Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC4459

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
00839/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC4459
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweerexces. Casus: verdachte stelt door een bejaarde man bij zijn testikels te zijn vastgehouden en overmand door intense pijn de man met een zware vaas op het hoofd te hebben geslagen, waardoor deze is overleden. HR: Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging o.g.v. art. 41.2 Sr (het zogenoemde noodweerexces) niet strafbaar is indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk “onmiddellijk gevolg” sprake is geweest komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat, ook indien van de door en namens verdachte gestelde feiten zou moeten worden uitgegaan, de door verdachte gepleegde doodslag niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, waarbij het Hof in het bijzonder belang heeft toegekend aan de mate van disproportionaliteit van de bewezenverklaarde gedraging. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij heeft de HR gelet op de door verdachte gestelde aanranding en de door het Hof bewezenverklaarde doodslag en mede in aanmerking genomen hetgeen omtrent de hevige gemoedsbeweging is aangevoerd. CAG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 180
NBSTRAF 2008/180
Ars Aequi AA20080448 met annotatie van Th.A. de Roos
JOL 2008, 284
RvdW 2008, 428
NJ 2008, 312
NJB 2008, 979

Uitspraak

8 april 2008

Strafkamer

nr. 00839/07

DV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 december 2006, nummer 23/002565-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven" te Veenhuizen.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 30 mei 2006 - de verdachte ter zake van "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing of terugwijzing van de zaak opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het vierde middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het beroep op noodweerexces heeft verworpen.

4.2 Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

"hij in de periode van 23 april 2005 tot en met 17 juni 2005 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1918) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] op 23 april 2005 met kracht met een vaas op zijn hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 17 juni 2005 is overleden."

4.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Subsidiair heeft hij een beroep gedaan op noodweerexces. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft er in toegestemd dat [slachtoffer] op 23 april 2005 in zijn woning in Amsterdam oraal seksuele handelingen met verdachte verrichtte. Toen een erectie bij verdachte uitbleef, beledigde [slachtoffer] verdachte door te zeggen dat verdachte impotent was en een mislukkeling. Verdachte besloot weg te gaan, maar werd dat onmogelijk gemaakt doordat [slachtoffer] verdachte bij zijn testikels greep. Verdachte voelde toen hevige pijn en sloeg [slachtoffer] in het gezicht om hem te doen ophouden. [Slachtoffer] kneep echter nog harder, waardoor verdachte overmand door intense pijn een vaas heeft gepakt en daarmee op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Verdachte was gerechtigd om zich te verdedigen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer]. Als verdachte daarmee de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, komt hem als gevolg van de intense pijn die hij door het handelen van [slachtoffer] ervoer een beroep op noodweerexces toe.

De advocaat-generaal heeft tot verwerping van beide verweren geconcludeerd.

Het hof verwerpt beide verweren en overweegt ten aanzien van die verweren als volgt.

Wat van de juistheid van de namens verdachte aangevoerde feiten en omstandigheden ook zij, naar het oordeel van het hof kunnen die niet leiden tot een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces. Hoewel het gestelde handelen van [slachtoffer] een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding oplevert waartegen een verdediging door verdachte gerechtvaardigd was, was naar het oordeel van het hof de reactie daarop van verdachte niet geboden. Het was disproportioneel en voldeed niet aan de daaraan te stellen eisen van subsidiariteit. Dat er voor verdachte geen andere, minder gewelddadige middelen waren om een einde te maken aan de gestelde wederrechtelijke aanranding is uit de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep en op grond van de stukken naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden uitgesloten dat de door verdachte gestelde intense pijn een hevige gemoedsbeweging kan veroorzaken waardoor grenzen van een noodzakelijke verdediging kunnen worden overschreden. Dat betekent echter niet dat verdachte met een beroep op een dergelijke gemoedsbeweging zijn schuld aan het bewezen verklaard feit kan uitsluiten. Het hof is van oordeel dat het slaan met een zware vaas op het hoofd van een 86-jarige man door een 38-jarige man, afgewogen tegen de aard en ernst van de gestelde aanranding, een zodanig disproportionele reactie is, dat die verdachte niet kan disculperen. Met andere woorden: als waar is wat verdachte heeft gesteld dat hij hard in zijn testikels is geknepen door [slachtoffer], dan nog had hij zijn aanrander niet mogen doodslaan."

4.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden voor opgesteld dat een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging op grond van art. 41, tweede lid, Sr (het zogenoemde noodweerexces) niet strafbaar is indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk "onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

4.5. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat, ook indien van de door en namens de verdachte gestelde feiten zou moeten worden uitgegaan, de door de verdachte gepleegde doodslag niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, waarbij het Hof in het bijzonder belang heeft toegekend aan de mate van disproportionaliteit van de bewezenverklaarde gedraging. Dat oordeel getuigt, gelet op het hiervoor onder 4.4 overwogene, niet van een onjuiste rechtopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij heeft de Hoge Raad gelet op de door de verdachte gestelde aanranding en de door het Hof bewezenverklaarde doodslag en mede in aanmerking genomen hetgeen omtrent de hevige gemoedsbeweging is aangevoerd.

4.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 april 2008.