Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC6006

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
07/10702
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR ambtshalve: duur proeftijd. Aangenomen moet worden dat art. 14b.2 Sr bij vergissing niet is aangepast aan de nieuwe nummering van art. 14c.2 Sr. Gelet hierop heeft het Hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren vastgesteld. De HR herstelt deze misslag (HR LJN BB3999).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 273
RvdW 2008, 437
NJB 2008, 987

Uitspraak

8 april 2008

Strafkamer

nr. 07/10702

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 september 2006, nummer 23/003635-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 15 juni 2005 - de verdachte ter zake van 1. onder A, B en C "belaging", 2. "bedreiging met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen en met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, meermalen gepleegd", 3. "smaadschrift terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd" en 4. "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar, ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en wat betreft de bijzondere voorwaarden als in het arrest omschreven met een proeftijd van drie jaren, met verbeurdverklaring en teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Een aanvulling op de schriftuur is eerst na afloop van de bij de wet gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen. De Hoge Raad kan op dit geschrift geen acht slaan.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de strafoplegging zal verbeteren, voor zover deze betreft de vaststelling van de proeftijd, en het beroep voor het overige zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. De verdachte heeft op 25 september 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 19 juli 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 vermeld en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

5.1. Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:

"Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging tevens kan worden gelast indien de veroordeelde niet naleeft de bijzondere voorwaarden:

- dat hij zich gedurende de proeftijd zal onthouden van elke vorm van contact (mondeling, fysiek, schriftelijk, telefonisch, via internet of anderszins) in persoon of indirect met het slachtoffer en familie en dat hij zich niet zal ophouden in de nabijheid van de woning of de verblijfplaats van het slachtoffer of zijn familieleden;

- dat hij binnen één maand na het onherroepelijk worden van dit arrest zijn website(s) en/of de websites van anderen, waarin hij mededelingen doet over [betrokkene 1], zal schonen of doen schonen en geschoond (doen) houden van uitlatingen gelijk aan of in de zin van die zoals hierboven bewezen zijn verklaard. Stelt voor wat betreft de bijzondere voorwaarden de proeftijd vast op 3 (drie) jaren."

5.2. Art. 14b, tweede lid, Sr luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid en tweede lid, onder 3° en 4°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren."

5.3.1. Tot de inwerkingtreding van de wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29 luidden het eerste en het tweede lid van art. 14c Sr als volgt:

"1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

1°. (...);

2°. (...);

3°. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;

4°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen."

5.3.2. Bij genoemde wet is - voor zover hier van belang - de storting van een geldsom in een fonds ten behoeve van slachtoffers van delicten als bijzondere voorwaarde opgenomen in art. 14c, tweede lid onder 4°, Sr met gelijktijdige vernummering van het toenmalige nummer 4° tot nummer 5°. Sedertdien luiden het eerste en het tweede lid van art. 14c Sr als volgt:

"1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

1°. (...);

2°. (...);

3°. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;

4°. storting van een door de rechter vast te stellen som gelds in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd.

5°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen."

5.4. De geschiedenis van de totstandkoming van meergenoemde wet bevat niets waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld wijziging te brengen in de toen bestaande regeling van de duur van de proeftijd. Daarom moet worden aangenomen dat art. 14b, tweede lid, Sr bij vergissing niet is aangepast aan de nieuwe nummering van art. 14c, tweede lid, Sr. Art. 14b, tweede lid, Sr moet dus - voor zover hier van belang - worden gelezen als volgt:

"De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid en tweede lid, onder 3° en 5°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren."

5.5. Gelet hierop heeft het Hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren vastgesteld. Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven, doch de Hoge Raad zal deze misslag herstellen (vgl. HR 30 oktober 2007, LJN BB3999, NJ 2008, 146).

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor zover het Hof een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld;

bepaalt dat de door het Hof opgelegde gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de door het Hof vastgestelde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de in de bestreden uitspraak omschreven bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 8 april 2008.