Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC0387

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
R07/087HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC0387
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:AY7893, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ9805, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden bij afwikkeling van hun huwelijk over de verrekening en verdeling volgens huwelijkse voorwaarden van verbouwingskosten voor de echtelijke woning; wettelijke rente, verschuldigdheid, ingangsdatum; HR doet zelf de zaak af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 108
JOL 2008, 115
RvdW 2008, 226
RFR 2008, 52
NJB 2008, 614
FJR 2008, 73 met annotatie van I.J. Pieters
JWB 2008/81
JPF 2008/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2008

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/087HR

RM/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaten: mr. A.H. Vermeulen en mr. C.S.G. Janssens,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 27 februari 2003 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, tussen partijen echtscheiding uit te spreken en partijen te veroordelen om ingevolge hun huwelijkse voorwaarden over te gaan tot verrekening van hun onverteerd gebleven inkomens, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon.

Nadat de rechtbank bij beschikking van 25 juni 2003 tussen partijen de echtscheiding had uitgesproken en de behandeling van de nevenvoorzieningen had aangehouden, heeft de vrouw bij aanvullend verzoekschrift van 8 juli 2004 haar verzoek vermeerderd en - voorzover thans nog van belang - verzocht:

"de man te veroordelen aan haar te betalen de helft van de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning, verminderd met de daarop rustende eerste hypotheek bij RVS Levensverzekering van € 253.209,36 en vermeerderd met de waarden van de aan die hypotheek gekoppelde levensverzekeringen bij Nationale Nederlanden;

de man te veroordelen aan haar € 46.583,23 te betalen, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen als bijdrage in de kosten van de huishouding."

De man heeft de verzoeken van de vrouw bestreden en zijnerzijds een tegenverzoek ingediend tot betaling door de vrouw aan hem van een aantal bedragen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 1 februari 2006 bepaald dat de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, na verrekening van de op de woning rustende hypotheek bij RVS Levensverzekering en die bij de Postbank, bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenbeschikking van 24 augustus 2006 heeft het hof de vrouw toegelaten tot het bewijs dat partijen zijn overeengekomen dat de man na het uiteengaan van partijen de hypotheekrente van de voormalig echtelijke woning tot de datum van verkoop als kosten van de huishouding zou blijven voldoen en voor zijn rekening zou nemen. Na getuigenverhoren heeft het hof bij eindbeschikking van 8 februari 2007, in het principaal en in het incidenteel appel, de beschikking van de rechtbank van 1 februari 2006 vernietigd en, opnieuw rechtdoende:

"bepaald dat de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning zonder verrekening van op die verkoopopbrengst in mindering gebrachte hypotheekrente en onder aftrek van de op de woning rustende hypotheek bij RVS Levensverzekering door partijen bij helfte zal worden gedeeld;

bepaald dat de man de op de woning rustende tweede hypothecaire geldlening ten behoeve van Postbank N.V. geheel voor zijn rekening zal nemen;

bepaald dat partijen de waarde van de aan de hypotheek bij RVS verbonden levensverzekeringenpolissen per 1 mei 2002 bij helfte zullen verrekenen;.

de vrouw veroordeeld aan de man een bedrag van € 100.407,50 te betalen, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2004 tot de dag der algehele voldoening ten titel van verrekening verbouwingskosten voormalig echtelijke woning."

De tussenbeschikking en de eindbeschikking van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen zowel de tussen- als de eindbeschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep voorzover gericht tegen de tussenbeschikking van 24 augustus 2006, en tot vernietiging van de eindbeschikking van 8 februari 2007, doch uitsluitend voorzover daarin bepaald is dat de vrouw over een bedrag van € 100.407,50 de wettelijke rente vanaf 24 september 2004 verschuldigd is tot de dag der algehele voldoening.

De advocaat van de vrouw heeft bij schrijven van 18 december 2007 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 6 augustus 1983 gehuwd. Hun huwelijk is op 30 september 2003 door echtscheiding ontbonden.

(ii) Partijen waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden, en wel in gemeenschap van inboedel, waarbij elke andere gemeenschap van goederen tussen hen is uitgesloten. In de artikelen 10-12 van de huwelijkse voorwaarden was een zogenaamd Amsterdams verrekenbeding opgenomen. Daaraan is evenwel staande huwelijk nimmer uitvoering gegeven.

(iii) De voormalige echtelijke woning, die hun gezamenlijk eigendom was, is voor € 1.497.500,-- verkocht en op 4 mei 2004 geleverd. Een gedeelte van de verkoopopbrengst is bij het transport van de woning verrekend. Onder de notaris berust krachtens depotovereenkomst een bedrag van € 193.080,--.

(iv) In het onderhavige geding heeft het hof bij eindbeschikking onder meer beslissingen gegeven in verband met de verdeling van de voormalige echtelijke woning. Daarbij is de vrouw veroordeeld om ten titel van verrekening van de verbouwingskosten van de voormalige echtelijke woning een bedrag van € 100.407,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2004, aan de man te betalen.

3.2.1 Onderdeel II.3 (nader toegelicht in de onderdelen II.8 en II.9) klaagt erover dat het hof in rov. 2.6 van zijn eindbeschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld, door te oordelen dat de door de man gevorderde wettelijke rente over het door de vrouw te vergoeden gedeelte van de verbouwingskosten dient te worden toegewezen vanaf de datum waarop de man deze vordering heeft ingediend, te weten 24 september 2004.

3.2.2 Het onderdeel is terecht voorgesteld. Zolang de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld, kan een daarop gebaseerde vordering niet worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de debiteur in verzuim is (HR 8 juli 2005, nr. R03/148, NJ 2005, 486). De vordering van de man strekkende tot vergoeding door de vrouw van een gedeelte van de verbouwingskosten betreft de verdeling en verrekening van (de opbrengst van) de echtelijke woning. Nu deze verdeling nog niet eerder (definitief) was vastgesteld, kon de vrouw nog niet in verzuim zijn met betrekking tot de betaling van het gevorderde en toegewezen bedrag. Het hof heeft dus ten onrechte wettelijke rente over dat bedrag toegewezen.

3.3 De overige onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen op de hierna onder 4 vermelde wijze.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 8 februari 2007 voor zover daarin is bepaald dat de vrouw over het bedrag van € 100.407,50 wettelijke rente vanaf 24 september 2004 tot de dag der algehele voldoening aan de man dient te betalen, en wijst de vordering van de man in zoverre alsnog af;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C Kop, als voorzitter, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 februari 2008.