Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC2597

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
41116
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 35 Wet IB 1964. Naar Antillen uitgezonden ambtenaar. KabNa-aftrek. Gelijkheidsbeginsel. Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/215 met annotatie van Okhuizen
FutD 2008-0176
BNB 2008/76
V-N 2008/7.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.116

25 januari 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 2004, nr. 03/02034, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is belastingambtenaar en is in dienstbetrekking bij het Ministerie van Financiën. Met ingang van 1 februari 1995 tot 1 augustus 1999 was hij in het kader van technische bijstandverlening aan de Nederlandse Antillen en Aruba uitgezonden naar Sint Maarten. In deze periode bleef belanghebbendes dienstbetrekking bij het Nederlandse Ministerie van Financiën voortduren. Belanghebbende woonde in 1999 tot en met 17 augustus op Sint Maarten. Vanaf 17 augustus 1999 woont belanghebbende in Nederland.

3.1.2. Belanghebbende ontving zijn salaris van het Nederlandse Ministerie van Financiën. Daarnaast ontving belanghebbende in het onderhavige jaar een onbelaste buitenlandtoelage van ƒ 16.065 en een maandelijkse onbelaste tegemoetkoming in de huisvestingskosten.

3.1.3. De Inspecteur is bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. Voor zover in cassatie van belang heeft de Inspecteur gecorrigeerd de door belanghebbende voor de maand augustus in aanmerking genomen zogenoemde KabNA-aftrek in verband met de uitzending naar Sint Maarten, de door belanghebbende in aanmerking genomen kosten van een tweede transport van inboedel vanaf Sint Maarten naar Nederland alsmede de door belanghebbende in aanmerking genomen kosten ter zake van dubbele woonlasten.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat aftrek, op basis van het gelijkheidsbeginsel, van het verschil tussen de door belanghebbende ontvangen buitenlandtoelage en de buitenlandtoelage van uitgezonden KabNA-ambtenaren en Defensiepersoneel, zoals aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 1993, nr. 28867, BNB 1993/299, slechts kan plaatsvinden voor zover door belanghebbende een buitenlandtoelage wordt ontvangen. Nu vaststaat dat belanghebbende in augustus in het geheel geen buitenlandtoelage heeft ontvangen, kan belanghebbende - aldus het Hof - niet met succes een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel. Middel 1 richt zich tegen dit oordeel.

3.2.2. Naar het middel terecht betoogt, heeft het Hof de toepassing van het gelijkheidsbeginsel ten onrechte beperkt tot gevallen waarin feitelijk een buitenlandtoelage is ontvangen. Die toepassing wordt ook niet reeds verhinderd door de omstandigheid dat, zoals het Hof aan het slot van zijn onderdeel 5.1.1 heeft vastgesteld, de door belanghebbende gestelde (verlenging van de) uitzending niet in een daartoe genomen besluit is vastgelegd. Ook indien in de periode van 1 augustus tot en met 13 augustus 1999 weliswaar niet formeel, maar wel feitelijk sprake was van een verlenging van de uitzending, zoals belanghebbende voor het Hof heeft gesteld, is sprake van een situatie waarin evenals in het geval dat aan de orde was in het hiervoor in 3.2.1 vermelde arrest recht bestaat op aftrek van kosten op grond van het gelijkheidsbeginsel, nu de Inspecteur voor het overige de vergelijkbaarheid van de gevallen niet heeft betwist. Middel 1 slaagt derhalve.

3.3.1. Voor het Hof heeft belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan, inhoudende dat hij een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan een toezegging van de Inspecteur dat de kosten van het tweede transport van inboedel aftrekbaar zijn, welke toezegging is gedaan tijdens een op 27 februari 2003 gehouden hoorgesprek en is vastgelegd in de passage uit het hoorverslag van 3 maart 2003 die in onderdeel 5.2.2 van de uitspraak van het Hof is weergegeven.

3.3.2. Het Hof heeft dit beroep verworpen met de redengeving dat belanghebbende na afloop van het hoorgesprek nadere feiten heeft verstrekt die zodanige betekenis hadden voor de beoordeling van de aftrekbaarheid van de transportkosten dat belanghebbende geen in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan voormelde toezegging.

3.3.3. Middel 2 bestrijdt deze redengeving met vrucht. Het Hof doelt, waar het spreekt over het door belanghebbende na afloop van het hoorgesprek verstrekken van nadere feiten, klaarblijkelijk op het in onderdeel 5.2.2 van zijn uitspraak geciteerde deel van een e-mailbericht van belanghebbende aan de Inspecteur van 27 februari 2003. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt evenwel niet in te zien in welk opzicht de daar vermelde feiten de door het Hof daaraan toegekende betekenis hebben voor de beoordeling van de aftrekbaarheid van de transportkosten. Ook middel 2 slaagt.

3.4. Middel 3 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5. Wegens gegrondbevinding van de middelen 1 en 2 kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van € 102.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2008.