaan van een onjuiste lezing van het arrest. De klachten kunnen dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.5.1 Onderdeel 3, dat de in conventie gegeven rov. 4.3 - 4.4 bestrijdt, kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Nu blijkens het hiervoor in 3.4.1 - 3.4.3 overwogene onderdeel 2 geen doel treft, blijft het - in reconventie gegeven - oordeel van het hof in stand dat [eiser] door Tornado terecht wegens een dringende reden op staande voet is ontslagen omdat hij zonder toestemming van zijn werkgever op vakantie is gegaan en daardoor ongeoorloofd van zijn werk afwezig was. Dit brengt mee dat, ook indien het verder strekkende verweer van Tornado dat de vernietigingsgrond door [eiser] te laat is ingeroepen, gepasseerd zou moeten worden, zojuist vermeld oordeel van het hof in de weg staat aan toewijzing van de vorderingen van [eiser] in conventie.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Tornado begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst, als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 maart 2008.