Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC3303

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
C06/303HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC3303
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBUTR:2001:ZL1123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Geschil tussen pandgever en pandhouder over schadevergoeding na een onderhandse in plaats van executoriale verkoop van de in pand gegeven goederen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 267
RvdW 2008, 398
JWB 2008/166

Uitspraak

4 april 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/303HR

IV/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

PANTAPHARMA BEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Pantapharma.

1. Het geding in feitelijke instanties

Pantapharma heeft bij exploot van 7 december 1998 [eiser] en [betrokkene 1] gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en gevorderd, kort gezegd, [eiser] en [betrokkene 1] te veroordelen tot betaling van ƒ 975.786,-- met rente en kosten.

[Eiser] en [betrokkene 1] hebben de vordering bestreden en in reconventie gevorderd, kort gezegd, een verklaring voor recht dat Pantapharma jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en een veroordeling van Pantapharma tot betaling aan hen van een schadevergoeding van ƒ 1.310.637,05 met rente.

Bij tussenvonnis van 10 februari 1999 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Ter comparitie van 3 maart 1999 heeft de rechtbank aan beide partijen een bewijsopdracht gegeven.

Na getuigenverhoor heeft de rechtbank bij eindvonnis van 21 februari 2001 de vordering in conventie van Pantapharma afgewezen, en in reconventie de vordering van [betrokkene 1] afgewezen en die van [eiser] ten dele toegewezen.

Tegen de vonnissen van de rechtbank heeft Pantapharma hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Na tussenarresten van 27 februari 2003 en 6 mei 2004, heeft het hof bij eindarrest van 13 juli 2006 het eindvonnis van de rechtbank grotendeels vernietigd en [eiser] veroordeeld tot betaling van € 81.046,23 aan Pantapharma.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Pantapharma heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Pantapharma begroot op € 2.501,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 4 april 2008.