Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB8989

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
03393/06 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB8989
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag. Het vonnis in de strafzaak tegen verdachte (thans klager) houdt in dat een geldbedrag wordt bewaard t.b.v. de rechthebbende. Dit vonnis is gewezen na de beschikking strekkende tot ongegrondverklaring, waartegen cassatie is ingesteld. Klager is n-o, omdat de bestreden beschikking naar zijn aard een beslissing inhield, gegeven in afwachting van het oordeel van de Rb. Door die beslissing van de Rb omtrent het beslag in de strafzaak kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 552d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 41
NBSTRAF 2008/41
NJ 2008, 53
JOL 2008, 2
RvdW 2008, 100
NJB 2008, 302
JOW 2008, 57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 januari 2008

Strafkamer

nr. 03393/06 B

SY/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 19 mei 2006, nummer RK 06/523, op een beklag als bedoeld in artikel 116, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door:

[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op een geldbedrag van ƒ 263.575,- (€ 119.605,12) en het beklag voor het overige gegrond verklaard, met last tot teruggave in zoverre aan klager zoals in de beschikking vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank van 19 mei 2006 waarbij een klaagschrift van de klager voor zover strekkende tot teruggave van een geldbedrag van ƒ 263.575,- (€ 119.605,12) ongegrond is verklaard.

3.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een verkort vonnis van 2 november 2006 van de Rechtbank te Amsterdam in de strafzaak tegen de klager. Dit vonnis houdt, voor zover hier van belang, in:

"Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van een geldbedrag van € 119.605,12, nu niet gebleken is dat verdachte daarvan de rechtmatige eigenaar is."

3.3. Deze beslissing omtrent het beslag in de strafzaak betekent dat de klager, die teruggave heeft verzocht van het geldbedrag ten aanzien waarvan inmiddels bij voormeld vonnis is beslist, geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank van 19 mei 2006, waarin zijn beklag ongegrond is verklaard. De klager dient daarom in het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. In de bestreden beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Door die beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2008.