Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB9829

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
00275/07 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB9829
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2006:AV7811, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

CAG over afvalstof, pvc-pasta, EVOA en Afvalstoffenrichtlijn. HR vernietigt ivm met bewijsklacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 87
JOL 2008, 60
RvdW 2008, 194
Milieurecht Totaal 2008/1569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2008

Strafkamer

nr. 00275/07 E

IC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, Economische Kamer, van 29 maart 2006, nummer 24/000053-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Kamer in de Rechtbank te Assen van 28 december 2004 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van feit 1 en 2 subsidiair telkens opleverende "medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.44e van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en feit 3 subsidiair "medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" en feit 4 primair "valsheid in geschrift" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft dr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft de beslissingen over feit 4 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 1 bedoelde pvc-pasta kan worden aangemerkt als een afvalstof.

3.2. Op de gronden die zijn vermeld in de aan dit arrest gehechte conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3 kan het middel niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel klaagt onder meer dat het onder 4 bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op 17 december 2001, in de gemeente Harderwijk, opzettelijk een geschrift te weten een douaneformulier EX1, overeenkomstig rijksformulier EG 112, met klantnummer [0001], dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken, bestaande het valselijk opmaken hierin dat op bedoeld formulier werd gesteld dat de container met goederen naar Hong Kong zou worden verscheept, terwijl in werkelijkheid deze container een andere eindbestemming, te weten de Filippijnen had."

5.3. Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Aan verdachte is ter terechtzitting van het hof van 2 maart 2006 voorgehouden het douanedocument van pagina 1791 van het dossier. Het document vermeldt als afzender [A], een geadresseerde in Hong Kong en containernummer container [0002]. Het formulier is ondertekend op 17 december 2001.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat een exportformulier zoals op pagina 1791 bij hem op het kantoor wordt opgemaakt. De daarbij behorende 'order confirmation' (pagina 1793) werd naar zijn zeggen een week na verscheping opgemaakt, omdat hij niet van tevoren wist waar de goederen heengingen. De verandering van bestemming wist hij pas onderweg, een week later.

Dit rijmt niet met de volgende - kort weergegeven - bewijsmiddelen.

De salesorder confirmation (pagina 1793) van [B] B.V. aan [C] te [vestigingsplaats] in de Filippijnen, betreffende container [0002], is opgemaakt op 18 december 2001. De Bill of Lading (pagina (de Hoge Raad leest:) 1789) vermeldt als afzender [D] (een handelsnaam van [A]). De consignee (ontvanger) is [C] te Filippijnen, container [0002]. De containers zijn aan boord geladen op 20 december 2001.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte over de verandering van bestemming van de container met kunststoffen kennelijk leugenachtig is. Het hof doet deze verklaringen meewerken tot het bewijs van het onder 4 primair ten laste gelegde, aangezien deze kennelijk zijn bedoeld ter bemanteling van de waarheid, namelijk dat verdachte ten tijde van het invullen van het douaneformulier wist dat de goederen niet naar Hong Kong (waarvoor kennisgeving en toestemming is vereist) zouden worden verscheept, maar hun bestemming elders (waarvoor wel kennisgeving en toestemming vereist was) hadden."

5.4. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan de bewezenverklaring niet worden afgeleid. Meer in het bijzonder kan daaruit niet zonder meer volgen dat het de verdachte is geweest die - al dan niet als functioneel dader - het desbetreffende formulier heeft opgemaakt en evenmin dat de verdachte reeds op 17 december 2001 wist dat de desbetreffende goederen niet naar Hong Kong, maar naar de Filippijnen zouden worden verscheept. De bewezenverklaring van feit 4 is dus ontoereikend gemotiveerd.

5.5. Het middel is terecht voorgesteld.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 29 januari 2008.