Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC4061

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
07-03-2008
Zaaknummer
C06/337HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC4061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Dagvaarding van overblijvende rechtspersoon (splitsing/fusie). Aansprakelijkheidsrecht. Onrechtmatige hinder; afgewezen vordering tuinbouwbedrijf e.a. tegen afvalverwerkingsbedrijf tot vergoeding van schade door naar perceel en kassen overgewaaid stof; relativiteitsvereiste (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-03-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 176
RvdW 2008, 295
JWB 2008/116

Uitspraak

7 maart 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/337HR

JMH/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

2. [Eiser 2],

3. [Eiser 3],

gevestigd respectievelijk wonende te [plaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

2. [Verweerster 2], als rechtsopvolgster door fusie/splitsing van [A] B.V.,

3. [Verweerster 3], als rechtsopvolgster door fusie/splitsing van [B] B.V.,

alle gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] c.s. hebben bij exploot van 5 januari 1990 [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd en voor zover thans nog van belang, [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de door hen geleden schade van ƒ 427.903,-- en schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft, na een tussenvonnis van 15 januari 1992, waarbij een comparitie van partij is gelast en na een tussenvonnis van 30 juni 1993, waarbij [eiser] c.s. tot bewijslevering zijn toegelaten, bij eindvonnis van 20 mei 1998 de vordering afgewezen.

Tegen deze drie vonnissen hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep hebben [eiser] c.s. hun vordering aangepast. [Verweerster] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, welk beroep thans niet (meer) van belang is.

Het hof heeft na een tussenarrest van 16 april 2003, waarbij [eiser] c.s. tot bewijslevering zijn toegelaten, bij eindarrest van 19 juli 2006 de bestreden vonnissen onder verbetering van gronden bekrachtigd.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover ingesteld door [eisers 2 en 3] en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 5.905,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 maart 2008.