Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB8342

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
41874
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB8342
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2005:AS6246, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verontreinigingsheffing; gebruik bij leegstand woning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Water 2008/239 met annotatie van De Bruin
Belastingblad 2008/782
BNB 2008/208 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
V-N 2008/23.30 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.874

16 mei 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het waterschap Velt en Vecht (hierna: het Waterschap) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 februari 2005, nr. BK 47/04, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is een aanslag in de verontreinigingsheffing van het Waterschap opgelegd over de periode 27 september 2003 tot en met 31 december 2003 ter zake van de onroerende zaak a-straat 1 te Q, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van het Waterschap (hierna: de heffingsambtenaar) is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het dagelijks bestuur van het Waterschap heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 1 november 2007 geconcludeerd tot ambtshalve vernietiging van de uitspraak van het Hof, alsmede van de uitspraak op het bezwaar en de aanslag.

Het Waterschap heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. De toepasselijke verordening

De Verordening verontreinigingsheffing 2001 van het Waterschap, zoals deze voor het jaar 2003 geldt, (hierna: de Verordening) bevat onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

a. (...)

f. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

g. (...)

Artikel 3

1. Onder de naam verontreinigingsheffing wordt, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren, een directe belasting geheven ter zake van het afvoeren van stoffen.

2. Aan de heffing kunnen worden onderworpen:

a. terzake van het afvoeren van stoffen vanuit een bedrijfsruimte of een woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

b. (...)

Artikel 16

1. De vervuilingswaarde van een woonruimte is 3 vervuilingseenheden indien die woonruimte bij het begin van het heffingsjaar of, indien de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt, bij de aanvang van de heffingsplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Voor een woonruimte die op genoemd tijdstip door één persoon wordt gebruikt, wordt op aanvraag van de gebruiker, de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid vastgesteld.

2. (...)

4. Beoordeling van het middel

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenaar van een (in het gebied van het Waterschap gelegen) woning. Tot 1 oktober 2003 was deze woning verhuurd. Gedurende de rest van het jaar 2003 stond de woning leeg te koop. Het Waterschap heeft belanghebbende over de periode van 27 september 2003 tot en met 31 december 2003 een aanslag in de verontreinigingsheffing opgelegd, berekend naar het forfaitaire tarief voor woonruimten van drie vervuilingseenheden.

4.2. Het Hof heeft in de eerste plaats geoordeeld - in cassatie onbestreden - dat belanghebbende terecht als gebruiker van een woonruimte is aangemerkt. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de woning bij het begin van het heffingsjaar werd gebruikt door één persoon, hetgeen meebrengt dat de vervuilingswaarde moet worden vastgesteld naar het lage forfaitaire tarief van één vervuilingseenheid. Dit oordeel wordt in cassatie door het Waterschap bestreden.

4.3. De in het middel verdedigde opvatting dat het lage forfaitaire tarief van één vervuilingseenheid slechts van toepassing is in geval van bewoning van een woonruimte door één persoon, is onjuist. Artikel 21, lid 1, tweede volzin, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren - en in overeenstemming daarmede artikel 16, lid 1, tweede volzin, van de Verordening - stelt het lage tarief afhankelijk niet van bewoning, maar van het gebruik van een woonruimte door één persoon. Gebruik van een woonruimte kan ook plaatsvinden zonder dat dat bewoning inhoudt. De steller van het middel ziet bovendien over het hoofd dat artikel 16, lid 1, eerste volzin, van de Verordening de toepassing van het hoge forfaitaire tarief eveneens afhankelijk stelt van 'gebruik', in dat geval gebruik door meer dan één persoon. Als ook daar gebruik zou moeten worden opgevat als bewoning, zou in het onderhavige geval ook het hoge forfaitaire tarief niet van toepassing zijn.

Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van gebruik door één persoon. Voor zover het middel zich daartegen keert kan het niet tot cassatie leiden, reeds niet omdat de heffingsambtenaar noch in zijn uitspraak op bezwaar, noch voor het Hof enig persoon heeft aangeduid - ook niet naar hoedanigheid - die hij in het onderhavige geval naast belanghebbende meent te kunnen aanmerken als (mede)gebruiker van de woonruimte.

Het middel faalt derhalve.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2008.

Van het waterschap Velt en Vecht wordt ter zake van het door het dagelijks bestuur ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 433.