Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC3741

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-2008
Datum publicatie
07-10-2008
Zaaknummer
01951/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC3741
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4170, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Beslissing gelijktijdige behandeling. 2. Gebruik als bewijs van bescheiden van een vreemde staat; art. 344.1 Sv. Ad 1. ’s Hofs beslissing om de samenhangende zaken niet langer gelijktijdig te behandelen, is niet een rechterlijke beslissing waartegen ex art. 78 RO beroep in cassatie openstaat. Ad 2. De wijziging van art. 344.1.3° Sv (Wet van 28-9-2006, Stb. 460) heeft tot gevolg dat de eis inz. de bewijsbestemming is komen te vervallen en dat de bewijswaarde van een geschrift dat is opgemaakt door een persoon in openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie, is gelijkgesteld aan de bewijswaarde van een gelijksoortig NL geschrift. De in het middel bedoelde Duitse geschriften heeft het Hof kennelijk aangemerkt als een geschrift i.d.z.v. art. 344.1.3° Sv en dat is gelet op de wetsgeschiedenis onjuist, noch onbegrijpelijk. De HR tekent daarbij aan dat mede gelet op de wetsgeschiedenis, de bewijsregel van art. 344.2 Sv niet van toepassing is op geschriften a.b.i. art. 344.1.3° Sv.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 78
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 344
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 726
NJ 2009, 107 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2008, 939
NJB 2008, 1934
NBSTRAF 2008/421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 oktober 2008

Strafkamer

nr. 01951/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 december 2006, nummer 20/001887-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Brabant Noord "Oosterhoek" te Grave.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, van 25 maart 2004 - de verdachte ter zake van 1 primair "medeplegen van moord, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 3. "medeplegen van opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben en vervoeren" veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Voorst is de teruggave gelast aan de verdachte van inbeslaggenomen voorwerpen.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd en aanvullend geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt over de beslissing van het Hof om de zaken van de verdachte en zijn medeverdachte niet langer gelijktijdig te behandelen.

3.2. De beslissing van het Hof om de samenhangende zaken niet langer gelijktijdig te behandelen, is niet een rechterlijke beslissing waartegen op de voet van art. 78 RO beroep in cassatie openstaat. Daarop stuit de klacht af.

3.3. Voorts klaagt het middel dat het Hof ten onrechte de voor het bewijs gebezigde (vertaalde) Duitse bescheiden niet als andere geschriften in de zin van art. 344, eerste lid onder 5º, Sv heeft aangemerkt.

3.4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 26 februari 2003 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg kogels in de hoofden en lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en in het hoofd van [slachtoffer 3] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn overleden;

2. hij op 26 februari 2003 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 80.000 zogenaamde XTC-tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. hij in de periode van 22 februari 2003 tot en met 26 februari 2003 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk eurobankbiljetten ter waarde van in totaal ongeveer 130.000 euro, waarvan de valsheid verdachtes mededader, toen hij die bankbiljetten ontving bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd."

3.4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Deze aanvulling is aan dit arrest gehecht.

3.4.3. In die aanvulling heeft het Hof bij de weergave van de bewijsmiddelen onder 10, 12, 13, 15 tot en met 18 alsmede 20 tot en met 22 telkens vermeld dat het gaat om een Nederlandse vertaling van een proces-verbaal van een door de Duitse politie in Berlijn in het Duits afgenomen verhoor, en bij de weergave van de bewijsmiddelen onder 23 en 24 dat het gaat om een Nederlandse vertaling van een proces-verbaal van een door een rechter in het Amtsgericht te Berlijn in het Duits afgenomen getuigenverhoor. Bij de weergave van de bewijsmiddelen onder de nummers 26 en 27 heeft het Hof vermeld dat het betreft een Nederlandse vertaling van een in het Duits opgemaakt technisch rapport van het Instituut Politietechnisch Onderzoek.

3.5.1. Bij Wet van 28 september 2006, Stb. 460, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het treffen van een regeling inzake het verhoor van afgeschermde getuigen en enkele andere onderwerpen (afgeschermde getuigen), is onderdeel 3 van het eerste lid van art. 344 Sv gewijzigd. Deze wet is in werking getreden op 1 november 2006 en bevat in artikel II als bepaling van overgangsrecht dat de bedoelde wijziging van art. 344 Sv niet van toepassing is in strafzaken waarin het onderzoek op de terechtzitting is gesloten op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt. Het onderzoek in de onderhavige zaak is gesloten op 28 november 2006.

3.5.2. Het aldus te dezen toepasselijke onderdeel van art. 344, eerste lid, Sv luidt als volgt:

"1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:

(...)

3º geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst, alsmede geschriften, opgemaakt door een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie."

3.5.3. De wijziging van art. 344, eerste lid onder 3º, Sv, heeft - kort gezegd en voor zover hier van belang - tot gevolg dat de eis inzake de bewijsbestemming van de in dat artikelonderdeel genoemde geschriften is komen te vervallen en voorts dat de bewijswaarde van een geschrift dat is opgemaakt door een persoon in openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie, is gelijkgesteld aan de bewijswaarde van een gelijksoortig Nederlands geschrift.

3.6. De in het middel bedoelde Duitse geschriften heeft het Hof kennelijk telkens aangemerkt als een geschrift in de zin van art. 344, eerste lid onder 3º, Sv. Gelet op de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in de, aan dit arrest gehechte, aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad tekent hierbij aan dat, mede gelet op de wetsgeschiedenis, op de geschriften als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 3º, Sv niet van toepassing is de bewijsregel van art. 344, tweede lid, Sv, die inhoudt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter kan worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

3.7. De klacht faalt derhalve.

4. Beoordeling van de middelen voor het overige

Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is in de cassatiefase overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig

rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 7 oktober 2008.