Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB7077

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
02647/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB7077
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Benadeelde partij. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding a.b.i. art. 51a.1 Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat onder rechtstreekse schade i.d.z.v. art. 361.2.b Sv i.c. mede zijn te verstaan de kosten die door X als b.p. zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen. Dat oordeel geeft, mede in het licht van art. 6:96 BW niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen dat ttz. in h.b. t.a.v. de vordering van de b.p. geen verweer is gevoerd, toereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51a
Wetboek van Strafvordering 361
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 199
NBSTRAF 2008/199
JOL 2008, 343
NJ 2008, 468
RvdW 2008, 499
NJB 2008, 1086

Uitspraak

22 april 2008

Strafkamer

nr. 02647/06

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 mei 2006, nummer 23/005602-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 13 oktober 2005 - de verdachte ter zake van "valsheid in geschrift" veroordeeld tot een geldboete van € 220,-, subsidiair vier dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen, doordat het onder rechtstreekse schade in de zin van art. 361, tweede lid onder b, Sv ook heeft verstaan de kosten die zijn gemaakt om het strafbare feit aan het licht te brengen.

4.2.1. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

"Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [bedrijf A], gevestigd te [a-straat 1], [postcode] [vestigingsplaats], rekeningnummer [0001], een bedrag van EUR 2.850,- (tweeduizendachthonderdvijftig euro), vermeerderd met de kosten die door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op EUR 375,-.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 2.850,- (tweeduizendachthonderdvijftig euro), zulks ten behoeve van [bedrijf A]. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 57 (zevenenvijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplich-tingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen."

4.2.2. Het voegingsformulier bevat als schadepost "kosten onderzoek en aangifte verzorgd door [B]" ter hoogte van € 2870,-. Die schadepost is in het voegingsformulier als volgt gemotiveerd:

"Cliënte had gerede twijfel omtrent de juistheid van de schademelding. Dit was aanleiding om aan [B] BV de opdracht te geven een nader onderzoek in te stellen. In het kader daarvan zijn betrokkenen/getuigen gehoord en registers geraadpleegd. De kosten van dat onderzoek zijn bij cliënte in rekening gebracht. Omdat [verdachte] onjuiste opgave heeft gedaan, is de schade niet vergoed en is de verzekering per 17 maart 2005 opgezegd."

4.3. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De memorie van toelichting bij de wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) houdt met betrekking tot het begrip "rechtstreekse schade" onder meer het volgende in:

"Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.

(...)

Aan de voorwaarde dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit is voldaan als in de telastelegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt, zodat op basis van de telastelegging de civiele vordering kan worden onderzocht. Wordt een verdachte bijvoorbeeld vervolgd wegens mishandeling dan zal de benadeelde partij zich kunnen voegen met haar vordering die een rechtstreeks gevolg is van mishandeling, ongeacht de vraag of deze schade in de telastelegging is vermeld."(Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11 en 17)

4.4. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat onder rechtstreekse schade in de zin van art. 361, tweede lid onder onder b, Sv in het onderhavige geval mede zijn te verstaan de kosten die door [bedrijf A] als benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen. Dat oordeel geeft, mede in het licht van art. 6:96 BW niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen dat ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geen verweer is gevoerd, toereikend gemotiveerd.

4.5. Het middel faalt.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 april 2008.