Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC3354

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
R07/117HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC3354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht; voorlopig getuigenverhoor, strekking; stelplicht verzoeker, aannemelijkheid schade?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 449
NJ 2008, 323
RvdW 2008, 595
RAV 2008, 78
NJB 2008, 1338
JWB 2008/257
AA20080902 met annotatie van H.B. Krans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juni 2008

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/117HR

JMH/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 3 november 2005 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft [verzoeker] zich gewend tot die rechtbank en verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.

De Staat heeft het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 13 juli 2006 het verzoek van [verzoeker] afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 15 maart 2007 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en ver-wijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verzoeker] is ter zake van het medeplegen van invoer van cocaïne onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en het betalen van een geldboete van € 8.670,--.

(ii) In het kader van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is [verzoeker] voorts de verplichting opgelegd om aan de Staat een bedrag van € 634.986,-- te betalen. Deze beslissing was ten tijde van de bestreden beschikking nog niet onherroepelijk.

3.2.1 [Verzoeker] heeft in eerste aanleg aan zijn hiervoor onder 1 vermelde verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor de stelling ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld door in de hiervoor in 3.1 bedoelde straf- en ontnemingsprocedures gebruik te maken van getuigenverklaringen en processen-verbaal die in strijd met de waarheid zijn opgesteld, door ten onrechte, namelijk voordat [verzoeker] als verdachte was aangemerkt, opsporings- en dwangmiddelen toe te passen en door overigens op onrechtmatige wijze inbreuk te maken op zijn persoonlijke levenssfeer. [Verzoeker] stelde voornemens te zijn een civiele procedure tegen de Staat aanhangig te maken en daarin een verklaring voor recht terzake en vergoeding van materiële en immateriële schade te vorderen.

De rechtbank heeft het verzoek als in strijd met een goede procesorde afgewezen, overwegende, voor zover in cassatie van belang, dat bij gebreke van een gegrond verklaarde aanvrage tot herziening als bedoeld in art. 457 e.v. Sv., geen sprake is van een geschil dat door de burgerlijke rechter moet worden beslist.

3.2.2 In hoger beroep heeft [verzoeker] de grondslag van zijn verzoek aldus gewijzigd dat hij heeft gesteld in de beoogde procedure nog slechts immateriële schade te zullen vorderen, die hij stelt geleden te hebben doordat in het strafrechtelijk onderzoek door de hiervoor genoemde gedragingen van de Staat onrechtmatig inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en het strafdossier is gemanipuleerd.

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het overwoog daartoe:

"3.5 Geestelijk letsel kan, mits genoeg ernstig, worden aangemerkt als een aantasting in de persoon die recht geeft op schadevergoeding. Een meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen is daarvoor echter niet voldoende. Daarenboven is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. [Verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inbreuk op zijn privacy van dien aard is en dat zijn vertrouwen in de rechtstaat zodanig ernstig is geschokt dat sprake is van een aantasting van zijn persoon die recht geeft op schadevergoeding. Aldus is niet aannemelijk dat [verzoeker] enige schade heeft geleden. Bij gebreke daarvan moet worden geoordeeld dat [verzoeker] geen rechtsvordering tegen de Staat op de door hem aangevoerde gronden toekomt en dat [verzoeker] geen belang heeft bij het onderhavige verzoek. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dient derhalve op de grond dat van de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verlangen misbruik wordt gemaakt, te worden afgewezen."

3.3 Het middel behelst onder meer de klacht dat het hof aldus heeft miskend dat in deze procedure niet aan de orde is de vraag of [verzoeker] aannemelijk heeft gemaakt dat hij enige schade (als door hem gesteld) heeft geleden en dat de rechter in het kader van de vraag of een voorlopig getuigenverhoor al dan niet voor toewijzing in aanmerking komt, geen discretionaire bevoegdheid heeft.

3.4 Deze rechtsklacht slaagt. Door te oordelen dat [verzoeker] aannemelijk diende te maken dat hij schade heeft geleden, meer in het bijzonder dat de inbreuk op zijn privacy van dien aard is geweest en zijn vertrouwen in de rechtstaat zodanig ernstig geschokt dat sprake is van een aantasting van zijn persoon die recht geeft op schadevergoeding, heeft het hof miskend dat in de onderhavige procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering niet ter toetsing voorligt. Een voorlopig getuigenverhoor strekt in een geval als het onderhavige ertoe verzoeker de gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de voor het geding van belang zijnde feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen (vgl. HR 24 maart 1995, nr. 8573, NJ 1998, 414). Om die reden behoeft de verzoeker niet aannemelijk te maken dat hij enige schade heeft geleden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 maart 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 345,38 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 juni 2008.