Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC0811

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
01655/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC0811
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Binnentreden zonder machtiging. In ’s Hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat de verbalisanten de woning van verdachte zijn binnengetreden ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen. Dit oordeel is - gelet op de wetsgeschiedenis mbt de AWBI – onjuist, noch onbegrijpelijk. De HR neemt hierbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de onderbuurman van verdachte wateroverlast ondervond van de woning van verdachte en dat deze wateroverlast bestond uit de zichtbaarheid van vochtplekken in het plafond en de omstandigheid dat het water langs de muur sijpelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 130
RvdW 2008, 241
NJB 2008, 398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 januari 2008

Strafkamer

nr. 01655/06

IB/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 januari 2006, nummer 21/000304-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle-Lelystad, zitting houdende te Deventer, van 6 januari 2005 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "diefstal" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat de verbalisanten onbevoegd in de woning van de verdachte zijn binnengetreden, ten onrechte en ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Verweer

Door de raadsman is gesteld dat de ontdekking van de hennepkwekerij onrechtmatig is geweest. De verbalisanten hadden niet zonder schriftelijke machtiging mogen binnentreden, nu er geen sprake was van een noodsituatie, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid van de Algemene wet op het binnentreden, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting van de vruchten daarvan. Cliënt dient derhalve te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dat in het politieproces-verbaal staat gerelateerd dat de bewoner van perceel [a-straat 1] wateroverlast ondervond van de bovenliggende woning. De wateroverlast bestond eruit dat er vochtplekken in het plafond zichtbaar waren en dat het water langs de muur sijpelde.

Het hof is gelet op de hierboven beschreven bevindingen van de verbalisanten van oordeel dat de verbalisanten dat hebben mogen duiden als een noodsituatie, een situatie waarin onmiddellijk ingrijpen geboden was.

Het verweer wordt derhalve verworpen."

3.3. Art. 2 Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi) luidt, voor zover hier van belang:

"1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

(...)

3. Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden."

3.4. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot vaststelling van de Algemene wet op het binnentreden bij wet van 22 juni 1994 houdt ten aanzien van art. 2, derde lid, Awbi onder meer het volgende in:

"Voor de in het wetsontwerp neergelegde regeling geldt, zoals ook voor andere wettelijke bepalingen, dat een daarvan afwijkende wijze van handelen onder bepaalde uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn. Te denken valt aan situaties waarbij ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt. Dan is onmiddellijk optreden geboden. Als voorbeeld kan worden genoemd de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik zal kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak heeft en die terstond moet optreden, is voor het binnentreden alsdan niet op toestemming van de bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder toestemming binnen te treden. Men kan ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden aangetast. Dan is onmiddellijk optreden kennelijk in het belang van de bewoner noodzakelijk. Hierbij kan worden gedacht aan ontdekking op heterdaad van een inbraak in de woning. Indien de opsporingsambtenaar de bewoner, bij voorbeeld als gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen, is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond op te treden en is binnentreden zonder toestemming èn zonder machtiging gerechtvaardigd. Dit binnentreden is daarom rechtmatig, omdat hetzij belangen van hogere orde dan de belangen tot bescherming waarvan het huisrecht strekt, hetzij de belangen van de bewoner zelf op het spel staan. Artikel 2, derde lid, voorziet in de bevoegdheid om in die uitzonderlijke omstandigheden zonder machtiging zonder toestemming in de woning binnen te treden."

3.5. In de hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de verbalisanten de woning van de verdachte zijn binnengetreden ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen. Dit oordeel geeft - gelet op de hiervoor onder 3.4 weergegeven wetsgeschiedenis - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de onderbuurman van de verdachte wateroverlast ondervond van de woning van de verdachte en dat deze wateroverlast bestond uit de zichtbaarheid van vochtplekken in het plafond en de omstandigheid dat het water langs de muur sijpelde.

3.6. Het middel faalt.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 22 januari 2008.