Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC5961

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
00134/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC5961
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 285a (oud) Sr, betekenis bestanddeel “opzettelijk”. Art. 285a (oud) Sr strekt i.h.b. ertoe de vrijheid van personen te beschermen om onbelemmerd t.o.v. een rechter of een ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen. Gelet op de plaats van het bestanddeel “opzettelijk” in de delictsomschrijving moet ervan worden uitgegaan dat voor strafbaarheid o.g.v. die bepaling is vereist dat het opzet van de verdachte mede gericht is op de in die bepaling genoemde beïnvloeding, welk opzet ook uit de gedraging en de omstandigheden waaronder die gedraging is verricht kan worden afgeleid. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte en diens medeverdachte degene die tegen hen aangifte van poging tot diefstal had gedaan en die als getuige t.t.z. zou worden gehoord, tot kort voor die tz. meermalen hebben benaderd, zowel bij hem op zijn werk, als bij hem thuis en telefonisch, om te praten over de door hem bij de politie afgelegde verklaring, hoewel de getuige te verstaan had gegeven tot een zodanig gesprek niet bereid te zijn. Hiervan uitgaande heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van art. 285a (oud) Sr en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het opzet van verdachte was gericht op de beïnvloeding van de getuige a.b.i. art. 285a (oud) Sr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 212
NBSTRAF 2008/212
JOL 2008, 394
NJ 2008, 302
RvdW 2008, 542
NJB 2008, 1233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 mei 2008

Strafkamer

nr. 00134/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 5 december 2006, nummer 21/001991-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 28 april 2006 - de verdachte ter zake van "het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of geweten een verklaring ten overstaan van een rechter af te leggen" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klachten dat het Hof een bewijsverweer ten onrechte heeft verworpen en de bewezenverklaring niet (genoegzaam) uit de bewijsmiddelen kan volgen, in het bijzonder niet het opzet op de beïnvloeding van de verklaringsvrijheid.

3.2. Overeenkomstig de op art. 285a (oud) Sr toegesneden tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij omstreeks de periode van 01 juni 2004 tot en met 27 oktober 2004 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mondeling zich jegens een persoon (te weten [slachtoffer]) heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beïnvloeden, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader die [slachtoffer] een aantal malen telefonisch en/of persoonlijk hebben/heeft benaderd, waarbij die [slachtoffer] werd aangesproken over zijn verklaring, die hij met betrekking tot een inbraak tegenover (een) opsporingsambtena(a)r(en) had afgelegd en/of waarbij te kennen werd gegeven, dat er gesproken diende te worden over de verklaring, die die [slachtoffer] op de terechtzitting (van 03 november 2004) zou afleggen en/of waarbij die [slachtoffer] (telkens) mondeling en/of telefonisch, al dan niet via een of meer andere personen werd toegevoegd:

"We willen over jouw verklaring praten"

en:

"Je vriendin is zojuist thuis gekomen, dus ik kom een andere keer wel terug"

en:

"Ik wil je spreken, zeker vóór de terechtzitting, anders kom ik langs op de bowlingbaan"

en (tegen vriendin van [slachtoffer]):

'Ik weet wel zeker, dat we hier iets mee bereiken",

althans woorden van gelijke bedreigende en/of intimiderende aard en/of strekking, terwijl verdachte en verdachtes mededader wisten, althans ernstige reden hadden te vermoeden, dat die verklaring zou worden afgelegd."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 5 mei 2004 heb ik aangifte gedaan van een poging tot diefstal. Ik heb de politie toen twee verdachte mannen aangewezen, die op heterdaad zijn aangehouden. Eén van deze twee mannen kende ik als een vaste klant van het bowlingcentrum waar ik werk als bedrijfsleider. Hij heet [verdachte]. Ik word sinds juni 2004 stelselmatig bedreigd en lastiggevallen door deze [verdachte] en zijn vriend [medeverdachte]. In september 2004 begonnen [medeverdachte] en [verdachte] regelmatig in het bowlingcentrum te komen. Ze vroegen dan of ik er was. Als ik voorbij kwam lopen, spraken ze mij ook aan. Dan spraken ze over de rechtszaak en mijn verklaring waar zij twijfels bij hadden. Ze hebben mij zelfs mijn verklaring, die ik op 5 mei 2004 bij de politie had afgelegd, gebracht. Ik heb deze toen gelezen en later heb ik telefonisch contact met [verdachte] gehad. Ik vertelde hem dat ik niets in die verklaring had gezien wat niet waar was en dat ik deze verklaring niet zou wijzigen. [Medeverdachte] belde mij toen terug en die wilde weer met mij praten. Ik vertelde hen dat ik al vaker met hen had gesproken en dat het mooi was geweest. Op 20 oktober 2004 kreeg ik een telefoontje op mijn mobiel. Ik hoorde [medeverdachte] tegen mij zeggen dat hij zojuist mijn vriendin thuis had zien komen en dat hij een volgende keer terug zou komen. Ik schrok hier toen heel erg van. Ik vreesde voor mijn gezin. Ik was en ben bang dat ze mijn kind of vriendin iets aandoen. Op 25 oktober 2004 stonden [medeverdachte] en [verdachte] bij [getuige] aan de deur. Ze vroegen weer waar ik was. [Getuige] en ik zijn hier heel angstig door geworden. We zijn ook bang dat het niet ophoudt na 3 november 2004. Ik kan u zeggen dat wij er serieus over gesproken hebben om mijn verklaring in te trekken, omdat ik het gevoel heb dat het dit allemaal niet waard is."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 2 november 2004 sprak ik, verbalisant, telefonisch met aangever [slachtoffer]. Hij vertelde mij dat hij op 30 oktober 2004 was gebeld door [medeverdachte]. [Medeverdachte] wilde weer met hem praten. Aangever [slachtoffer] antwoordde hem dat er met hem niet te praten viel en dat hij hem niet eerder zou spreken dan woensdag 3 november aanstaande (terechtzitting te Arnhem). Hierop antwoordde [medeverdachte]: "dat moet toch, en zeker voor woensdag, anders kom ik bij je langs in de bowlingbaan"."

c. de verklaring van de getuige [slachtoffer] ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Het begon allemaal met de aangifte die ik heb gedaan in mei 2004, betrekking hebbende op de inbraak. Ik was samen met een aantal personeelsleden en ik sloot rond 03.00 uur de zaak af. Toen trof ik de twee mannen aan. Eén van de twee mannen heb ik herkend. [Verdachte] is een vaste klant van ons. Later wilden zij weten wat ik had verklaard. [Verdachte] en [medeverdachte] hebben contact met mij opgenomen. Zij zijn regelmatig voor mij in de zaak gekomen. Ze vroegen aan mij wat ik had verklaard over de inbraak. Ik ben meerdere malen bezocht door [verdachte] en [medeverdachte] en ze hebben mij ook telefonisch benaderd. In een korte tijd gebeurden er een heleboel dingen. Ik werd opgebeld door [medeverdachte], die mij mede deelde dat ze later bij mij thuis terug zouden komen, want ze zagen mijn vrouw net thuiskomen. [Medeverdachte] en [verdachte] zijn twee keer bij mij thuis geweest. Dat heeft veel impact op mijn leven gehad."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"Ik woon samen met [slachtoffer]. Op 25 oktober 2004 zag ik uit het raam van onze woning twee mannen. Omdat [slachtoffer] zijn bedreigers had beschreven, meende ik hen te herkennen. Ik hoorde de voordeurbel. Ik riep boven uit het raam. Ze vroegen of [slachtoffer] thuis was. Ik opende de voordeur en heb hen gesproken op het tuinpad. Ik vroeg hen wat ze hier nou mee dachten te bereiken. Toen zei de langere man, terwijl hij mij recht in de ogen keek: "ik weet wel zeker dat we hier iets mee bereiken"."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte]:

"In mei 2004 ben ik samen met [verdachte] aangehouden op verdenking van een poging diefstal bij de bowlingbaan. In het dossier stond dat [slachtoffer] aangifte had gedaan en dat hij ons voor honderd procent had herkend als de daders van de poging tot inbraak. [Verdachte] en ik zijn een paar keer naar de bowlingbaan gegaan. Ik heb [slachtoffer] gebeld en hij vertelde mij dat hij het niet meer over de zaak wilde hebben. [Verdachte] en ik hebben nog een aantal malen geprobeerd om met [slachtoffer] in contact te komen. Wij wilden hem over de zaak spreken. Mijn advocaat had [slachtoffer] opgeroepen als getuige in deze zaak. Wij hebben [slachtoffer] in totaal nog een keer of vier telefonisch gesproken. Het laatste telefoontje heb ik een paar dagen geleden gepleegd. Ik belde [slachtoffer] om te vragen of hij er toch nog eens over wilde praten. [Slachtoffer] gaf aan dat hij dat niet wilde en dat hij ons op woensdag 3 november 2004 in de rechtbank zou zien. Ongeveer een week geleden zijn [verdachte] en ik naar het huisadres van [slachtoffer] gegaan. Wij hebben daar aangebeld en de vriendin van [slachtoffer] opende de deur. Zij zei dat [slachtoffer] niet thuis was. De vriendin van [slachtoffer] zei tegen ons dat wij weg moesten gaan. Wij zijn al een keer eerder bij de woning van [slachtoffer] geweest. Wij zagen toen dat de vriendin van [slachtoffer] net thuis kwam. Ik heb toen naar [slachtoffer] gebeld. Ik heb toen tegen [slachtoffer] gezegd dat wij even langs wilden komen, maar dat wij zijn vrouw net thuis zagen komen. Op 25 oktober 2004 vroeg de vrouw van [slachtoffer] wat wij hiermee wilden bereiken. Ik heb haar uitgelegd dat wij [slachtoffer] over de zaak wilden spreken."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik ben een tijd geleden samen met [medeverdachte] aangehouden op verdenking van een poging inbraak bij het bowlingcentrum te [woonplaats]. Ik las in het dossier dat [slachtoffer] aangifte tegen mij en [medeverdachte] had gedaan. Ik ben toen samen met [medeverdachte] naar de bowlingbaan gegaan om met [slachtoffer] te praten. [Medeverdachte] en ik zijn met zijn tweeën naar [plaats A] gegaan om te kijken of [slachtoffer] thuis was. Dit bleek niet het geval en we hebben gesproken met de vrouw van [slachtoffer]. De vrouw van [slachtoffer] heeft aan ons gevraagd wat wij hiermee trachtten te bereiken. We hebben toen geantwoord dat we [slachtoffer] wilden spreken."

g. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"We wilden met [slachtoffer] over zijn verklaring praten. De opmerkingen "ik wil je spreken, zeker voor de terechtzitting, anders kom ik langs op de bowlingbaan" en "ik weet wel zeker dat we hier iets mee bereiken", zijn wel geuit."

3.4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw van verdachte bepleite vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof acht bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] opzettelijk heeft getracht te beïnvloeden, nu hij, tezamen met zijn medeverdachte, [slachtoffer] herhaaldelijk heeft aangesproken over de verklaring die hij op 3 november 2004 bij de rechtbank zou afleggen, ook nadat [slachtoffer] had aangegeven dat hij er niet meer met hen over wilde praten. De opmerkingen die verdachte en zijn medeverdachte daarbij hebben geuit, heeft [slachtoffer] als zeer bedreigend ervaren en naar het oordeel van het hof ook redelijkerwijs zo kunnen ervaren. Het hof acht daarbij de verklaring van verdachte en zijn medeverdachte dat zij enkel de intentie hadden om met [slachtoffer] te praten teneinde te kunnen beoordelen of zij hem al dan niet als getuige zouden oproepen, niet aannemelijk, temeer daar uit het dossier blijkt dat de verdachten reeds wisten dat [slachtoffer] op 3 november 2004 als getuige een verklaring zou gaan afleggen bij de rechtbank."

3.5. Art. 285a (oud) Sr luidt als volgt:

"Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie."

3.6. Art. 285a (oud) Sr strekt in het bijzonder ertoe de vrijheid van personen te beschermen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of een ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen.

Gelet op de plaats van het bestanddeel "opzettelijk" in de delictsomschrijving moet ervan worden uitgegaan dat voor strafbaarheid op grond van die bepaling is vereist dat het opzet van de verdachte mede gericht is op de in die bepaling genoemde beïnvloeding, welk opzet ook uit de gedraging en de omstandigheden waaronder die gedraging is verricht, kan worden afgeleid.

3.7. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof - kort gezegd - vastgesteld dat de verdachte en diens medeverdachte degene die tegen hen aangifte van poging tot diefstal had gedaan en die als getuige ter terechtzitting zou worden gehoord, tot kort voor die terechtzitting meermalen hebben benaderd, zowel bij hem op zijn werk, als bij hem thuis en telefonisch, om te praten over de door hem bij de politie afgelegde verklaring, hoewel de getuige te verstaan had gegeven tot een zodanig gesprek niet bereid te zijn. Hiervan uitgaande heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van art. 285a (oud) Sr en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het opzet van de verdachte was gericht op de beïnvloeding van de getuige in de in art. 285a (oud) Sr bedoelde zin.

3.8. Het middel faalt.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2008.