Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC5603

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
C07/007HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC5603
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2006:AY9068, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid van ouders voor minderjarige kinderen; causaal verband tussen geleden inkomensschade wegens het niet opnieuw kunnen sluiten van een huurovereenkomst en door kinderen gepleegde brandstichting? Toerekening naar redelijkheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 169
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/128 met annotatie van Noot F.T. Oldenhuis
NJ 2008, 262
JOL 2008, 361
RvdW 2008, 485
RAV 2008, 69
NJB 2008, 1130
JWB 2008/205

Uitspraak

25 april 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/007HR

JMH/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

3. [Verweerder 3],

4. [Verweerster 4],

5. [Verweerder 5],

6. [Verweerder 6],

7. [Verweerster 7],

allen wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. M. Ynzonides.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de ouders.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 27 mei 2002 de ouders gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden en na wijziging van eis gevorderd, kort gezegd, de ouders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.532.998,70 wegens verlies aan arbeidsvermogen, met rente en kosten.

De ouders hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft, na een tussenvonnis van 11 juni 2003, bij eindvonnis van 14 juli 2004 de ouders hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 174.150,62 wegens inkomensschade en tot afgifte van een belastinggarantie.

Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden en na wijziging van eis gevorderd de ouders te veroordelen tot betaling van € 1.281.271 wegens verlies aan arbeidsvermogen met rente en kosten. De ouders hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 20 september 2006 heeft het hof met aanvulling van gronden het tussenvonnis van de rechtbank van 11 juni 2003 bekrachtigd, het eindvonnis van 14 juli 2004 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de ouders hoofdelijk veroordeeld aan [eiser] te betalen een bedrag van € 83.887,-- wegens inkomensschade en tot afgifte van een belastinggarantie.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De ouders hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. K. Teuben en voor de ouders mede door mr. M. Haentjens, beiden advocaat te 's-Gravenhage.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het arrest van het hof Leeuwarden.

De advocaat van ouders heeft bij brief van 1 februari 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In de nacht van 23 op 24 november 1996 is brand ontstaan in het veemarktcomplex in de Frieslandhal, verder te noemen het FEC, te Leeuwarden. Deze brand was het gevolg van het niet geheel blussen van een brandje dat was gesticht door destijds minderjarige kinderen van de ouders. Die kinderen waren op dat moment allen jonger dan 14 jaar.

(ii) De kinderen zijn in 1998 strafrechtelijk veroordeeld ter zake van het medeplegen van het aan hun schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan.

(iii) [Eiser] dreef tot aan het moment van de brand een horecaonderneming in het FEC in een daar vanaf 1 mei 1984 gehuurde localiteit.

(iv) Na de brand heeft [eiser] gedurende ongeveer een halfjaar de horecaonderneming voortgezet in een noodvoorziening. Een nieuwe huurovereenkomst tussen [eiser] en het FEC is niet tot stand gekomen en per

1 juni 1997 is de onderneming van [eiser] opgeheven.

(v) Bij brief van 23 februari 1997 heeft [eiser] de ouders als wettelijk vertegenwoordigers van de kinderen aansprakelijk gesteld. De assuradeuren hebben namens de ouders bij brief van 3 juli 1998 de aansprakelijkheid erkend. [Eiser] heeft van zijn eigen (brand)verzekeraar voor de aan de inventaris geleden schade ƒ 75.000,-- ontvangen.

3.2 In dit geding, waarin [eiser] van de ouders als wettelijk vertegenwoordigers van de kinderen vergoeding vordert van de door hem geleden inboedel- en inkomensschade alsmede de schade die bestaat uit de kosten van rechtsbijstand en een deskundige, is thans nog alleen in geschil het bedrag van de inkomensschade die de ouders aan [eiser] zouden dienen te vergoeden. De rechtbank heeft dat bedrag gesteld op € 174.150,62 over de periode van 1 december 1996 tot 1 juni 1999, maar het hof kwam uit op een bedrag van € 83.887,-- over de periode na de brand tot 1 januari 1998.

3.3 In cassatie bevat onderdeel 1 een motiveringsklacht over rov. 16 waarin het hof oordeelt dat de schade aan het café van [eiser] voorzienbaar was voor de ouders en aan deze toe te rekenen, maar waarin het hof zich kennelijk vergist in de precieze plaats waar de kinderen het bewuste brandje hebben gesticht. Bij die klacht heeft [eiser] echter geen belang zodat zij niet tot cassatie kan leiden, omdat die vergissing klaarblijkelijk geen invloed heeft gehad op hetgeen het hof met betrekking tot de omvang van de aan de ouders toe te rekenen inkomensschade overweegt in rov. 17, waartegen het middel zich voor het overige richt.

3.4.1 In rov. 17 overweegt het hof het volgende.

"Het hof acht evenwel niet tevens voorzienbaar de schade die voortvloeit uit het feit dat tussen de ondernemer en zijn verhuurder een huurgeschil als gevolg van de brand is gerezen, ten gevolge waarvan de huurverhouding - en in het verlengde daarvan - het bedrijf niet wordt voortgezet. Dat wel sprake is van een conditio sine qua non verband, is naar 's hofs oordeel voor toerekening van een dergelijk, ver van de brand verwijderde schadepost, niet voldoende. De omstandigheid dat in dezen sprake is van een risicoaansprakelijkheid, van een schadeoorzaak in de privé-sfeer en van vermogensschade, bestaande uit het verlies van winstmogelijkheden, verzet zich tegen toerekening van de schade die het gevolg is van het feit dat [eiser] niet langer tegen zeer gunstige voorwaarden een klaarblijkelijk uiterst lucratief cafébedrijf op identieke wijze kon blijven uitbaten. Naar 's hofs oordeel is slechts de inkomensschade vergoedbaar tot het moment dat het café weer haar deuren had kunnen openen en de omzet op een vergelijkbaar niveau zou kunnen hebben als voor de brand, als er geen problemen met het FEC waren ontstaan. Het hof stelt deze periode vast op ruim een jaar."

3.4.2 De gedachtengang van het hof kan als volgt worden samengevat. De inkomensschade die [eiser] heeft geleden doordat hij als gevolg van een tussen hem en het FEC gerezen geschil geen nieuwe huurovereenkomst met laatstgenoemde heeft kunnen sluiten en daardoor niet langer tegen zeer gunstige voorwaarden een "klaarblijkelijk uiterst lucratief" cafébedrijf "op identieke wijze" kon blijven voortzetten, staat in zo ver verwijderd verband tot de brand dat die schade niet voorzienbaar was en daarom de ouders niet als gevolg van de brand kan worden toegerekend. Het hof komt tot dit oordeel door enerzijds in aanmerking te nemen dat de ouders een risicoaansprakelijkheid hebben en de brand is veroorzaakt in de "privé-sfeer", waarmee het kennelijk doelt op het brandje-stichten van hun kinderen als schadeoorzaak, en anderzijds dat de schade bestaat uit vermogensschade die bestaat in het verlies van winstmogelijkheden uit een uiterst lucratief bedrijf dat tegen zeer gunstige voorwaarden werd uitgeoefend.

3.4.3 Deze gedachtegang geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat als gevolg van de brand het door [eiser] gehuurde is tenietgegaan, waardoor op grond van het destijds geldende art. 7A:1589 BW, de huurovereenkomst van rechtswege is geëindigd. Dit rechtsgevolg en de daaruit voortvloeiende inkomensschade dienen als gevolg van de brand aan de ouders te worden toegerekend. Bij dit uitgangspunt kan het enkele feit dat [eiser] en FEC, naar het hof heeft aangenomen als gevolg van een tussen hen gerezen geschil, geen nieuwe huurovereenkomst hebben gesloten en [eiser] daardoor zijn bedrijf niet heeft kunnen voortzetten, niet afdoen aan de omvang van de door de brand gevestigde verplichting van de ouders tot schadevergoeding. Zoals het hof terecht heeft onderkend, staat de inkomensschade die [eiser] heeft geleden en lijdt als gevolg van het niet sluiten van een nieuwe huurovereenkomst, in condicio sine qua non-verband tot de brand. Voorts is die inkomensschade, anders dan het hof heeft aangenomen, naar zijn aard in het algemeen gesproken het alleszins voorzienbare gevolg van een brand als de onderhavige. De omstandigheid dat (de omvang van) die inkomensschade mede wordt bepaald doordat [eiser] niet langer in staat is tegen zeer gunstige voorwaarden een uiterst lucratief cafébedrijf te exploiteren, maakt dat niet anders.

Er is dan ook geen grond het niet sluiten van een nieuwe huurovereenkomst aan te merken als een schadeoorzaak die voor rekening van [eiser] behoort te blijven, in dier voege dat de daardoor veroorzaakte inkomensschade niet aan de ouders als gevolg van de brand zou behoren te worden toegerekend. Noch de aard van de aansprakelijkheid van de ouders noch de rol van hun kinderen bij het ontstaan van de brand doet hieraan af.

3.4.4 De op een en ander gerichte klachten van het middel slagen. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 20 september 2006;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de ouders in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 6.000,05 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 25 april 2008.