Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC1244

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
C06/279HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC1244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Geschil tussen opdrachtgever en bouwer van carrosserie op oplegger over uitgebleven aanpassingswerkzaamheden en ontbinding wegens constructiefouten (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 56
RvdW 2008, 158
JWB 2008/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 januari 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/279HR

MK/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

kantoorhoudende te [plaats A], thans te [plaats B],

EISER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. J. Biemond, thans mr. P. Garretsen,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerster] heeft bij exploot van 28 april 2000 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 72.883,88, met rente en kosten.

[Eiser] heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden de door hem geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De rechtbank heeft, na tussenvonnissen van 31 augustus 2000, 25 januari 2001, 12 juli 2001 en 11 april 2002, bij eindvonnis van 10 oktober 2002 in conventie de vordering afgewezen en in reconventie de vordering toegewezen.

Tegen de tussenvonnissen van 25 januari 2001, 12 juli 2001 en 11 april 2002, alsmede het eindvonnis van 10 oktober 2002 heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Na tussenarresten van 18 mei 2004, 21 september 2004 en 12 juli 2005 heeft het hof bij eindarrest van 11 april 2006 de tussenvonnissen van de rechtbank van 31 augustus 2000, 25 januari 2001, 12 juli 2001, 11 april 2002 en het eindvonnis van 10 oktober 2002, zowel in conventie als in reconventie, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, in conventie [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 33.072,86, met rente en kosten en in reconventie de vordering van [eiser] afgewezen.

De tussenarresten van 21 september 2004 en 12 juli 2005 en het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de tussenarresten van het hof van 21 september 2004 en 12 juli 2005, alsmede het eindarrest van 11 april 2006 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en voor [verweerster] door haar advocaat, alsmede door mr. D. Vlasblom, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 1.061,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 januari 2008.