Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC2319

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
00388/07 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC2319
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontneming. Geerings. Het ontnemen van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door soortgelijke feiten is niet in strijd met art. 6 EVRM aangezien de in art. 511b Sv e.v. geregelde procedure aan betrokkene de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen, waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e.2 Sr bedoelde soortgelijke feiten en feiten waarvoor een geldboete van de 5e categorie kan worden opgelegd, door betrokkene zijn begaan. Vzv. het middel een beroep doet op het arrest Geerings tegen NL (EHRM NJ 2007, 349) kan dat niet slagen nu betrokkene niet is vrijgesproken van enig soortgelijk feit waarvoor thans voordeel wordt ontnomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 511b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 128
JOL 2008, 135
RvdW 2008, 274
NJB 2008, 622
JOW 2008, 40
NBSTRAF 2008/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2008

Strafkamer

nr. 00388/07 P

IC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 23 mei 2006, nummer 21/001083-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Zwolle van 10 februari 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 56.120,-.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R. Zwiers, advocaat te Almere, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd aan de betrokkene een betalingsverplichting heeft opgelegd ter ontneming van voordeel dat wederrechtelijk verkregen is door strafbare feiten die door het Hof soortgelijk zijn geacht aan de bewezenverklaarde feiten.

3.2. Anders dan in het middel wordt betoogd, is het ontnemen van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door soortgelijke feiten, niet in strijd met art. 6, tweede lid, EVRM, aangezien in de in art. 511b Sv e.v. geregelde procedure aan de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen, waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e, tweede lid, Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan. Voor zover het middel een beroep doet op het arrest Geerings tegen Nederland (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349) kan dat niet slagen nu de betrokkene bij het arrest van het Hof van 23 mei 2006 niet is vrijgesproken van enig soortgelijk feit waarvoor thans voordeel wordt ontnomen.

3.3. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 februari 2008.