Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC4463

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
03288/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC4463
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:AY7270, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Hulp bij zelfdoding. Art. 294.2 Sr. Stichting De Einder. Klacht over het causaal verband tussen de geboden hulp en de zelfdoding. Bij de vraag of verdachte behulpzaam is geweest of middelen heeft verschaft a.b.i. art. 294.2 Sr gaat het erom of verdachte het door zijn handelen voor de ander mogelijk of gemakkelijk heeft gemaakt om zichzelf te doden, terwijl voor de strafbaarheid daarnaast niet meer wordt vereist dan dat de zelfdoding heeft plaatsgevonden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 294
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 146
NBSTRAF 2008/146
NJ 2008, 264
JOL 2008, 205
RvdW 2008, 344
NJB 2008, 823

Uitspraak

18 maart 2008

Strafkamer

nr. 03288/06

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 augustus 2006, nummer 23/006480-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 7 december 2005 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem de middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Bij de Hoge Raad is een geschrift van de verdachte ingekomen. Omdat volgens art. 437, tweede lid, Sv uitsluitend een raadsman namens de verdachte middelen van cassatie kan indienen, kan de Hoge Raad dit geschrift niet beschouwen als een schriftuur houdende middelen van cassatie en zal hij op dit geschrift dus geen acht slaan.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. De tenlastelegging onder 1 is toegesneden op art. 294, tweede lid, Sr. Ten laste van de verdachte is daarvan bewezenverklaard dat:

"[JvT] in de periode van 9 november 2003 tot en met 10 november 2003 in [plaats] zelfdoding heeft gepleegd, waarbij hij, verdachte, [JvT] op tijdstippen in de periode van 1 juli 2003 tot en met 10 november 2003 in [plaats] en/of [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en [JvT] middelen daartoe heeft verschaft, terwijl die zelfdoding is gevolgd, hebbende hij, verdachte, daarbij opzettelijk

- brieven geschreven en ondertekend en verzonden aan [JvT], inhoudende informatie en/of instructies met betrekking tot zelfdoding, te weten:

* een brief (offerte), gedateerd 8 augustus 2003, waarin het boek "[genaamd ...]" onder de aandacht werd gebracht met daarbij de zinsnede:

"gebruik van de Virtuele Apotheek"

en

* een brief gedateerd 10 augustus 2005 (de Hoge Raad leest: 2003), waarin de volgende passage is opgenomen: "Beschikt iemand over bepaalde medicijnen en vraagt hij of zij zich af of die te gebruiken zijn voor beëindiging van eigen leven, dan informeren wij op verzoek over hetgeen in de ons ter beschikking staande literatuur is gepubliceerd met betrekking tot eventuele risico's en de dodelijke dosis of dodelijke combinatie der beschikbare middelen, alsmede de wijze van innemen. Een nauwkeurige opgave van de in uw bezit zijnde medicijnen (aantal, sterkte in mg, naam, ook van de werkzame stof) is dan noodzakelijk."

en

* een brief, gedateerd 23 augustus 2003, waarin de volgende passages zijn opgenomen: "Naar aanleiding van uw brief van 21/08/03 deel ik u mede dat, als u kiest voor een methode met een dodelijke overdosis of combinatie, er misschien wel een mogelijkheid is. ... Als het u lukt door klagen een zwaardere dosis te krijgen zou u kunnen gaan sparen voor een hoeveelheid die levensgevaarlijk is en in combinatie met een pijnstiller (zie verderop) dodelijk. Die pijnstiller zou u kunnen krijgen door zoveel Traxene te sparen dat u door ruiling over het gewenste mengsel kunt beschikken. ... In uw geval zou een overdosis van 40 x 20 mg Tranxene en 30 x 150 mg Depronal een geschikt mengsel kunnen zijn."

en

* een brief (met bijlage), gedateerd 26 augustus 2003, waarin de volgende passages zijn opgenomen: "Naar aanleiding van uw brief van 21/8/03 deel ik u het volgende mede. U noemde Efecor, ik vond EFEXOR, merknaam voor venlafaxine, antidepressivum uit de groep serotonine-heropnameremmers waartoe ook Prozac behoort. [W]*) noemt medicijnen uit deze groep "minder giftig en dus geen ideale zelfmoordmiddelen. U vroeg naar de werking van andere Antidepressiva. Op bijlage een overzicht van bekende tricyclische antidepressiva, met name generieke stof en Merknamen. Daaruit kun je afleiden dat Amitriptyline het meest voor de hand ligt, het wordt ook vaak voorgeschreven. Bij pillen van 10 mg betekent dat wel dat 600 pillen moeten worden verpoederd (bij 25 mg 240 pillen) en dat bij het innemen aanvullend ook een slaapmiddel moet worden gebruikt (+ alcohol en tevoren antibraakmiddel) Voor het klein maken van de pillen is een tabletvergruizer bij de apotheek verkrijgbaar. Succes met uw verdere maatregelen."

en

* een brief, gedateerd 4 november 2003, waarin de volgende passage is opgenomen:

"Uw verzoek inzake de virtuele apotheek zal ik in gedachten houden tot iemand zich aanmeld die erbij past.", welke brief was voorzien van een geel door verdachte geschreven memobriefje met de volgende tekst: "stuurt u mij 80 T 10 mg U ontvangt dan 30 D 150 mg"

en

- 30 capsules Depronal verstrekt en verzonden aan [JvT] en geruild met [JvT] tegen 80 tabletten Tranxene;"

3.2. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

(a) de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Sinds ongeveer 1993 ben ik werkzaam als suïcidecounselor. De Stichting [A] is door mij opgericht in 1994. De stichting begeleidt en informeert mensen met een doodswens. In de periode van 1 juli 2003 tot en met 10 november 2003 heb ik als suïcidecounselor voor de Stichting [A] schriftelijk contact gehad met [JvT]. Zij had mij geschreven dat zij een einde aan haar leven wilde maken. Ik heb haar daarbij hulp geboden. Ik heb haar vier brieven geschreven die in het dossier zijn gevoegd en waarvan de inhoud mij thans door de voorzitter wordt voorgehouden: een brief van 8 augustus 2003 waarin ik haar attendeer op mijn boek "[genaamd ...]", een brief van 10 augustus 2003 waarin ik [JvT] erop wijs dat Stichting [A] informeert over het gebruik van medicijnen bij beëindiging van het eigen leven, een brief van 23 augustus 2003, een brief van 26 augustus 2003 waarin ik reageer op een brief van [JvT] van 21 augustus 2003 en een brief van 4 november 2003 waarin ik [JvT] mededeel dat ik haar verzoek inzake de virtuele apotheek in gedachten zal houden tot iemand zich aanmeldt die erbij past. Ik heb [JvT] door middel van deze brieven laten weten dat ik zou bemiddelen bij het ruilen van medicijnen. Deze medicijnen zijn slechts op voorschrift verkrijgbaar. Ik heb [JvT] het advies gegeven Tranxene op te sparen en een gedeelte daarvan naar mij te sturen. Ik zou dit medicijn ruilen tegen een ander geneesmiddel dat een dodelijke combinatie vormt met Tranxene. Ik heb inderdaad Tranxene van [JvT] ontvangen. Ik ben over de schreef gegaan door [JvT] te helpen bij haar suïcide".

(b) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb een boek geschreven met de titel "[genaamd ...]". Daarin staan mijn ervaringen die ik heb met patiënten (het hof begrijpt: mensen die zich tot hem wenden met een doodswens). Het boek is geschreven voor hulpverleners en mensen die er over denken om ook counselor te worden. Ik heb ook de brochure geschreven "[genaamd ...]". In de brochure staan verschillende methodes om het leven te beëindigen. Als mensen kiezen voor inname van medicijnen kan ik ze daarover informeren. Ik kan voor ze opzoeken wat bepaalde medicijnen voor hen kunnen betekenen. Ik heb de brochure aan haar opgestuurd.

Ik heb van [JvT] 80 tabletten Tranxene ontvangen en heb haar 30 capsules Depronal gestuurd. Ik had die Depronal ontvangen van een paar oudere dames met wie ik al acht jaar contact heb. Ik heb dat verborgen willen houden, omdat ik weet dat dat juridisch gezien een omstreden handeling is. Volgens mij had [JvT] zelf nog 80 tabletten Tranxene. Ik ben niet bevoegd om geneesmiddelen af te leveren.

[JvT] koos voor een methode van een dodelijke dosis medicijnen. Omdat zij de beschikking had over Tranxene is een combinatie met Depronal één van de mogelijkheden. Dat is een beproefde methode. De middelen versterken elkaar. Je gaat dood als je een voldoende mengsel van deze medicijnen inneemt.

Ik heb een brief aan [JvT] gestuurd. Dat is de brief die u me getoond heeft, gedateerd 4 november 2003. Aan die brief zit een geel memobriefje. De laatste twee letters "mg" zijn duidelijk in mijn handschrift. Ik heb dat briefje geschreven".

(c) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [NvT]:

"Ik ben de vader van [JvT], geboren op [geboortedatum] 1978, gewoond hebbende op het adres [a-straat 1] te [plaats]. [JvT] is in haar woning om het leven gekomen op 9 of 10 november 2003.

Op 10 november 2003 ben ik naar de woning van [JvT] gereden en heb ik aangebeld aan de voordeur. Er werd niet opengedaan. Ik heb een sleutel van de achterdeur en ben via die deur de woning binnengegaan. Ik zag dat [JvT] in bed lag. Haar hand voelde koud aan. Ik zag dat er wit schuim in haar neusgaten zat. Ik heb mijn vrouw gebeld en haar gevraagd om dokter en politie te bellen. De politie kwam bij de woning aan. Ook de schouwarts is gekomen en heeft geconstateerd dat [JvT] was overleden.

[Verbalisant 1] van de technische recherche attendeerde mij erop dat in de hals van [JvT] een lichte afdruk van een elastiek te zien was. Onder het hoofd van [JvT] lag een plastic zak en een kussensloop. Ik heb in eerste instantie die plastic zak niet gezien. Ik merkte die zak pas op toen [verbalisant 1] en de schouwarts het daarover hadden.

Ik vond in de woning afscheidsbrieven, onder anderen voor mij en mijn vrouw. Daarnaast vond ik een boekje "[genaamd ...]". In dat boekje zat een brief, geschreven door de auteur van het boek, [verdachte]. Ik wierp een blik op die brief. Ik zag onder meer de aanhef "[JvT]" en een zinsnede waarin geadviseerd werd om medicijnen achter te houden.

Er zijn brieven van [verdachte] in de woning van [JvT] aangetroffen. Er is een brief, gedateerd 4 november 2003, waarin [verdachte] schrijft dat hij het verzoek inzake de virtuele apotheek in gedachten zal houden tot iemand zich aanmeldt die erbij past. Aan die brief zit een geel zelfklevend memobriefje met de tekst: "stuurt U mij 80 T 10 mg U ontvangt dan 30 D 150 mg". [JvT] kreeg Tranxene voorgeschreven door de huisarts.

Ik heb begrepen dat u de brieven die ik bij [JvT] heb aangetroffen en het boekje "[genaamd ...]" via onze huisarts heeft ontvangen".

(d) een formulier van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer aan de Officier van Justitie, voor zover inhoudende:

"Ondergetekende [arts 1], gemeentelijk lijkschouwer, verklaart het lijk van [JvT], geboren op [geboortedatum] 1978, gewoond hebbende te [plaats], te hebben geschouwd; verklaart er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. De schouw vond plaats op 10 november 2003, thuis. Het beeld past bij suïcide door medicatie en verstikking".

(e) een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 10 november 2003 heb ik een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw. Het slachtoffer, [JvT] werd aangetroffen door haar vader, [NvT], te [plaats], [a-straat 1]. Het slachtoffer werd door mij liggend in bed aangetroffen. Uit de neusgaten van het slachtoffer kwam enig schuim. Onder het hoofd van het slachtoffer lag een kussensloop met daaromheen een plastic pedaalemmerzak. Om deze pedaalemmerzak zat een elastiekje. De sloop voelde klam aan en aan de binnenzijde van de plastic zak was vocht aanwezig. Bij het onderzoek van het lichaam, samen met de GGD-arts [arts 1], werd in de hals van het slachtoffer een lichte insnoering aangetroffen.

Op verzoek van de officier van justitie werd op 12 november 2003 door de GGD-arts [arts 2] een bloedmonster van het slachtoffer afgenomen. Het bloedmonster werd aan mij ter beschikking gesteld en zal worden gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk."

(f) een verslag van de gerechtelijk deskundige dr. K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende:

"In het bloed van [JvT] werden (dextro)propoxyfeen en desmehtyldiazepam, beide in werkzame concentratie, aangetoond.

Propoxyfeen =dextropropoxyfeen, merknaam Depronal(r).

Desmethyldiazepam is een bendodiazepine.

Desmethyldiazepam is als zodanig het werkzame bestanddeel van diverse producenten, maar kan ook in het lichaam ontstaan door omzetting van een ander benzodiazepine, zoals diazepam en clorazepaat (Tranxene(r)).

De dempende effecten van (dextro)propoxyfeen en desmethyldiazepam op de hersenen kunnen worden opgeteld. In dit geval is dat echter onvoldoende om het overlijden van [JvT] te verklaren. Mogelijk heeft ademhalingsbelemmering (mede) een rol gespeeld bij het overlijden".

(g) een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 10 november 2003 werd melding gemaakt van de niet natuurlijke dood/lijkvinding te [plaats] van [JvT]. Op diverse tijdstippen werden mij bescheiden ter hand gesteld ten behoeve van het onderzoek. Deze zijn in beslag genomen. Als los opgenomen documenten worden onder nummers 6 tot en met 21 de inbeslaggenomen bescheiden bij dit dossier gevoegd".

(h) een geschrift, voor zover inhoudende:

"Offerte.

[JvT]

[a-straat 1]

[postcode] [plaats]

[plaats], 8 augustus 2003.

Verschenen: [genaamd ...].

[verdachte]. Uitgave in eigen beheer.

Met vriendelijke groet,

[verdachte]"

(i) een geschrift, voor zover inhoudende:

"[JvT]

[a-straat 1]

[postcode] [plaats].

[plaats], 10 augustus 2003.

Geachte [JvT],

Naar aanleiding van uw brief met verzoek om informatie, zend ik u hierbij een folder van Stichting [A], alsmede informatie over het boek "[genaamd ...]".

Beschikt iemand over bepaalde medicijnen en vraagt hij of zij zich af of die te gebruiken zijn voor beëindiging van eigen leven, dan informeren wij op verzoek over hetgeen in de ons ter beschikking staande literatuur is gepubliceerd met betrekking tot eventuele risico's en de dodelijke dosis of dodelijke combinatie der beschikbare middelen, alsmede de wijze van innemen. Een nauwkeurige opgave van de in uw bezit zijnde medicijnen (aantal, sterkte in mg, naam, ook van de werkzame stof) is dan noodzakelijk.

Met vriendelijke groet,

[verdachte]."

(j) een geschrift, voor zover inhoudende:

"[JvT]

[a-straat 1]

[postcode] [plaats].

[plaats], 23 augustus 2003.

Geachte [JvT],

Naar aanleiding van uw brief van 21/08/03 deel ik u mede dat, als u kiest voor een methode met een dodelijke overdosis of combinatie, er misschien wel een mogelijkheid is. ... Als het u lukt door klagen een zwaardere dosis te krijgen zou u kunnen gaan sparen voor een hoeveelheid die levensgevaarlijk is en in combinatie met een pijnstiller (zie verderop) dodelijk. Die pijnstiller zou u kunnen krijgen door zoveel Tranxene te sparen dat u door ruiling over het gewenste mengsel kunt beschikken. ... In uw geval zou een overdosis van 40 x 20 mg Tranxene en 30 x 150 mg Depronal een geschikt mengsel kunnen zijn.

Met vriendelijke groet,

[verdachte]"

(k) een geschrift, voor zover inhoudende:

"[JvT]

[a-straat 1]

[postcode] [plaats].

[plaats], 26 augustus 2003.

Geachte [JvT],

Naar aanleiding van uw brief van 21/8/03 deel ik u het volgende mede. U noemde Efecor, ik vond EFEXOR, merknaam voor venlafaxine, antidepressivum uit de groep serotonine-heropnameremmers waartoe ook Prozac behoort. [W]*) noemt medicijnen uit deze groep "minder giftig en dus geen ideale zelfmoordmiddelen". U vroeg naar de werking van andere Antidepressiva. Op bijlage een overzicht van bekende tricyclische antidepressiva, met name generieke stof en Merknamen. Daaruit kun je afleiden dat Amitriptyline het meest voor de hand ligt, het wordt ook vaak voorgeschreven. Bij pillen van 10 mg betekent dat wel dat 600 pillen moeten worden verpoederd (bij 25 mg 240 pillen) en dat bij het innemen aanvullend ook een slaapmiddel moet worden gebruikt (+ alcohol en tevoren antibraakmiddel) Voor het klein maken van de pillen is een tabletvergruizer bij de apotheek verkrijgbaar. Succes met uw verdere maatregelen.

Met vriendelijke groet,

[verdachte]"

(l) een geschrift, voor zover inhoudende:

"[JvT]

[a-straat 1]

[postcode] [plaats].

[plaats], 4 november 2003.

Geachte [JvT],

Uw verzoek inzake de virtuele apotheek zal ik in gedachten houden tot iemand zich aanmeld die erbij past.

Met vriendelijke groet,

[verdachte]"

(m) een geschrift, zijnde een met de hand geschreven memobriefje (bevestigd aan het onder (l) vermelde geschrift),

inhoudende:

"Stuurt u mij 80 T 10 mg U ontvangt dan 30 D 150 mg"

(n) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [de huisarts]:

"Ik ben huisarts, verbonden aan de huisartsenpost te [plaats]. Op 9 november 2004 (het hof begrijpt: 2003) werd ik gebeld door [JvT]. Ze vertelde mij over de dreiging van een aankomende suïcide. Ik heb haar gezegd dat zij bij mij kon komen op de huisartsenpost.

Tien minuten later kwam ze bij mij. Ik hoorde van haar het volgende. Ze had van de Stichting [A] capsules van 150 mg Depronal per post ontvangen in ruil voor haar eigen medicijn Tranxene. Ze vertelde dat ze de Depronal had ontvangen, zodat ze een einde aan haar leven kon maken. Ik heb [JvT] verteld dat de ontvangen hoeveelheid Depronal ruim voldoende zou zijn om een einde aan haar leven te maken. Ik kreeg de indruk dat [JvT] een soort dwang voelde de medicijnen die ze had ontvangen in te nemen, terwijl ze het eigenlijk nog niet wilde. Ze kwam dus met een soort hulpvraag bij mij. Ik heb voorgesteld een psychiater te laten komen. [JvT] heeft gewacht op de psychiater, [de psychiater]. Ze heeft een tijd met [de psychiater] gesproken".

(o) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [de psychiater]:

"Ik ben psychiater, verbonden aan GGZ-centrum [plaats]. Ik verricht diensten als de huisartsenpost te [plaats] daarom vraagt. Op 9 november 2003 werd ik gebeld door arts [de huisarts]. Hij verzocht mij zijn gesprek met [JvT] over te nemen. Ik heb op 9 november 2003 een gesprek gehad met [JvT]. Ze vertelde mij het volgende. Ze had dezelfde week per post een dodelijke dosis medicijnen ontvangen van Stichting [A] in ruil van haar medicijn Tranxene. [JvT] voelde zich nu min of mee verplicht ten opzichte van haar contactpersoon van Stichting [A] om die medicijnen in te nemen. Zij wilde eigenlijk niet dood op dat moment, terwijl aan de andere kant zij doordat die medicijnen thuis lagen de gedachte aan inname niet uit haar hoofd kon zetten. Zij vroeg mij om advies over hoe zij moest omgaan met die medicamenten."

3.3. Het Hof heeft een ter terechtzitting gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte behulpzaam is geweest bij de zelfdoding van [JvT], aangezien er geen causaal verband bestaat tussen de door de verdachte aan [JvT] geboden hulp en die zelfdoding. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven:

a) De verdachte heeft [JvT] medegedeeld dat het innemen van een combinatie van 30 capsules van 150 mg Depronal en 40 tabletten van 20 mg Tranxene dodelijk zou zijn en hij heeft haar voormelde hoeveelheid Depronal toegezonden. Uit het deskundigenrapport betreffende het toxicologisch onderzoek blijkt dat de in het bloed van [JvT] aangetroffen concentratie van Depronal en Tranxene onvoldoende was om het overlijden te kunnen verklaren. [JvT] heeft derhalve niet overeenkomstig de door de verdachte verschafte informatie gehandeld.

b) Volgens voormeld deskundigenrapport heeft ademhalingsbelemmering mede een rol gespeeld bij het overlijden. De verdachte heeft [JvT] niet geïnformeerd omtrent het gebruik van een plastic zak teneinde verstikking te bevorderen. [JvT] heeft dus haar eigen methode van zelfdoding gekozen, waarbij niet kan worden uitgesloten dat een derde haar daarbij behulpzaam is geweest.

c) [JvT] beschikte reeds omstreeks 4 november 2004 [de Hoge Raad leest: 2003] over de middelen om zichzelf van het leven te beroven, waaronder het door de verdachte aangereikte middel Depronal, maar heeft daarna nog gesproken met huisarts [de huisarts] en de psychiater [de psychiater]. Na haar contacten met [de huisarts] en [de psychiater] heeft zij geen contact meer gehad met de verdachte. De beïnvloeding door de verdachte was toen niet meer concreet en rechtstreeks genoeg om van behulpzaamheid te kunnen spreken.

d) In haar afscheidsbrief rept [JvT] met geen woord over de verdachte en geeft zij zelfs impliciet aan dat hij geen schuld heeft aan haar levensberoving.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft [JvT] medegedeeld dat het innemen van een combinatie van een bepaalde hoeveelheid Tranxene en een bepaalde hoeveelheid Depronal dodelijk is. Voorts heeft hij haar medegedeeld (zo begrijpt het hof uit het door de verdachte geschreven gele memobriefje, geplakt op de brief van de verdachte aan [JvT] de dato 4 november 2003) dat hij haar de voor zelfdoding benodigde hoeveelheid van 30 capsules van 150 mg Depronal kon doen toekomen op voorwaarde dat zij hem 80 tabletten Tranxene van de in haar bezit zijnde tabletten zou toezenden. Nadat [JvT] hem dit aantal tabletten had toegezonden - en de verdachte aldus wist dat zij daadwerkelijk over Tranxene kon beschikken - heeft hij haar voormelde 30 capsules Depronal geleverd. In het bloed van [JvT] zijn chemische bestanddelen in werkzame concentraties aangetroffen die kunnen worden verklaard door de inname van zowel Tranxene als van Depronal. Het is niet aan redelijke twijfel onderhevig dat deze stoffen een rol hebben gespeeld bij de zelfdoding van [JvT].

Nog daargelaten de vraag in hoeverre er causaal verband dient te bestaan tussen de verleende hulp en de verstrekte middelen en de wijze waarop de zelfdoding uiteindelijk heeft plaats gevonden, is in het onderhavige geval zeker sprake van een dergelijk causaal verband. De door de raadsman aangevoerde, hierboven onder b en d genoemde omstandigheden kunnen daar niet aan af doen.

Ook de onder c genoemde omstandigheid doorbreekt het causale verband geenszins. Uit de verklaringen van de huisarts [de huisarts] en de psychiater [de psychiater] blijkt juist hoezeer de toezending van de medicijnen door de verdachte van invloed is geweest bij [JvT]'s kennelijke worsteling om tot een besluit te komen.

Het verweer wordt derhalve verworpen."

4. Beoordeling van het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat van hulp bij zelfdoding geen sprake is omdat er geen, althans onvoldoende causaal verband bestaat tussen de door de verdachte geboden hulp en de zelfdoding, ten onrechte en op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

4.2. Art. 294, tweede lid, Sr luidt aldus:

"Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing."

4.3. Voor zover het middel berust op de opvatting dat van strafbaarheid ingevolge art. 294, tweede lid, Sr eerst sprake kan zijn indien tussen de geboden hulp en/of de verschafte middelen enerzijds en de zelfdoding anderzijds een causaal verband bestaat, faalt het aangezien die opvatting geen steun vindt in het recht. Bij de vraag of de verdachte behulpzaam is geweest of middelen heeft verschaft zoals bedoeld in art. 294, tweede lid, Sr gaat het erom of de verdachte het door zijn handelen voor de ander mogelijk of gemakkelijker heeft gemaakt om zichzelf te doden, terwijl voor de strafbaarheid daarnaast niet meer wordt vereist dan dat de zelfdoding heeft plaatsgevonden.

4.4. Ook overigens faalt het middel. Gelet op het hiervoor onder 4.3 overwogene geeft het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval bewezen kon worden verklaard dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest en middelen heeft verschaft in de in art. 294, tweede lid, Sr bedoelde zin, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk is of ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het Hof onder meer heeft vastgesteld dat:

(i) de verdachte [JvT] schriftelijk heeft geïnformeerd over de dodelijke combinatie van Depronal en Tranxene;

(ii) de verdachte [JvT] heeft gewezen op de mogelijkheid om door ruiling van overtollige Tranxene Depronal te verkrijgen;

(iii) op initiatief van de verdachte de ruiling plaatsvond, in die zin dat [JvT] de verdachte op diens voorstel 80 tabletten Tranxene heeft toegezonden en de verdachte 30 tabletten Depronal aan [JvT] heeft doen toekomen; en

(iv) in het bloed van [JvT] na de zelfdoding chemische bestanddelen in werkzame concentraties zijn aangetroffen die kunnen worden verklaard door de inname van zowel Tranxene als Depronal.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 18 maart 2008.