Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC1314

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
00102/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC1314
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2006:AX3978, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Kraggenburg-zaak. Vooropgesteld wordt dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het p-v van de politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 45
RvdW 2008, 166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 januari 2008

Strafkamer

nr. 00102/07

AH/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 23 mei 2006, nummer 21/000900-05 in de strafzaak tegen:

[verdachte 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord, locatie De Marwei" te Leeuwarden.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 27 januari 2005 - de verdachte ter zake van 1. en 2. telkens opleverende "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden" en 3. "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" en 4., 5. en 6. telkens opleverende "medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd" en "medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid" en 7. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 8. "een ander door geweld of een andere feitelijkheid dwingen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd en dat dientengevolge de bewezenverklaring van de feiten 3, 6 en 8 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.2.1. Het tussenarrest van het Hof van 15 september 2005 in de onderhavige zaak houdt onder meer het volgende in:

"De raadsvrouw heeft verzocht tot het horen van de getuigen: [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [verdachte 1], [betrokkene 2], [verdachte 3], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5]. Het hof wijst dit verzoek toe, waarbij wordt opgemerkt dat om praktische redenen wordt bepaald dat de verhoren bij de rechter-commissaris in de rechtbank te Zwolle zullen plaatsvinden. Met betrekking tot de aangeefsters overweegt het hof in het bijzonder dat het horen ter terechtzitting voorshands niet noodzakelijk wordt geacht, waarbij het hof mede heeft gelet op het belastende karakter van een verhoor.

Het hof is van oordeel dat - mede gelet op het hiervoor overwogene - door het Openbaar Ministerie nogmaals een poging dient te worden ondernomen om de huidige verblijfplaats van de getuige [slachtoffer 1] te achterhalen. Het hof ziet mede om praktische redenen - te weten: de complicaties die bij een planning van een verhoor ter terechtzitting kunnen rijzen nu [slachtoffer 1] waarschijnlijk in het buitenland verblijft - zoals hierboven is overwogen, af van het horen van de getuige ter terechtzitting."

3.2.2. Op de terechtzitting van 2 december 2005 heeft de verdediging gepersisteerd bij een verhoor van de getuige [slachtoffer 1]. Het Hof heeft daarop de zaak wederom naar de Rechter-Commissaris verwezen voor het horen van de getuige [slachtoffer 1]. Ter terechtzitting van 3 februari 2006 heeft het Hof deze beslissing herhaald.

3.2.3. Ten laste van de verdachte is onder 3, 6 en 8 bewezenverklaard dat:

"3.

hij op 18 april 2004 te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij al haar kleding moest uittrekken en (anders) gedwongen zou worden haar kleding uit te doen, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- die kleding in een vuilniszak gedaan en die zak met kleding meegenomen en in een kast gestopt en

- die [slachtoffer 1] geslagen in het gezicht en tegen de oren en

- de telefoon en geld en de sleutel en documenten van die [slachtoffer 1] afgepakt en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij niet mocht vluchten en dat zij anders vermoord zou worden en dat als zij raar zou doen dat dan de honden haar zouden opeten, in ieder geval woorden van gelijke aard en/of strekking en

- de ramen en deuren van de loods in Kraggenburg afgesloten;

6.

hij op 18 april 2004 te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder tezamen en in vereniging met anderen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededaders

- hun penis geduwd/gebracht in de mond en de anus van die [slachtoffer 1] en

- haar tenen in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en/of een of meer van zijn mededaders

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat wanneer zij zich niet uit zou kleden, ze haar zouden dwingen om haar kleding uit te doen, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat als zij raar deed, dat de honden haar dan op zouden eten, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- die [slachtoffer 1] meermalen heeft/hebben geslagen tegen het hoofd en

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen met een stok op haar borsten en op het gehele lichaam

en aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan

en

hij op 18 april 2004 te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder tezamen en in vereniging met anderen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen van een ontuchtige handeling, hierin bestaande dat [slachtoffer 1] werd gedwongen

- de penis van een hond in haar mond te nemen

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en/of een of meer van zijn mededaders

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat wanneer zij zich niet uit zou kleden, ze haar zouden dwingen om haar kleding uit te doen, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat als zij raar deed, dat de honden haar dan op zouden eten, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- die [slachtoffer 1] meermalen heeft/hebben geslagen tegen het hoofd en

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen met een stok op haar borsten en op het gehele lichaam

- het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geduwd in de richting van de penis van de hond

en aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

8.

hij in de periode van 4 april 2004 tot en met 18 april 2004 te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, anderen, genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1], door geweld of één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, welk feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen, hebbende hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 1] tegen hun wil opgesloten en bewaakt en

- die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] bedreigd (met een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) en mishandeld en

- foto's gemaakt van die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 1] terwijl voornoemden ontbloot waren en zich in verschillende seksuele posities bevonden en

- die foto's geplaatst en/of vervaardigd om te plaatsen op verschillende internetsites en chatboxen (om die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] als escorts/prostituees aan te bieden en

- advertenties op het internet geplaatst waarbij die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] werden aangeboden voor het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en

- meermalen afspraken gemaakt met klanten over/voor het verrichten van seksuele handelingen, door die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3], tegen betaling en

- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] meermalen meegenomen naar klanten (teneinde daar met die klanten betaalde seks te hebben) en

- die [slachtoffer 3] tegen betaling seksuele handelingen laten verrichten met een of meer klanten en

- die [slachtoffer 1] opgemeten met de bedoeling sm-artikelen op maat voor haar te laten maken en

- contacten gelegd met derden met de bedoeling die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] te doen gebruiken voor het maken van films waarbij seks zou plaatsvinden tussen een of meer van genoemde personen en dieren en/of waarbij ledematen van genoemde perso(o)n(en) zouden worden afgesneden en/of waarbij een of meer van de genoemde personen van het leven zouden worden beroofd."

3.2.4. Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen die zijn vermeld in de aanvulling op het verkorte arrest.

3.2.5. Het Hof heeft voorts, voor zover hier van belang, nog het volgende overwogen:

"Namens verdachte heeft de raadsman in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verklaringen van de getuige [slachtoffer 1] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad deze getuige te (doen) ondervragen. Omdat het dossier, als haar verklaring buiten beschouwing moet worden gelaten naar het oordeel van de verdediging te weinig ondersteunend bewijsmateriaal bevat, dient de verdachte te worden vrijgesproken. In de - op essentiële punten - met die van [slachtoffer 1] overeenstemmende verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zou het hof geen bevestiging mogen vinden voor de juistheid van de verklaring van [slachtoffer 1] tegenover de politie omdat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op elkaar afgestemd zouden zijn en op een aantal punten aanwijsbaar onbetrouwbaar.

Het hof verwerpt dit verweer. Vooropgesteld wordt dat in de strafzaak tegen een medeverdachte in hoger beroep uitdrukkelijk door de verdediging is verzocht de getuige [slachtoffer 1] te traceren en deze op te roepen teneinde de getuige te kunnen bevragen. Na enkele vergeefse, maar in de ogen van het hof adequate, pogingen van het Openbaar Ministerie om de verblijfplaats van deze getuige te achterhalen, heeft het hof in die zaak het herhaalde verzoek van de verdediging afgewezen omdat redelijkerwijs niet te verwachten was dat de getuige binnen afzienbare tijd zou verschijnen. In deze zaak is door de verdediging noch in eerste aanleg noch in hoger beroep een zelfstandig verzoek gedaan om de getuige [slachtoffer 1] te horen.

Voor zover de raadsman met zijn verweer heeft willen bepleiten dat de verklaringen van [slachtoffer 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten, ziet het hof daartoe - nu noch in eerste instantie noch tijdens de behandeling in hoger beroep een zelfstandig verzoek is gedaan tot het horen van deze getuige - geen redenen. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] wel voldoende steun vinden in de verklaringen van medeverdachten en van de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], welke laatste twee getuigen na verwijzing in eerste aanleg ([slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]) en hoger beroep ([slachtoffer 3]) wel in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris zijn gehoord.

Het verzoek om de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] als zijnde onbetrouwbaar terzijde te schuiven om reden dat deze op elkaar zijn afgestemd, wordt door het hof niet gevolgd. De verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] vertonen - ook op details - opvallend veel overeenkomsten. Dat dit geldt voor de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is verklaarbaar omdat zij gelijktijdig in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats A] en in de loods aan de [b-straat 1] te Kraggenburg hebben verbleven en ook gezamenlijk zijn gevlucht. Dat hun verklaringen overeenstemmen, zou kunnen zijn ingegeven doordat zij - zoals de raadsman overweegt - veel met elkaar hebben gesproken over hetgeen hun is overkomen. Maar dat zij tekort doen aan wat waarheid is en aan het beeld dat daaruit oprijst van hetgeen zij hebben moeten ervaren in de loods in Kraggenburg als ook eerder (maar zonder dat verdachte daarbij betrokken was) in de woning van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in [plaats A], neemt het hof niet aan. Voor de verklaring van [slachtoffer 1] geldt dat er geen enkele aanwijzing is dat [slachtoffer 1] de vrouwen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] kent of dat zij na het vertrek uit de loods te Kraggenburg met hen heeft gesproken. Daarbij komt nog dat [slachtoffer 1] een aantal saillante details direct heeft verteld aan de bewoners van het huis waar zij na haar vlucht uit de loods is opgevangen.

Nu hetgeen de aangeefsters feitelijk is overkomen - met name ook ten aanzien van het gebruik van een vuurwapen door verdachte - grotendeels ook wordt bevestigd door en steun vindt in de verklaringen van de medeverdachten en de inhoud van de foto's die in de woning te [plaats A] en in de loods te Kraggenburg zijn genomen, acht het hof de verklaringen van alle drie de aangeefsters betrouwbaar en bruikbaar en zal het deze verklaringen doen meewerken tot het bewijs. Dat de verklaringen op onderdelen van elkaar verschillen en dat het hof de verklaringen van aangeefsters ten aanzien van de aanvang van de vrijheidsberoving in België niet aannemelijk acht, doet daaraan niet af."

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.

3.4. Het Hof heeft onder meer overwogen dat de verklaringen van de getuige [slachtoffer 1] voldoende steun vinden in andere, nader aangeduide bewijsmiddelen. Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van de hiervoor onder 3.3 vooropgestelde regel, is niet onbegrijpelijk en draagt de verwerping van het in het middel bedoelde verweer zelfstandig.

3.5. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 31 mei 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en acht maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 januari 2008.