Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC5977

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
01094/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC5977
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

In zijn arrest van HR LJN AZ1702 heeft de HR een aantal vragen besproken die zijn gerezen n.a.v. de wet van 10-11-2004 tot wijziging van het WvSv en het WvSr en de Wet RO i.v.m. het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579). Deze vragen zagen o.m. op de wijzigingen in de regeling m.b.t. de wijze waarop de verdediging in h.b. getuigen en deskundigen kan opgeven en de voor de beoordeling van dergelijke verzoeken geldende maatstaven. De HR gaat i.c. nader in op de maatstaven voor de beoordeling van bij appelschriftuur (i.d.z.v. art. 410.1 Sv) opgegeven getuigen en deskundigen, meer in het bijzonder op de in art. 418.2 Sv voorziene weigeringsgrond. Uit de geschiedenis van eerdergenoemde wet blijkt dat de wetgever met de formulering van art. 418.2 Sv heeft willen aansluiten bij art. 410.3 Sv. Bij het schrappen van de woorden “daaraan voorafgaand” in art. 410.3 Sv bij de Wet stroomlijnen hoger beroep is kennelijk over het hoofd gezien dat ook art. 418.2 Sv in dat opzicht wijziging behoefde. De HR ziet daarin aanleiding om voor de toepassing van art. 418.2 Sv niet te eisen dat het verhoor van de R-C heeft plaatsgevonden vóór de 1e terechtzitting in 1e aanleg.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 288
Wetboek van Strafvordering 410
Wetboek van Strafvordering 418
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 203
NBSTRAF 2008/203
VA 2009/13 met annotatie van J. Silvis
JOL 2008, 344
NJ 2008, 313
RvdW 2008, 498
NJB 2008, 1085

Uitspraak

22 april 2008

Strafkamer

nr. 01094/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 6 oktober 2006, nummer 21/000903-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Westlinge" te Heerhugowaard.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem, van 22 februari 2006 - de verdachte ter zake van 1 primair "medeplegen van gijzeling", 2. "diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld

en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 3 primair "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Tevens heeft het Hof de benadeelde partijen in hun vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Aan de beoordeling van het eerste middel voorafgaande beschouwingen

3.1. In zijn arrest van 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626 heeft de Hoge Raad een aantal vragen besproken die zijn gerezen naar aanleiding van de wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579) (hierna: de Wet). Deze vragen zagen onder meer op de wijzigingen in de regeling met betrekking tot de wijze waarop de verdediging in hoger beroep getuigen en deskundigen kan opgeven en de voor de beoordeling van dergelijke verzoeken geldende maatstaven. De Hoge Raad gaat in het onderstaande nader in op de maatstaven voor de beoordeling van bij appelschriftuur (in de zin van art. 410, eerste lid, Sv) opgegeven getuigen en deskundigen, meer in het bijzonder op de in art. 418, tweede lid, Sv voorziene weigeringsgrond.

3.2. Art. 410, derde lid, Sv bepaalt dat de verdachte in zijn appelschriftuur kan opgeven welke getuigen en deskundigen hij ter terechtzitting wil doen oproepen. Een dergelijke opgave wordt aangemerkt als een opgave in de zin van art. 263, tweede lid, Sv. Art. 264 Sv is in art. 410, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat betekent dat de advocaat-generaal bij het hof oproeping van een getuige of deskundige kan weigeren indien hij, voor zover hier van belang, van oordeel is dat de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Deze maatstaf wordt ook wel aangeduid als het "verdedigingsbelang". Indien de getuige niet verschijnt en de verdachte zijn verzoek ter terechtzitting herhaalt, geldt voor het hof ingevolge art. 418, eerste lid, in verbinding met art. 288, eerste lid onder c, Sv dezelfde maatstaf.

3.3.1. Bij de Wet is een weigeringsgrond toegevoegd. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd voorgesteld aan art. 410, derde lid, Sv een zin toe te voegen, inhoudende dat de advocaat-generaal bij het hof, indien de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping voorts kan weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten. Voor het hof werd een soortgelijke weigeringsgrond voorgesteld in art. 418, tweede lid, Sv.

De memorie van toelichting bij de Wet houdt dienaangaande in:

"Dit wetsvoorstel stelt voor aan de weigeringsgronden die in artikel 264 Sv staan, in deze context een toe te voegen. Voorgesteld wordt om de advocaat-generaal, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, de bevoegdheid te geven oproeping te weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg of door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten. Het voorgestelde nieuwe artikel 418 Sv bevat een daarmee corresponderende bepaling voor het gerechtshof. Daarmee wordt het mogelijk gemaakt een zinloze herhaling van verhoren die in eerste aanleg reeds hebben plaatsgevonden, te voorkomen."

(Kamerstukken II 2003-2004, 29 254, nr. 3, p. 14)

3.3.2. Bij nota van wijziging is voorgesteld het voorstel van wet in die zin aan te passen dat in art. 410, derde lid, Sv en art. 418, tweede lid, Sv werd verduidelijkt dat het verhoor door de rechter-commissaris voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg moet hebben plaatsgevonden. De toelichting bij de nota van wijziging houdt op dit punt in:

"De tweede aanpassing hangt samen met de voorgestelde herformulering van artikel 418 Sv, en verduidelijkt dat de weigeringsgrond die gekoppeld is aan het eerder gehoord zijn van de getuige door de rechter-commissaris ziet op de gevallen waarin de getuige voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg door de rechter-commissaris is gehoord. In artikel 410 Sv, waar de appelschriftuur aan de orde is, spreekt dat overigens min of meer vanzelf; de wijziging is hoofdzakelijk ingegeven door de wens de terminologie op één lijn te houden met die van artikel 418 Sv.

(...)

Een aantal aanpassingen betreffen het voorgestelde artikel 418 Sv. (...) Ook de weigeringsgrond van het tweede lid komt in het wetsvoorstel voor. De formulering is daarbij nog wat meer in overeenstemming gebracht met de corresponderende weigeringsgrond van artikel 410, derde lid, Sv, doordat de eis dat de berechting in eerste aanleg op tegenspraak moet hebben plaatsgevonden er expliciet in is verwerkt. Voorts is, zo werd bij artikel 410 Sv reeds gemeld, in beide formuleringen verduidelijkt dat de weigeringsgrond alleen van toepassing kan zijn bij verhoren door de rechter-commissaris voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg. Bij artikel 418 Sv is deze verduidelijking van belang omdat de opgave van een getuige bij appelschriftuur er ook aanleiding toe kan geven deze getuige voorafgaand aan de behandeling van het appel door rechter- of raadsheer-commissaris te doen horen. Een beslissing inzake het horen van een dergelijke getuige ter terechtzitting in appel, dient evenwel met de maatstaf van artikel 288 Sv te worden genomen."

(Kamerstukken II 2003-2004, 29 254, nr. 9, p. 2-3)

3.3.3. Het op 1 januari 2005 in werking getreden art. 410, derde lid derde volzin, Sv luidt:

"De advocaat-generaal kan, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping voorts weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel, daaraan voorafgaand, door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten."

3.3.4. Het op 1 januari 2005 in werking getreden art. 418, tweede lid, Sv luidt:

"In het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, kan oproeping ook worden geweigerd indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel, daaraan voorafgaand, door de rechter-commissaris is gehoord en het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt."

3.3.5. Bij wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (hierna: Wet stroomlijnen hoger beroep) zijn de woorden "daaraan voorafgaand" in art. 410, derde lid, Sv geschrapt. De memorie van toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep houdt dienaangaande in:

"Artikel 410, derde lid, Sv regelt onder andere de voorwaarden waaronder het OM in hoger beroep kan weigeren om door de verdachte in de schriftuur opgegeven getuigen en deskundigen op te roepen. De derde volzin betreft de mogelijke weigering van getuigen en deskundigen die reeds ter terechtzitting in eerste aanleg of door de rechter-commissaris zijn gehoord en is afkomstig uit de Wet van 10 november 2004, Stb. 579. De schrapping van de woorden "daaraan voorafgaand" (voor "door de rechter-commissaris") maakt duidelijk dat deze mogelijkheid ook betrekking heeft op getuigen en deskundigen die na de eerste aanleg door de RC zijn gehoord (zie artikel 411a Sv)."

(Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 49)

3.4. Uit de geschiedenis van de Wet blijkt dat de wetgever met de formulering van art. 418, tweede lid, Sv heeft willen aansluiten bij art. 410, derde lid, Sv. Bij het schrappen van de woorden "daaraan voorafgaand" in art. 410, derde lid, Sv bij de Wet stroomlijnen hoger beroep is kennelijk over het hoofd gezien dat ook art. 418, tweede lid, Sv in dat opzicht wijziging behoefde. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding om voor de toepassing van art. 418, tweede lid, Sv niet te eisen dat het verhoor door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden vóór de eerste terechtzitting in eerste aanleg.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed heeft afgewezen.

4.2. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De verdachte is ter terechtzitting van de Rechtbank van 31 augustus 2005 verschenen. De Rechtbank heeft op die terechtzitting het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst en de zaak verwezen naar de Rechter-Commissaris teneinde onder meer de getuige [getuige 1] op te roepen en te horen.

(ii) Op 1 november 2005 is, in tegenwoordigheid van de raadsman van de verdachte, de getuige [getuige 1] gehoord door de Rechter-Commissaris.

(iii) De verdachte is ter terechtzitting van de Rechtbank van 23 november 2005 verschenen. De Rechtbank heeft op die terechtzitting het onderzoek hervat en tenslotte gesloten. Bij tussenvonnis van 7 december 2005 heeft de Rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropend, geschorst en, voor zover hier van belang, de zaak verwezen naar de Rechter-Commissaris opdat deze datgene kan doen wat hij/zij voor het onderzoek verder noodzakelijk acht.

(iv) Op 23 januari 2006 zijn, in tegenwoordigheid van de raadsman van de verdachte, de getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 1] gehoord door de Rechter-Commissaris.

(v) De verdachte is ter terechtzitting van de Rechtbank van 8 februari 2006 verschenen. De Rechtbank heeft op die terechtzitting het onderzoek hervat en tenslotte gesloten.

De Rechtbank heeft op 22 februari 2006 een vonnis op tegenspraak gewezen.

(vi) De verdachte heeft op 28 februari 2006 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank.

(vii) Bij appelschriftuur van 13 maart 2006, gericht aan de strafgriffie van de Rechtbank te Arnhem, heeft de raadsman van de verdachte verzocht in hoger beroep een negental getuigen, onder wie [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], op te roepen.

(viii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2006 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"De raadsvrouw van verdachte memoreert dat er een appèlschriftuur is ingediend gedateerd 13 maart 2006, waarin werd verzocht [getuige 5], [getuige 1], [getuige 6], [getuige 7], de medeverdachten [getuige 2 t/m 4] en de dienstdoende internist dan wel de assistent van dienst van het Rijnstate ziekenhuis te Arnhem als getuigen op te roepen voor de behandeling van de strafzaak in hoger beroep. De raadsvrouw overhandigt daarbij aan het hof een kopie van bedoelde appèlmemorie en licht deze toe als volgt -zakelijk weergegeven-:

Cliënt is in de Penitentiaire Inrichting benaderd door de medeverdachten met het verzoek een andere verklaring af te leggen. Daarom vindt de verdediging het noodzakelijk dat de medeverdachten worden gehoord. Daarnaast wenst cliënt [getuige 5] en [getuige 1] te horen om te vernemen of cliënt op de hoogte was van de kluis.

Tijdens het verhoor van de getuigen [getuige 6 en 7] wil cliënt graag vernemen hoe laat hij in Kesteren is geweest en van belang voor cliënt is hoe hij het geld in ontvangst heeft kunnen nemen. (...)"

(ix) Het tussenarrest van het Hof van 24 juli 2006 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"De verdediging heeft ter zitting verzocht om de volgende getuigen op te roepen of te doen horen door de rechter-commissaris, onder verwijzing naar de appèl schriftuur van 13 maart 2006:

1) [getuige 1],

2) [getuige 5],

3) [getuige 6],

4) [getuige 7],

5) [getuige 2],

6) [getuige 3],

7) [getuige 4],

8) de dienstdoende internist dan wel de assistent van dienst van het Rijnstate Ziekenhuis in de nacht van 31 mei op 1 juni 2005.

Voor de getuigen 1 en 2 komt de motivering van het verzoek er in de kern samengevat op neer dat verdachte van beide getuigen wil vernemen of hij op de hoogte was van het bestaan van de kluis en zo ja hoe hij daarvan op de hoogte was gebracht.

Van de getuigen 3 en 4 wenst verdachte te vernemen hoe laat hij de bewuste avond in Kesteren is geweest en hoe laat hij vandaar vertrokken is.

Van de getuigen 5, 6 en 7 wenst verdachte onder meer te vernemen hoe laat zij verdachte die avond bij [A] hebben ontmoet en het geld hebben afgedragen. Tevens wenst verdachte hen te confronteren met hun conversatie met [getuige 5] onderweg van de Hommelseweg naar de Weerdjesstraat en vervolgens naar Kesteren.

Van de getuigen vermeld onder 8 verwacht verdachte dat zij kunnen verklaren in welke toestand [getuige 5] zich bevond toen ze werd opgenomen en of ze in staat moet worden geacht tijdens de verhoren van 31 mei tot en met 6 juni 2005 de strekking en inhoud van de vragen te begrijpen en zonder druk van buiten heeft verklaard.

Ter zitting zijn het verzoek en de argumenten waarop het verzoek berust toegelicht en het hof heeft vervolgens aangegeven daarop bij tussenarrest te beslissen.

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat het hof het verzoek om de getuige genoemd onder 1 te doen horen of te horen afwijst. Deze getuige heeft onder meer ter terechtzitting in eerste aanleg reeds uitvoerig verklaard over hetgeen hij heeft gezien en gehoord. De verdediging heeft niet aangegeven wat deze getuige nog nader zou kunnen verklaren. Door het niet oproepen van deze getuige wordt verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.

Het hof wijst tevens het verzoek om de getuigen genoemd onder 5, 6 en 7 te doen horen of te horen af omdat dit verzoek ter zitting onvoldoende is onderbouwd, gelet op de in de strafzaak te nemen beslissingen.

Bij het niet horen of het doen horen van de getuigen genoemd onder 8 zal verdachte niet in zijn verdediging worden geschaad nu [getuige 5] als getuige wordt gehoord en haar desgewenst vragen kunnen worden gesteld omtrent het afleggen van haar verklaring. Het hof wijst ook dit verzoek af.

Het hof acht het wenselijk dat door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Arnhem als getuigen worden gehoord de getuigen genoemd onder 2, 3 en 4 te weten:

• [Getuige 5], geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats];

• [Getuige 6], geboren op [geboortedatum] 1933 te [geboorteplaats], wonende [woonplaats];

• [getuige 7], geboren op [geboortedatum] 1936 te [geboorteplaats], wonende [woonplaats]."

4.3. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn reeds bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] herhaald. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek dient de rechter in beginsel, naast een aantal hier niet ter zake doende gronden, te beoordelen of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door weigering in zijn verdediging wordt geschaad. Op grond van het navolgende geldt deze maatstaf in de onderhavige zaak alleen ten aanzien van de getuige [getuige 4]. De getuigen, [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] zijn, na verwijzing van de zaak door de Rechtbank, reeds door de Rechter-Commissaris gehoord. Nu de behandeling van de zaak in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, had het Hof het oproepen van deze getuigen kunnen weigeren op grond van het "noodzakelijkheidscriterium".

4.4. Het Hof heeft het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] afgewezen en daarbij in aanmerking genomen dat deze getuige onder meer ter terechtzitting in eerste aanleg reeds uitvoerig heeft verklaard over hetgeen hij heeft gezien en gehoord. Dat oordeel is onbegrijpelijk nu uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg niet blijkt dat die getuige aldaar is gehoord. Het middel klaagt daarover terecht.

4.5. Het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] heeft het Hof afgewezen "omdat dit verzoek ter zitting onvoldoende is onderbouwd, gelet op de in de strafzaak te nemen beslissingen". Nu het Hof niet heeft aangegeven aan de hand van welke maatstaf het verzoek is afgewezen, is de afwijzing van het verzoek ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel hierover klaagt, is het gegrond.

4.6. Het middel slaagt.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 17 oktober 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal in geval van strafoplegging die overschrijding daarbij dienen te betrekken.

6. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 april 2008.