Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC4464

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
19-02-2008
Zaaknummer
03622/06 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC4464
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontneming. Aan te leggen maatstaf bij verzoek horen getuigen bij ontneming. Na een regiezitting worden 9 van de 10 getuigen vooralsnog afgewezen. Op een volgende ttz. persisteerde de rm bij zijn eerder gedane verzoek, echter in zoverre dat hij het noodzakelijk acht om 3 getuigen te horen. Dit wijst het Hof weer af wegens onvoldoende onderbouwing. HR: Het Hof heeft niet onbegrijpelijk het verzoek om de andere 6 getuigen te horen als ingetrokken beschouwt. Het moet dan ook ervoor worden gehouden dat in cassatie nog slechts ’s Hofs afwijzing van deze 3 getuigen aan de orde is. Maatstaf voor het verzoek is ingevolge art. 288.1.c Sv jo. art. 415 Sv en art. 551g.2 Sv of redelijkerwijze valt aan te nemen dat de betrokkene door de afwijzing van het verzoek in zijn verdediging wordt geschaad. Die maatstaf heeft het Hof (mede) toegepast. Het specifieke karakter van de ontnemingsprocedure en i.h.b. wat de wetgever t.a.v., kort gezegd, de bewijslastverdeling tussen partijen voor ogen had, heeft consequenties voor de hantering van genoemde maatstaf. Aan de onderbouwing van een verzoek mogen, al naar gelang de aard en omvang van het reeds aanwezige materiaal en het verloop van de procedure tot dan toe, zwaardere eisen worden gesteld, waarbij mede van belang is in hoeverre de rechter het standpunt van het OM in het licht van die zijde verschafte gegevens en berekeningen voorshands aannemelijk acht, vgl. HR LJN AD8950. ’s Hofs afwijzing is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 141
RvdW 2008, 282
NJB 2008, 626
JOW 2008, 51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2008

Strafkamer

nr. 03622/06 P

AH/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 juni 2006, nummer 22/003985-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Dordrecht van 29 januari 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.900.000,-.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ter terechtzitting van 7 december 2005 het verzoek tot het horen van getuigen ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2. Wat betreft de procesgang kan, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in cassatie van het volgende worden uitgegaan.

(i) De zaak is in hoger beroep aangebracht tegen de terechtzitting van 7 december 2005. Dat was een zogenaamde regiezitting. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat de voorzitter namens het Hof voorstelt om schriftelijke conclusies te wisselen voorafgaand aan een inhoudelijke behandeling van de zaak, en voorts:

"De raadsvrouw van de veroordeelde deelt mede -zakelijk weergegeven-:

De verdediging gaat in principe akkoord met de voorgestelde werkwijze. De verdediging acht het evenwel van belang om alvorens de schriftelijke reactie op het vonnis wordt ingediend de bij brieven van 18 oktober 2005, 28 november 2005 en 5 december 2005 verzochte getuigen te horen. In aanvulling op deze brieven geeft de raadsvrouw een nadere toelichting op het verzoek tot het horen van de volgende getuigen:

1. [Persoon 1]. [Persoon 1] is de zwager van de veroordeelde. Hij was betrokken bij het financiële verkeer en heeft wetenschap omtrent de verdiensten;

2. [Persoon 2], 3. [Persoon 3] en 4. [Persoon 4]. Deze getuigen kunnen nadere verklaringen afleggen omtrent de betalingen, prijzen, transporten en de opbrengsten ten aanzien van de handel vanuit Italië;

5. [Persoon 5]. Onlangs is [persoon 6], de zus van de veroordeelde door het hof vrijgesproken. In het kader van deze procedure speelde de getuigenverklaring van [persoon 5] een belangrijke rol. De verdediging is van oordeel dat deze getuigenverklaring van [persoon 5] ook in de onderhavige procedure van belang kan zijn;

6. [Persoon 7] en 7. [Persoon 8]. Blijkens het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Dordrecht worden de verklaringen van [persoon 7] en [persoon 8] als bewijsmiddelen gebruikt. Beide getuigen kunnen verklaren omtrent de hoeveelheden en opbrengsten.

8. [Persoon 9]. Hij is degene die in de zaak Zwijndrecht I al in de tenlastelegging was opgenomen als zijnde de persoon met wie de veroordeelde afspraken had gemaakt omtrent het vervoer van cocaïne naar Italië. Hij kan getuigen met betrekking tot de prijzen en de versnijdingsgraad;

9. [verbalisant 1], Inspecteur van de Politie Rotterdam-Rijnmond, werkzaam bij de financieel economische unit van de RRD en opsteller van onder meer het rapport 'Herziene berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van [betrokkene]'. Het verhoor van hem zou moeten zien op de rapportages en de uitgangspunten en berekeningen die tot de voordeelsbecijfering hebben geleid.

10. [Persoon 10]. Deze getuige komt herhaaldelijk voor in de ontnemingsrapportage die aan de basis ligt van de onderhavige ontnemingszaak.

[Persoon 10] is in deze zaak niet eerder gehoord en kan onder meer verklaren omtrent de prijzen en opbrengsten.

De raadsvrouw verzoekt het hof in aanmerking te nemen dat de belangen voor haar cliënt, gelet op de hoogte van het gevorderde bedrag, bijzonder groot zijn.

(...)

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging.

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt het hof bij monde van de voorzitter mede dat het verzoek tot het horen van de getuigen als vermeld onder de nummers 1 tot en met 8, alsmede nummer 10 vooralsnog wordt afgewezen. Het hof is vooralsnog van oordeel dat de veroordeelde door afwijzing van deze verzoeken niet in de verdediging wordt geschaad. Het hof overweegt hiertoe dat de verdediging, gelet op de voorhanden stukken in het dossier, waaronder de financiële rapportage waarop de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie berust en de beslissing waarvan beroep, in deze verzoeken onvoldoende nader en concreet gemotiveerd heeft aangegeven wat en op welke wijze zij in het bijzonder wenst aan te tonen en hoe het horen van de genoemde getuigen daarbij dienstig kan zijn.

Ten aanzien van de getuige [verbalisant 1], Inspecteur van de Politie Rotterdam-Rijnmond, werkzaam bij de financieel economische unit van de RRD deelt de voorzitter mede dat het hof de verdediging in de gelegenheid wil stellen haar vragen aan hem schriftelijk in te dienen. De vragen zullen door de advocaat-generaal aan [verbalisant 1] worden voorgelegd."

(ii) Nadat schriftelijke vragen aan [verbalisant 1] waren voorgelegd en deze bij proces-verbaal van 15 februari 2006 waren beantwoord, welk proces-verbaal bij de stukken is gevoegd, en nadat de raadsman en de Advocaat-Generaal ieder een schriftelijke conclusie hadden genomen, is de zaak weer aangebracht op de terechtzitting van het Hof van 15 mei 2006 op welke terechtzitting het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing op 7 december 2005. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 mei 2006 houdt voor zover hier van belang in:

"De raadsman geeft op te persisteren bij zijn eerdere verzoek, in zoverre dat hij het noodzakelijk acht om de getuigen [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 5] ter terechtzitting te horen, omdat de verklaringen van zijn cliënt nieuwe inzichten hebben verschaft.

De advocaat-generaal voert aan dat er zijns inziens geen sprake is van nieuwe inzichten en dat de verklaringen van veroordeelde, voorzover deze er op neer komen dat zijn rol slechts beperkt was tot die van 'aannemer', niet onderbouwd zijn en er daarom geen noodzaak is om deze personen op te roepen als getuigen. De advocaat-generaal verzet zich dan ook tegen oproeping van de getuigen.

De raadsman van veroordeelde geeft vervolgens aan dat hij het wel degelijk noodzakelijk acht deze personen als getuigen te horen, ook gezien de hoogte van de vordering.

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat in het verzoek van de raadsman om de bovengenoemde en eerder als getuige gevraagde personen op te roepen om als getuige ter terechtzitting te worden gehoord gezien de voorhanden stukken in het dossier, waaronder de financiële rapportage waarop de ontnemingsvordering berust en het vonnis waarvan beroep, alsmede de schrifturen van de verdediging en het openbaar ministerie in hoger beroep, onvoldoende is aangegeven wat de verdediging in het bijzonder wenst aan te tonen en hoe het horen van die personen daarbij in concreto dienstbaar kan zijn. Het hof acht de veroordeelde niet in de verdediging geschaad door het niet horen van die personen. Het hof acht ook de noodzaak daartoe niet gebleken."

3.3. Nu de raadsman op de terechtzitting van 15 mei 2006 heeft gepersisteerd bij zijn ter terechtzitting van 7 december 2005 gedane verzoek, echter in zoverre dat hij het noodzakelijk acht om de getuigen [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 5] ter terechtzitting te horen, heeft het Hof - niet onbegrijpelijk - het verzoek om de getuigen [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3], [persoon 4], [persoon 9] en [Persoon 10] ter terechtzitting te horen als ingetrokken beschouwd. Het moet dan ook ervoor worden gehouden dat in cassatie nog slechts 's Hofs afwijzing van 15 mei 2006 aan de orde is.

3.4. Maatstaf voor de beoordeling van het verzoek is ingevolge art. 288, eerste lid onder c, in verbinding met art. 415 en 511g, tweede lid, Sv of redelijkerwijze valt aan te nemen dat de betrokkene door de afwijzing van het verzoek in zijn verdediging wordt geschaad. Die maatstaf heeft het Hof (mede) toegepast. Het specifieke karakter van de ontnemingsprocedure en in het bijzonder wat de wetgever ten aanzien van, kort gezegd, de bewijslastverdeling tussen partijen voor ogen had, heeft consequenties voor de hantering van genoemde maatstaf in dit verband. Aan de onderbouwing van een verzoek mogen, al naar gelang de aard en omvang van het reeds aanwezige materiaal en het verloop van de procedure tot dan toe, zwaardere eisen worden gesteld, waarbij mede van belang is in hoeverre de rechter het standpunt van het openbaar ministerie in het licht van de van die zijde verschafte gegevens en berekeningen voorshands aannemelijk acht (vgl. HR 25 juni 2002, LJN AD8950, NJ 2003, 97).

3.5. In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie zijn berekening gebaseerd op een financieel rapport, zijn naar aanleiding van dat rapport door de verdediging vragen gesteld aan de rapporteur welke vragen ook zijn beantwoord, terwijl zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een schriftelijke voorbereiding is voorafgegaan aan het onderzoek ter terechtzitting. Tegen deze achtergrond en in het licht van wat is aangevoerd, alsmede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, is het oordeel van het Hof, samengevat daarop neerkomende dat het verzoek met betrekking tot de getuigen [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 5] onvoldoende is onderbouwd, niet onbegrijpelijk.

3.6. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 19 februari 2008.