Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC5721

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
C07/142HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC5721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overeenkomst. Dwaling ten aanzien van het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geldende juridische kader waaraan de aanvraag voor een casinovergunningaanvraag getoetst zou moeten worden, betreft niet een uitsluitend toekomstige omstandigheid (art. 6:228 lid 2 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 386
NJ 2008, 286
RvdW 2008, 517
RCR 2008, 71
NJB 2008, 1184
BR 2008/110 met annotatie van M.I. Jaarsma
JWB 2008/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 mei 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/142HR

RM/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 15 december 2006 [verweerster] gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Breda en gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te bevelen binnen 10 werkdagen na betekening van het te wijzen vonnis mee te werken aan het opmaken en doen passeren van een notariële (terug-)leveringsakte van het hierna nader te noemen hotelgebouw cum annexis, tegen terugbetaling aan [eiser] van de door [verweerster] ontvangen koopsom, een en ander op straffe van een dwangsom.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 5 januari 2007 de gevorderde voorzieningen geweigerd.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 6 maart 2007 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en door mr. K. Teuben, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is belegger en heeft als zodanig van [verweerster] een hotelgebouw te [plaats A] gekocht en op 19 februari 2004 geleverd gekregen voor een koopprijs van € 8.700.000,-- kosten koper.

(ii) Op 15 maart 2004 hebben partijen een notariële akte doen verlijden waarbij de leveringsakte van 19 februari 2004 is verbeterd. Partijen hebben daarin onder meer vastgesteld dat de in de akte van 19 februari 2004 opgenomen ontbindende voorwaarden zijn uitgewerkt.

(iii) Het gekochte pand omvat een hotel, een restaurant en een ruimte die bestemd is voor verhuur als casino. Ten tijde van de verkoop waren de drie gedeelten afzonderlijk verhuurd. De casinoruimte was verhuurd aan Casino Sluis N.V.

(iv) Voor de verkoop en levering van het pand had Casino Sluis N.V. een casinovergunning op grond van art. 27g Wet op de kansspelen aangevraagd. In afwachting van de beslissing op deze aanvraag is de ruimte onderverhuurd aan een vennootschap die er een speelautomatenhal in exploiteert.

(v) In de (door [eiser] overgenomen) huurovereenkomst tussen Casino Sluis N.V. en [verweerster] is opgenomen dat deze wordt ontbonden indien geen casinovergunning wordt verleend.

(vi) Bij besluit van 18 maart 2004 heeft de minister van Justitie de aanvraag voor een casinovergunning afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaar van Casino Sluis N.V. heeft de minister van Justitie bij besluit van 19 oktober 2006 ongegrond verklaard. Dit besluit is onherroepelijk geworden. In het besluit is, kort gezegd, tot uitgangspunt genomen dat slechts aan één vergunninghouder, Holland Casino, wordt toegestaan casino's te exploiteren en dat dit beleid niet in strijd is met Europese regelgeving.

(vii) [Eiser] heeft bij een aan [verweerster] gerichte brief de koopovereenkomst vernietigd met een beroep op dwaling.

(viii) [Verweerster] heeft op zeer stellige wijze aan [eiser] verkondigd dat het zeker was dat een casinovergunning zou worden verleend. Beide partijen verkeerden ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in de veronderstelling dat het Nederlandse casinobeleid in strijd met het Europese recht is, zodat onvermijdelijk was dat - uiteindelijk - een casinovergunning zou moeten worden afgegeven.

3.2 In dit kort geding vordert [eiser], kort gezegd, ongedaanmaking van de overeenkomst wegens dwaling. Het hof heeft de vordering in navolging van de voorzieningenrechter afgewezen en daartoe onder meer als volgt overwogen:

"4.7 Naar het voorlopig oordeel van het hof dient de verlening van de casinovergunning aangemerkt te worden als een uitsluitend toekomstige omstandigheid, zodat het gegeven dat de vergunning niet, althans niet binnen de periode van twee jaar die partijen op het oog hadden, is verstrekt, aangemerkt dient te worden als een teleurgestelde toekomstverwachting en niet als een omstandigheid die een beroep op dwaling rechtvaardigt. Het feit dat beide partijen verwachtten dat het Nederlandse overheidsbeleid als in strijd met het Europese recht opzij gezet zou worden, maakt dit niet anders. Er was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst nog geen casinovergunning verleend, anders dan aan Holland Casino. Partijen waren daarvan op de hoogte. Dat zij verwachtten dat de situatie in dit geval anders zou zijn, en dat zij in die verwachting teleurgesteld zijn, betreft alleen een toekomstige omstandigheid.

4.8 Volgens [eiser] is (tevens) sprake van dwaling omtrent de feiten. [Verweerster] heeft gegarandeerd dat binnen afzienbare tijd een casinovergunning verleend zou worden. Hierdoor heeft [verweerster] een feit gecreëerd. Nu de gegarandeerde eigenschap blijkt te ontbreken, is er aanleiding de overeenkomst op grond van dwaling te vernietigen, aldus [eiser].

4.9 Naar het voorlopig oordeel van het hof kan niet gesproken worden van een dwaling omtrent de feiten, ook niet wanneer [eiser] de mededelingen van [verweerster] (terecht) heeft opgevat als een garantie dat binnen een periode van twee jaar een casinovergunning zou worden verstrekt. Ook in dat geval gaat het immers om een toekomstige omstandigheid en om een teleurgestelde verwachting omtrent het realiseren daarvan. Een vordering uit dwaling, zoals [eiser] in dit kort geding voor ogen staat, kan hierop niet worden gebaseerd."

3.3.1 De onderdelen 1a en 1b komen op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.7 en 4.9 dat de niet-verlening van de casinovergunning aan Casino Sluis N.V. een uitsluitend toekomstige omstandigheid als bedoeld in art. 6:228 lid 2 BW betreft, dan wel uitsluitend een teleurgestelde toekomstverwachting van [eiser], die geen beroep op dwaling rechtvaardigt. De onderdelen betogen dat genoemd oordeel onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de navolgende stellingen van [eiser] in de feitelijke instanties:

- dat, voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst, van de zijde van [verweerster] stellig aan hem is medegedeeld (onder verwijzing naar door [verweerster] ingewonnen informatie van juridisch deskundigen) dat het Nederlandse casinobeleid, op grond waarvan uitsluitend aan Holland Casino casinovergunningen worden verleend, in strijd is met het Europese recht;

- dat het Europese recht daarom op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst meebracht dat het de minister niet vrij stond een casinovergunning aan Casino Sluis N.V. te weigeren;

- dat, in verband hiermee, de vergunning voor Casino Sluis op een termijn van ongeveer twee jaren na de koopovereenkomst zonder meer een feit zou zijn;

- dat, naar [verweerster] bekend was, deze mededelingen van [verweerster] voor [eiser] van doorslaggevend belang zijn geweest bij het aangaan van de koopovereenkomst.

3.3.2 Deze stellingen houden in dat [eiser] - op grond van stellige mededelingen van de zijde van [verweerster] - uitging van de volgens hem onjuist gebleken veronderstelling dat het Nederlandse casinobeleid ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in strijd was met het Europese recht, zodat het de minister gelet op de gelding van het Europese recht niet vrijstond een casinovergunning aan Casino Sluis N.V. te weigeren.

Hoewel de vergunningverlening op zichzelf ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst een toekomstige gebeurtenis betrof, behelsde de door [eiser] gestelde dwaling niet die toekomstige omstandigheid, doch het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geldende juridische kader waaraan de vergunningaanvraag getoetst zou moeten worden. Het oordeel van het hof dat de dwaling een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft is dan ook onjuist, althans in het licht van de stellingen van [eiser] onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen zijn dus gegrond.

3.4 Onderdeel 2 gaat ten onrechte ervan uit dat het hof heeft geoordeeld dat slechts een dwaling omtrent de feiten doch niet een dwaling omtrent het recht een rechtens relevante dwaling kan opleveren. Het onderdeel kan dus vanwege gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

Datzelfde geldt voor onderdeel 3 omdat het hof, anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, niet heeft geoordeeld dat de dwaling voor rekening van [eiser] moet blijven omdat hij ervan op de hoogte was dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst slechts aan Holland Casino een casinovergunning was verleend.

3.5 Onderdeel 4 bouwt op de voorgaande onderdelen voort en behoeft geen afzonderlijke behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 maart 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 381,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 mei 2008.