Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB7843

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
42869
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB7843
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AU6136, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Normbedragen van ander kalenderjaar niet meegenomen in vergelijking, art. 6.29, lid 1, Wet IB 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/539 met annotatie van Fase
FutD 2008-0549
BNB 2008/197
Belastingadvies 2008/8.9
V-N 2008/14.14

Uitspraak

Nr. 42.869

14 maart 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 november 2005, nr. BK-04/01313, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak waarvan beroep vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 31 oktober 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft van september 2001 tot en met 12 januari 2002 de pabo-opleiding gevolgd. In verband daarmee heeft hij in 2001 een bedrag van € 1996,02 aan scholingsuitgaven gedaan. In september tot en met december 2001 heeft belanghebbende per maand een bedrag van € 66,88 aan studiefinanciering volgens de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen in de vorm van een prestatiebeurs.

3.2. In artikel 6.29, lid 1, Wet IB 2001 (tekst voor het jaar 2001) is bepaald dat scholingsuitgaven voor een opleiding of studie waarvoor de belastingplichtige recht heeft op studiefinanciering volgens de Wet studiefinanciering 2000, in aanmerking komen tot de bedragen, bedoeld in artikel 3.2, lid 1, letters b en c, van die wet indien deze scholingsuitgaven niet meer bedragen dan het tweevoud van eerdergenoemde bedragen. In het geval waarin deze scholingsuitgaven meer bedragen dan het tweevoud van de in de vorige volzin genoemde bedragen, wordt een bedrag ter grootte van die bedragen niet in aanmerking genomen als scholingsuitgaven.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de op de voet van voornoemde bepaling gegeven normbedragen het beste per studiemaand kunnen worden bezien. Naar 's Hofs oordeel houdt dit voor de onderhavige zaak in dat het aan scholingsuitgaven in aanmerking te nemen bedrag van € 1996,02 tweemaal het normbedrag van € 626,28 (€ 156,57 per maand x 4 maanden) overschrijdt. Daarvan uitgaande berekent het Hof de aftrek aan scholingsuitgaven op een bedrag van € 602,22.

3.4. Het middel, dat zich tegen deze oordelen richt, strekt ten betoge dat de door het Hof gemaakte vergelijking tussen de uitgaven en de normbedragen op zijn minst genomen in strijd komt met de bedoeling van de wetgever. Aan deze bedoeling zou volgens het middel wel recht worden gedaan indien de gemaakte studiekosten zouden worden afgezet tegen de normbedragen over de periode waarop de kosten betrekking hebben, hetgeen tevens betekent dat, wanneer - zoals in de onderhavige zaak - de in een jaar gedane uitgaven mede betrekking hebben op een periode van een ander kalenderjaar, de normbedragen van dat andere kalenderjaar mede in aanmerking moeten worden genomen.

3.5. Dit betoog vindt echter geen steun in de tekst van artikel 6.29, lid 1, Wet IB 2001. Daarin wordt immers verwezen naar de bedragen, bedoeld in artikel 3.2, lid 1, letters b en c, van de Wet studiefinanciering 2000, en dat zijn bedragen per kalendermaand. De tekst van eerstvermeld artikel bevat geen aanwijzing dat, in afwijking van hetgeen in het systeem van de wet past, het volgens dat artikel niet in aanmerking te nemen bedrag mede kan zijn samengesteld uit (maand)bedragen van een ander kalenderjaar dan het desbetreffende belastingjaar. Ook overigens biedt de wettekst geen aanknopingspunt voor de door de Staatssecretaris voorgestane lezing. Daarbij komt dat zijn uitleg vragen oproept en zou leiden tot een stelsel dat minder eenvoudig toepasbaar is dan een stelsel volgens de uitleg van het Hof (zie de onderdelen 5.6, 5.7 en 5.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2008.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 433.