Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC6254

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
03143/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6254
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Blijkens de strafmotivering heeft het Hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat uit de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten blijkt dat de door hem gepleegde strafbare feiten in licht verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Niet zonder meer begrijpelijk is dat volgens het Hof uit (de conclusies van) de rapporten zou blijken dat de feiten verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend, in aanmerking genomen dat de deskundigen van oordeel waren dat er sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 183
RvdW 2008, 332

Uitspraak

11 maart 2008

Strafkamer

nr. 03143/06

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 maart 2006, nummer 20/006114-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 juli 2004 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 4 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" en 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 3. "belaging" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van twee benadeelde partijen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging en terugwijzing van de zaak naar het Hof, dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde, het vierde, het vijfde en het zesde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het zevende middel

4.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof in de strafmotivering conclusies van de gedragsdeskundigen onjuist heeft weergegeven.

4.2.1. Ter motivering van de opgelegde straf heeft het Hof het volgende overwogen:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de angst die verdachte heeft teweeggebracht bij het slachtoffer [slachtoffer 1] als gevolg van het sub 1 en 2 bewezen verklaarde;

- de ernstige inbreuk die de verdachte gedurende lange tijd heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Bij de strafoplegging heeft het hof eveneens rekening gehouden met de omstandigheid dat uit de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten blijkt dat de door hem gepleegde strafbare feiten in licht verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend, welke conclusies door de verdachte niet zijn weersproken."

4.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

"De voorzitter houdt voor de korte inhoud van:

- een voorlichtingsrapport betreffende verdachte van de Reclassering Nederland, unit Roermond, d.d. 13 juli 2004;

- een rapport van drs. C. Clarijs, psycholoog, d.d. 26 juni 2004 omtrent de persoonlijkheid van verdachte;

- een rapport van E.C. van IJken, psychiater, d.d. 7 juli 2004 omtrent de persoonlijkheid van verdachte."

4.2.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich een rapport van de deskundige Clarijs, klinisch psycholoog, van 26 juni 2004 en een rapport van de deskundige Van IJken, psychiater, van 7 juli 2004. Het rapport van de psycholoog houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

"Beantwoording van de vraagstelling:

1) Is betrokkene lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te beschrijven?

Bij betrokkene is vermoedelijk sprake van de stoornis van Asperger (...)

2) Hoe was dit t.t.v. het ten laste gelegde?

T.t.v. het ten laste gelegde was dit onverminderd aanwezig.

3) Beïnvloedde de eventuele stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochte's gedragskeuzen c.q. zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde (zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden?).

indien het ten last gelegde bewezen wordt geacht: ja

4) Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

a. op welke wijze dat geschiedde, en

b. in welke mate dat geschiedde, en

c. welke conclusie m.b.t. de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is?

(...)

ad b) indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht kan gesteld worden dat een en ander in vrij ernstige mate geschiedde

ad c) gesproken kan worden van verminderde toerekeningsvatbaarheid."

Het rapport van de psychiater houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

"VII. BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING

1+2: Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde -indien bewezen- leed onderzochte aan hoogfunc-tionerend autisme, een stoornis binnen het Autisme Spectrum.

In het descriptieve classificatiesysteem DSM-IV:As I: 299.80 Stoornis van Asperger

As II: V71 .09 geen diagnose

3+4: Deze autistische stoornis heeft onderzochte's gedragskeuzes beïnvloed, zoals hierboven omschreven. Concluderend wordt gesteld dat verminderde toerekeningsvatbaarheid is te adviseren."

4.3. Blijkens de hiervoor onder 4.2.1 weergegeven strafmotivering heeft het Hof bij de strafoplegging "rekening gehouden met de omstandigheid dat uit de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten blijkt dat de door hem gepleegde strafbare feiten in licht verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend (...).

Niet zonder meer begrijpelijk is dat volgens het Hof uit (de conclusies van) de rapporten zou blijken dat de feiten de verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend, in aanmerking genomen dat de deskundigen, zoals hiervoor onder 4.2.3 weergegeven, van oordeel waren dat er sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het zevende middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspaak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 11 maart 2008.