Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BC0377

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
R07/054HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC0377
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden bij verdeling van huwelijksgemeenschap over de vraag of het recht van de man op een soort VUT-uitkering zozeer aan hem verknocht is dat de verknochtheid zich ertegen verzet dat dit recht in de huwelijksgemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 BW); maatstaf.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 275 met annotatie van S.F.M. Wortmann
JOL 2008, 113
RvdW 2008, 219
RAR 2008, 50
RFR 2008, 50
PJ 2008, 34
NJB 2008, 613
JWB 2008/84
AA20080442 met annotatie van A.J.M. Nuytinck
JPF 2008/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2008

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/054HR

MK/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: S.F. Sagel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 12 november 2002 ter griffie van de rechtbank Zutphen ingekomen verzoekschrift heeft [verweerder] zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen.

[Verzoekster] heeft het verzoek tot vaststelling van de verdeling bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 16 april 2003 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de zaak aangehouden ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Na een tussenbeschikking van 12 november 2003 heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 19 oktober 2005 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld en de zaak ten aanzien van de zogeheten OBU-regeling aangehouden. Bij eindbeschikking van 22 maart 2006 heeft de rechtbank beslist dat de OBU van [verweerder] bij PGGM in de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen, deze OBU aan [verweerder] toegedeeld en bepaald dat [verweerder], voor zover hij enige uitkering zal genieten op grond van de OBU, van elke uitkeringstermijn aan [verzoekster] een bedrag zal voldoen dat gelijk is aan de helft van de aan [verweerder] uit te keren termijn te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal huwelijkse jaren gedurende welke de aanspraak van [verweerder] op de OBU heeft bestaan en de noemer uit het totale aantal jaren dat deze aanspraak heeft bestaan.

Tegen deze eindbeschikking heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Verzoekster] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 12 december 2006 heeft het hof in het principale en in het incidentele hoger beroep de eindbeschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, het verzoek van [verzoekster] tot verdeling van de OBU-uitkering van [verweerder] afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 14 december 2007 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In deze zaak, waarin centraal staat de vraag of het recht van [verweerder] op de hierna te noemen overbruggingsuitkering zozeer aan hem verknocht is dat deze verknochtheid zich ertegen verzet dat dit recht in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap van partijen valt, kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 17 december 1974 in wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op 26 maart 2004 door echtscheiding geëindigd.

(ii) [Verweerder], die deelnemer is in de PGGM-pensioenregeling, heeft de mogelijkheid om in plaats van een FLEX-pensioen te kiezen voor een salarisvervangende uitkering voor deelnemers die vanaf 60 jaar willen stoppen met werken. Deze overbruggingsuitkering (hierna: OBU) geeft recht op periodieke uitkeringen tot men 65 jaar wordt en recht krijgt op ouderdomspensioen.

(iii) De uit een arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon valt niet in de gemeenschap.

(iv) De OBU is geen pensioen, valt niet onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) en berust niet op een geleidelijke, aan het voortduren van de arbeidsverhouding gekoppelde opbouw van aanspraken. Aan de OBU valt geen contante waarde toe te kennen.

(v) De omvang van de OBU is gerelateerd aan het gemiddelde van de salarissen van de laatste twee volle jaren voorafgaand aan het jaar waarin de uitkering is ingegaan.

(vi) De OBU kan alleen direct in aansluiting op het dienstverband ingaan. Bij eerder vertrek bestaat geen recht op de OBU. Anders dan bij het FLEX-pensioen, dat sedert 1999 de OBU geleidelijk heeft vervangen, is geen sprake van opgebouwde rechten die door waardeoverdracht kunnen worden meegenomen.

3.2 De rechtbank heeft beslist dat de OBU in de huwelijksgemeenschap is gevallen.

3.3 Het hof kwam tot een tegenovergesteld oordeel: de aanspraak op de OBU is naar zijn aard zo sterk aan de persoon van [verweerder] verknocht dat deze, evenals wordt aangenomen voor een VUT-uitkering, niet in de gemeenschap valt, ook niet bij wege van verrekening (rov. 4.7). Daartoe heeft het hof, na

a) in rov. 4.2 met juistheid te hebben vooropgesteld dat goederen slechts in uitzonderlijke gevallen op grond van bijzondere verknochtheid buiten de gemeenschap vallen en dat het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten verknocht is en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, afhangt van de aard van dat goed zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald, en

b) in rov. 4.4 uit de hiervoor in 3.1 onder (ii) - (vi) vermelde feiten te hebben afgeleid "dat er (tijdens het huwelijk van partijen) geen premies zijn voldaan, dus ook geen premies ten laste van de tot de gemeenschap behorende middelen, voor het verkrijgen van het recht op de OBU", en vervolgens te hebben geoordeeld dat die feiten tezamen met dit laatste steun geven aan de opvatting dat de OBU naar zijn aard moet worden beschouwd als een strikt persoonlijk recht van [verweerder], het volgende overwogen:

"4.6 Het hof overweegt dat de OBU, zoals PGGM die kent, gelijk is te stellen aan een VUT-uitkering. Een VUT-uitkering valt niet onder de WVPS. Bij het PGGM is, net zoals in grote delen van het bedrijfsleven, vanaf juni 1999 een proces op gang gekomen van vervanging van VUT door prepensioen, in dit geval het FLEX-pensioen. Aangezien pre-pensioen wel en VUT (en OBU) niet worden opgebouwd, zijn bij zo'n omzettingsproces overgangsmaatregelen nodig om te voorkomen dat oudere werknemers tussen wal en schip vallen. Oudere werknemers hebben immers onvoldoende dienstjaren te gaan om een behoorlijke aanspraak op prepensioen op te bouwen. Daarom is het gebruikelijk bij een dergelijk omzettingsproces om de VUT (bij PGGM: de OBU) voor met name de oudere werknemers nog gedurende een overgangsperiode in stand te laten, soms volledig, soms als aanvullende garantieregeling ter waarborging van een inkomen op het oude VUT-niveau. In die zin is er vrijwel altijd bij de overgang van VUT naar pensioen een koppeling gemaakt tussen die uitkeringen. Het bestaan van zo'n koppeling betekent echter niet dat de uitkeringen daarmee een soort van hybride karakter zouden hebben en hun eigen kenmerken niet meer bezitten. De koppeling van de OBU en het FLEX-pensioen is geen omstandigheid die de in 4.4 geschetste aard als een strikt persoonlijk recht van de man wijzigt. Ook aan de door de vrouw geschetste verwevenheid tussen de OBU en het FLEX-pensioen in die zin dat als de man voor de OBU kiest het PGGM het voor de man gereserveerde bedrag ten behoeve van het FLEX-pensioen kan aanwenden om de voor de OBU benodigde reserve te creëren (...), komt naar het oordeel van het hof minder gewicht toe dan aan de in 4.4 geschetste omstandigheden omdat als het PGGM al de door de man betaalde premies voor het FLEX-pensioen over een beperkte periode van vier jaar zou gebruiken voor de dekking van de OBU, dat nog niet betekent dat daardoor de OBU niet langer meer hoofdzakelijk gefinancierd wordt op basis van rentedekking in plaats van kapitaalsdekking zoals voorgeschreven voor (pre)pensioenen. De stelling van de vrouw dat het jegens haar onredelijk is dat een keuze van de man voor de OBU in plaats van het FLEX-pensioen nadelige gevolgen voor haar heeft, maakt dit oordeel niet anders. Anders dan de vrouw betoogt, is er bij de beantwoording van de hiervoor in 4.2 vermelde vragen geen grond telkens te betrekken of de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de man en de vrouw als deelgenoten beheerst, in een andere richting wijzen. Ten aanzien van die vragen is de redelijkheid en billijkheid reeds in de maatstaf verdisconteerd door de invloed die wordt toegekend aan de maatschappelijke opvattingen. Deze objectieve maatstaf dient de rechtszekerheid welke ten aanzien van de omvang van de gemeenschap haar gewicht in de schaal werpt in verband met de mogelijke rechten van derden."

3.4.1 Onderdeel 1 keert zich (onder 4) met motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.3 onder b) weergegeven vaststelling in rov. 4.4 " dat er (tijdens het huwelijk van partijen) geen premies zijn voldaan, dus ook geen premies ten laste van de tot de gemeenschap behorende middelen, voor het verkrijgen van het recht op de OBU". Naar het onderdeel betoogt, is die vaststelling niet te rijmen met enkele essentiële, niet weersproken maar door het hof niet in zijn beoordeling betrokken stellingen van [verzoekster] die erop neerkomen dat de OBU vanwege haar verwevenheid met het FLEX-pensioen mede wordt gefinancierd met premies die zijn betaald ten behoeve van het FLEX-pensioen en daarmee ten laste zijn gekomen van middelen die tot de gemeenschap behoorden.

3.4.2 Het onderdeel vindt geen steun in de gedingstukken voor zover het tot uitgangspunt neemt dat de desbetreffende stellingen van [verzoekster] door [verweerder] niet zijn weersproken. Voor zover het klaagt dat het hof die stellingen niet in zijn beoordeling heeft betrokken, berust het blijkens het navolgende op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Na bedoelde stellingen in rov. 4.5 te hebben samengevat, heeft het hof immers in rov. 4.6 onderzocht of deze ertoe dwongen terug te komen van het aan het slot van rov. 4.4 gegeven, voorlopig oordeel dat de OBU naar zijn aard moet worden beschouwd als een strikt persoonlijk recht van [verweerder], welk oordeel mede erop berustte dat voor het verkrijgen van het recht op de OBU geen premies ten laste van de tot de gemeenschap behorende middelen zijn voldaan. De uitkomst van dit onderzoek was - zie de hiervoor in 3.3 aangehaalde rov. 4.6 - dat, zelfs indien het PGGM de gedurende ongeveer vier jaar door [verweerder] voor het FLEX-pensioen betaalde premies zou gebruiken voor de dekking van de OBU, voor dat terugkomen geen grond bestaat omdat het aldus aanwenden van die premies nog niet betekent dat de OBU niet langer meer hoofdzakelijk gefinancierd wordt op basis van rentedekking in plaats van kapitaalsdekking zoals voorgeschreven voor (pre)pensioenen. De slotsom moet dan ook zijn dat onderdeel 1 niet tot cassatie kan leiden.

3.5.1 Onderdeel 2 acht de oordeelsvorming waartoe het hof in rov. 4.6 is gekomen op een drietal punten onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.

3.5.2 Dit verwijt betreft (onder 6) in de eerste plaats het oordeel dat, als het PGGM al de door [verweerder] betaalde premies voor het FLEX-pensioen over een beperkte periode van vier jaar zou gebruiken voor de dekking van de OBU, dat nog niet betekent dat daardoor de OBU niet langer meer hoofdzakelijk gefinancierd wordt op basis van rentedekking in plaats van kapitaalsdekking zoals voorgeschreven voor (pre)pensioenen. Dit laatste, aldus het onderdeel, heeft [verweerder] niet aan zijn verweer ten grondslag gelegd, zodat het hof hetzij in strijd met art. 24 Rv. de feitelijke grondslag van het verweer en/of in strijd met art. 149 lid 1 Rv. de feiten heeft aangevuld, hetzij buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

3.5.3 Dit betoog treft evenmin als de daaraan subsidiair toegevoegde motiveringsklacht doel. [Verzoekster] heeft in haar verweerschrift in hoger beroep onder meer aangevoerd

- dat door de geleidelijke vervanging vanaf 1999 van de OBU-regeling door het onder de WVPS vallende FLEX-pensioen een hybride situatie ("vermenging van kapitaalgedekte onvoorwaardelijke prepensioenrechten aangevuld met VUT-elementen") is ontstaan;

- dat als het recht op FLEX-pensioen wegvalt de hiervoor gereserveerde gelden door het pensioenfonds kunnen worden aangewend ter financiering van de OBU-regeling;

- dat hieraan de conclusie moet worden verbonden dat de OBU-regeling ten minste voor een deel is gefinancierd met premies die betaald zijn uit de huwelijksgemeenschap;

- dat door de koppeling van de OBU-regeling aan het FLEX-pensioen niet langer kan worden gesproken van een loonvervangende uitkering, zodat elke vergelijking met een VUT-regeling is komen te vervallen.

Ter staving van dit standpunt beriep [verzoekster] zich mede op een door haar overgelegde brief van B&B Pensioenconsultants van 27 februari 2006 waarin onder meer wordt gewezen op het verschil in financieringswijze tussen een loonvervangende uitkering (rentedekking) en pensioen (verplichte kapitaalsdekking).

[Verweerder] heeft zich hiertegenover onder meer beroepen op een bij pleidooi in het geding gebrachte notitie van prof. mr. E. Lutjens, waarin als een van de kenmerken van de OBU wordt genoemd dat de werknemers "geen premie voor een eigen op te bouwen OBU-aanspraak" betalen. In die notitie wordt voorts onder meer gesteld dat bij het rond 1999 op gang gekomen proces van vervanging van VUT-regelingen (bij PGGM: OBU) door pensioenregelingen vrijwel altijd in die zin sprake is van een koppeling, dat het gebruikelijk is om voor met name de oudere werknemers, die immers nog onvoldoende dienstjaren te gaan hebben om een behoorlijke aanspraak op pensioen te kunnen opbouwen, de VUT (OBU) nog gedurende een overgangsperiode in stand te laten, soms volledig, soms als aanvullende garantieregeling. Het bestaan van zo'n koppeling betekent echter volgens die notitie niet dat, zoals in het verweerschrift in hoger beroep wordt betoogd, de uitkeringen daarmee een soort van hybride karakter zouden hebben en hun eigen kenmerken niet meer bezitten.

Gelet op deze stellingname over en weer belette niets het hof om zijn oordeel dat de OBU, als te zeer aan [verweerder] verknocht, niet in de huwelijksgemeenschap valt, mede daarop te gronden dat de OBU in hoofdzaak wordt gefinancierd op basis van rentedekking in plaats van, zoals bij (pre)pensioenen voorschrift is, kapitaalsdekking. Laatstvermeld oordeel behoefde geen nadere motivering.

3.5.4 Onderdeel 2 klaagt (onder 7) voorts met name over onjuistheid van het oordeel dat aan de door [verzoekster] geschetste verwevenheid tussen de OBU en het FLEX-pensioen - in die zin dat als [verweerder] voor de OBU kiest het PGGM het ten behoeve van zijn FLEX-pensioen gereserveerde bedrag kan aanwenden om de voor de OBU benodigde reserve te creëren - minder gewicht toekomt dan aan de in rov. 4.4 vermelde feiten, die naar het oordeel van het hof steun geven aan de opvatting dat de OBU naar zijn aard moet worden beschouwd als een strikt persoonlijk recht van [verweerder]. Gelet op die verwevenheid gaat het immers bij de OBU thans in het overgangsrechtelijke regime van het PGGM om een voorwaardelijk recht, dat - zo betoogt het onderdeel onder verwijzing naar HR 27 november 1982, nr. 11708, NJ 1982, 503 (Boon/Van Loon) - uit maatschappelijk oogpunt bestemd is te voorzien in de behoefte van beide echtgenoten en dat, zeker waar de opbouw daarvan gedeeltelijk is gefinancierd ten laste van de huwelijksgemeenschap, in beginsel moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanningen van de echtgenoten.

3.5.5 Deze klacht, waarmee niet wordt opgekomen tegen het - juiste - oordeel van het hof dat de in rov. 4.4 vermelde omstandigheden (zie hiervoor in 3.3, onder b) steun geven aan het standpunt dat de OBU naar zijn mede door de maatschappelijk opvattingen bepaalde aard moet worden beschouwd als een strikt persoonlijk recht van [verweerder], faalt. Wil, gegeven de verknochtheid van de OBU aan [verweerder], voor verrekening plaats zijn dan zal ter zake van het recht op die uitkering sprake moeten zijn van een niet te verwaarlozen band met [verzoekster]. Naar het hof terecht heeft geoordeeld levert de verwevenheid tussen OBU en FLEX-pensioen, die - naar veronderstellenderwijs moet worden aangenomen - tot uiting komt in gedeeltelijke financiering van de OBU door middel van premies voor het FLEX-pensioen die ten laste van de huwelijksgemeenschap zijn gekomen, niet een zodanige band op nu die financiering niet wegneemt dat de OBU hoofdzakelijk op basis van rentedekking gefinancierd wordt. Op het voorgaande stuit ook de subsidiair voorgestelde motiveringsklacht af.

3.5.6 Onder 8 komt het onderdeel ten slotte op tegen het oordeel van het hof dat de stelling van [verzoekster], dat het jegens haar onredelijk is dat de keuze van [verweerder] voor de OBU in plaats van het FLEX-pensioen nadelige gevolgen voor haar heeft, evenmin tot de door [verzoekster] gewenste verrekening leidt. Tevergeefs evenwel, omdat dit oordeel gelet op HR 3 november 2006, nr. C05/211, RvdW 2006, nr. 1034, rov. 3.3.2, juist is en geen nadere motivering behoefde dan het hof heeft gegeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 februari 2008.