Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC4808

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
41612
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid beroep iin cassatie. Gelijkheidsbeginsel. Aanvang cassatietermijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2008, 571
BNB 2008/218 met annotatie van R.H. Happé
Belastingadvies 2008/6.2
V-N 2008/11.5 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0374
JB 2008/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.612

22 februari 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 augustus 2004, nr. BK-03/00388, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Minister van Financiën heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

3.1. Belanghebbende heeft bij verweerschrift in cassatie aangevoerd dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het buiten de beroepstermijn is ingediend. Belanghebbende wijst er daarbij op dat het Hof bij brief met verzenddatum 29 juli 2004 heeft aangekondigd dat het Hof de beslissing op 3 augustus 2004 in het openbaar zal uitspreken en dat zo spoedig mogelijk daarna een afschrift van de uitspraak wordt verzonden, dat onder de uitspraak de aantekening is geplaatst "Aangetekend aan partijen verzonden: 3 augustus 2004", dat hij op 28 september 2004 (twee weken na het verstrijken van de cassatietermijn) telefonisch had vernomen van de griffier van het Hof dat de Staatssecretaris niet in cassatie was gegaan, en dat hij eerst later (11 november 2004) had vernomen dat er in de procedure iets fout was gegaan zodat de cassatietermijn voor de Staatssecretaris pas later was ingegaan.

3.2. Op verzoek van de Hoge Raad heeft de griffier van het Hof aan de Hoge Raad toegezonden een afschrift van zijn brief van 10 november 2004, gericht aan de Belastingdienst S, waarin hij onder verwijzing naar een telefonisch onderhoud van 4 november 2004 namens de Voorzitter meedeelt dat is gebleken dat het afschrift van de schriftelijke uitspraak van 3 augustus 2004 abusievelijk niet aan de Belastingdienst is toegezonden en dat bij de brief alsnog een exemplaar daarvan is gevoegd. Voorts deelt de griffier in deze brief mee dat dientengevolge binnen zes weken na de verzenddatum van de brief (10 november 2004) beroep in cassatie kan worden ingesteld. Voorts zijn aan de Hoge Raad toegezonden kopieën van het register voor aangetekende verzendingen van het Hof, waaruit valt af te leiden dat op 3 augustus 2004 een aangetekende brief aan belanghebbende is verzonden. Het register maakt echter geen melding van een verzending van een aangetekende brief op 3 augustus 2004 aan de Belastingdienst S.

De griffier van de Hoge Raad heeft vorenbedoelde stukken aangetekend aan partijen verzonden, waarvan een ontvangstbevestiging is binnengekomen, en hen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

3.3. Het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris is op 15 december 2004 bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage ingekomen.

3.4. De Hoge Raad acht, gelet op de onder 3.2 vermelde stukken, aannemelijk dat het afschrift van de uitspraak van het Hof abusievelijk niet op 3 augustus 2004, maar pas op 10 november 2004 aan de Belastingdienst S is toegezonden. De termijn voor het instellen van beroep in cassatie vangt aan met ingang van de dag na die waarop een afschrift van de uitspraak aan partijen is toegezonden door de griffier van het hof (vgl. HR 16 juni 1999, nr. 33848, BNB 1999/287); niet van belang is dat de partij die beroep in cassatie instelt van de aangekondigde uitspraakdatum op de hoogte was en bij het uitblijven van de ontvangst van een afschrift van de uitspraak geen actie heeft ondernomen. De beroepstermijn van zes weken is voor de Staatssecretaris derhalve aangevangen op 11 november 2004 en geëindigd met 22 december 2004. Het op 15 december 2004 ter griffie van het Hof ingediende beroepschrift is derhalve tijdig ingediend. Het beroep in cassatie is ontvankelijk.

4. Beoordeling van het middel

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

4.1.1. Belanghebbende was van 1982 tot en met 1997 als accountant in dienstbetrekking werkzaam bij A. Hij was deelnemer aan de pensioenregeling van A, die was ondergebracht bij een pensioenfonds (hierna: het pensioenfonds). In 1997 is A gefuseerd. Bij die gelegenheid heeft het pensioenfonds een deel van zijn overrendement omgezet in aanvullende pensioenaanspraken van de deelnemers en een deel ervan uitgekeerd aan hen. De pensioenrechten van belanghebbende zijn onaangetast gebleven. De eenmalige uitkering aan belanghebbende in 2000 bedroeg ƒ 69.500.

4.1.2. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 de Inspecteur verzocht deze eenmalige uitkering te belasten naar het bijzondere tarief van 45 percent als bedoeld in artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 2000; hierna: de Wet). De Inspecteur heeft dit verzoek niet gehonoreerd.

4.1.3. Acht met belanghebbende vergelijkbare belastingplichtigen hebben de Inspecteur eveneens verzocht om toepassing van het bijzondere tarief op de eenmalige uitkering door het pensioenfonds. De Inspecteur heeft dit verzoek voor zes belastingplichtigen gehonoreerd. Daarnaast hebben 34 belastingplichtigen de Inspecteur niet verzocht om toepassing van het bijzondere tarief op de eenmalige uitkering door het pensioenfonds. De Inspecteur heeft in geen van laatstgenoemde gevallen het bijzondere tarief toegepast. Alle 43 hiervoor bedoelde belastingplichtigen vallen binnen het bevoegdheidsgebied van de Inspecteur.

4.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur jegens belanghebbende in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege te laten.

4.3. Het Hof heeft geoordeeld dat voor de toepassing van de zogenoemde meerderheidsregel in dit geval als gelijke gevallen hebben te gelden die gevallen waarin bij de aangifte is verzocht om het bijzondere tarief en dat, nu vaststaat dat binnen het bevoegdheidsgebied van de Inspecteur in negen gevallen om toepassing van het bijzondere tarief is verzocht en dat in zes van deze negen gevallen is toegestaan, in een meerderheid van de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, zodat ook bij belanghebbende de uitkering in de heffing dient te worden betrokken naar het bijzondere tarief.

4.4. Tegen voormeld oordeel richt zich het middel met het betoog dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of in de meerderheid van de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, in die zin dat het Hof een onjuiste opvatting huldigt van hetgeen als een vergelijkbaar geval beschouwd kan worden, dan wel een onjuiste opvatting huldigt van de groep die de gelijke gevallen omvat.

4.5.1. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de toepassing van het bijzondere tarief niet afhankelijk is gesteld van een daartoe door de belastingplichtige gedaan verzoek. Dat brengt mede dat een inspecteur zich bij het vaststellen van een aanslag steeds een oordeel moet vormen over de mogelijke toepassing van het bijzondere tarief, ook in de gevallen waarin daarom niet is verzocht.

4.5.2. Voor zover het middel betoogt dat alle 43 deelnemers met een eenmalige uitkering zijn aan te merken als de groep gelijke gevallen, miskent het dat het bijzondere tarief van 45 percent ingevolge artikel 57 van de Wet van toepassing is wanneer dit voordeliger is dan heffing op de voet van de tarieftabel, hetgeen (kort gezegd) voor het onderhavige jaar het geval is indien de belastbare som meer bedraagt dan ƒ 48.994. Slechts in de gevallen waarin aan deze voorwaarde is voldaan, komt de vraag aan de orde of op de eenmalige uitkering het bijzondere tarief van toepassing is.

4.5.3. Het vorenstaande betekent dat alle gevallen waarin de Inspecteur het bijzondere tarief, hoewel dat voordeliger was dan het tabeltarief, niet heeft toegepast op de eenmalige uitkering door het pensioenfonds, voor de toepassing van de meerderheidsregel dienen te worden gerekend tot de gevallen waarin de wet juist is toegepast, ook in de gevallen dat niet om toepassing van het bijzondere tarief is verzocht. Het middel is in zoverre gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2008.