Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC4329

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
42808
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 2 Uitvoeringsbesluit BPM 1992; vereiste van aanvraag van vrijstellingsvergunning voor aanvang van gebruik van openbare weg in Nederland met personenauto of motorrijwiel in strijd met artikel 39 EG?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/127 met annotatie van B.A. van Brummelen
V-N 2008/11.19 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.808

15 februari 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 april 2006, nr. 03/01253, betreffende een aanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM).

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de BPM opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie

4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat een verzoek om toepassing van de vrijstelling van BPM bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 bij de inspecteur moet worden ingediend voor de aanvang van het gebruik van de openbare weg in Nederland met de personenauto of het motorrijwiel. Nu in dit geval aan deze voorwaarde niet is voldaan, kan belanghebbende zich naar het oordeel van het Hof niet met vrucht beroepen op de vrijstelling van BPM. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende moet worden aangemerkt als de belastingplichtige en dat daaraan niet afdoet dat belanghebbende de personenauto indertijd niet blijvend tot zijn beschikking had en dat hij steeds na korte perioden van gebruik een ander voertuig ter beschikking kreeg.

4.2.1. Uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 21 maart 2002, Cura Anlagen, C-451/99, Jurispr. I-3193, van 15 september 2005, Commissie/Denemarken, C-464/02, Jurispr. I-07929, en van 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. I-11203, volgt dat het vrije verkeer van werknemers zoals omschreven in artikel 39 EG eraan in de weg staat dat van een in een lidstaat wonende natuurlijke persoon die in een andere lidstaat een betrekking uitoefent en voor beroepsmatige doeleinden gebruik maakt van een aan de werkgever toebehorende personenauto die in die andere lidstaat, waar de onderneming van de werkgever is gevestigd, is geregistreerd, met betrekking tot de personenauto een belasting wordt gevorderd zonder rekening te houden met de duur van het gebruik van de auto, wanneer de auto niet hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat en daar ook feitelijk niet duurzaam wordt gebruikt.

4.2.2. Hoewel het op grond van voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie niet is uitgesloten dat een lidstaat ter toetsing van de toepasselijkheid van artikel 39 EG een procedure voorschrijft ter verificatie door de nationale autoriteiten van de feitelijke grondslag van die toepasselijkheid, dient met betrekking tot het gevolg dat wordt verbonden aan het door een belanghebbende niet inachtnemen van die procedure het evenredigheidsbeginsel te worden geëerbiedigd. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat indien een gebruiker van een auto met een buitenlands kenteken verkeert in een situatie waarin hij ter zake van het gebruik van die auto met vrucht een beroep kan doen op artikel 39 EG om verschoond te blijven van een belemmering van dat gebruik, het heffen van een belasting tot een bedrag als waarin de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 voorziet, niet kan gelden als een met het evenredigheidsbeginsel strokende sanctie op het niet naleven van procedurele voorschriften in voormelde zin. Het heffen van BPM dient in een geval als het onderhavige derhalve niet te geschieden vooraleer de inspecteur zich een oordeel heeft gevormd over de vraag of aannemelijk is dat degene van wie de belasting wordt geheven, verkeert in bovenvermelde situatie. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet van een dergelijke beoordeling.

4.3. Gelet op het in 4.2.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek ter beantwoording van de vraag of belanghebbende de onderhavige auto ter beschikking was gesteld onder omstandigheden waarin een onbelemmerd gebruik door hem van de auto moet worden gezien als een uitvloeisel van de door artikel 39 EG gewaarborgde vrijheid van werknemersverkeer. De klachten behoeven verder geen behandeling.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 207.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2008.