Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB7031

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
C06/225HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB7031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak. Goedkeuring Kroon gemeentelijk onteigeningsbesluit, marginale toetsing rechter; zelfrealisatie; motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2008/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/224HR en nr. C06/225HR

RM/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak C06/224HR van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

t e g e n

DE GEMEENTE VENRAY,

zetelende te Venray,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.E. Gelpke.

en de zaak C06/225HR van

De erven van [betrokkene 1],

laatstelijk wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

t e g e n

DE GEMEENTE VENRAY,

zetelende te Venray,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.E. Gelpke.

1. De gedingen in feitelijke instanties

In de zaak C06/224:

De Gemeente heeft bij exploot van 18 oktober 2004 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Roermond en gevorderd ten name van de Gemeente vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven gedeelten (1) ter grootte van 00.43.31 ha van het perceel, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nr. [001], in totaal groot 01.23.90 ha, en (2) ter grootte van 00.03.73 ha van het perceel, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nr. [002], in totaal groot 00.57.25 ha, waarvan [eiser] als eigenaar is aangewezen, met bepaling van (een voorschot op) de schadeloosstelling volgens de wet.

[Eiser] heeft het verzoek van de Gemeente bestreden.

Bij vonnis van 13 april 2005 heeft de rechtbank de Gemeente niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot onteigening.

In de zaak C06/225:

De Gemeente heeft bij exploot van 15 oktober 2004 mr. Chr.H. Noordhuis in zijn hoedanigheid van derde als bedoeld in art. 20 lid 3 Ow. gedagvaard voor de rechtbank Roermond en gevorderd ten name van de Gemeente vervroegd uit te spreken de onteigening van (1) een in de dagvaarding omschreven gedeelte ter grootte van 00.09.03 ha van het perceel, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nummer [003], in totaal groot 00.24.95 ha, (2) het perceel, groot 00.71.30 ha, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nummer [004], (3) een in de dagvaarding omschreven gedeelte ter grootte van 00.34.78 ha van het perceel, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nummer [005], in totaal groot 01.13.25 ha en (4) het perceel groot 01.06.40 ha, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nummer [006], waarvan [betrokkene 1], overleden op 3 juni 1991, als eigenaar is aangewezen, met bepaling van (een voorschot op) de schadeloosstelling volgens de wet.

Bij akte van 27 oktober 2004 hebben de erven [betrokkene 1] verklaard dat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, neergelegd in art. 20, lid 2 Ow., zodat de dagvaarding als aan hen geschied wordt beschouwd en het geding tegen hen wordt gevoerd.

De erven [betrokkene 1] hebben het verzoek van de Gemeente bestreden.

Bij vonnis van 13 april 2005 heeft de rechtbank de Gemeente niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot onteigening.

In beide zaken:

Tegen de vonnissen van 13 april 2005 heeft de Gemeente hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 25 juli 2006 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, alsnog de vervroegde onteigeningen uitgesproken, de voorschotten op de vast te stellen schadeloosstellingen bepaald op onderscheidenlijk € 120.840,-- en € 634.152,50 en een raadsheer-commissaris en deskundigen benoemd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. De gedingen in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] en de erven [betrokkene 1] (hierna tezamen aan te duiden als [eiser] c.s.) afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaardingen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Gemeente heeft in beide zaken geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaken zijn voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] c.s. mede door mr. D. Vlasbom, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusies van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekken tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Ter uitvoering van het bestemmingsplan "Brabander" wenst de Gemeente de eigendom te verkrijgen van gronden bestaande uit percelen en gedeelten van percelen ter grootte van in totaal 02.68.55 ha te [plaats] als in de inleidende dagvaardingen nader omschreven. De gronden zijn in het bestemmingsplan onder meer aangewezen voor "woondoeleinden-W I-", "verkeersdoeleinden", "verblijfsdoeleinden", "groen/water" en "groenvoorzieningen". [eiser] c.s. hebben de vorderingen van de Gemeente tot vervroegde onteigening bestreden en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 1988, nr. 1088, NJ 1988, 927, betoogd dat zij zelf, in samenwerking met [B] B.V. te [plaats], de in het bestemmingsplan aan de onderhavige gronden gegeven bestemming willen en kunnen realiseren, en dat daarom de Kroon de in art. 79 Ow. bedoelde goedkeuring aan het gemeentelijke onteigeningsbesluit had moeten onthouden. De rechtbank heeft de Gemeente niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tot vervroegde onteigening, overwegende dat de Kroon niet in redelijkheid tot goedkeuring van het onteigeningsbesluit heeft kunnen komen op de grond dat [eiser] c.s. de woonbestemming in het betreffende plandeel niet kunnen uitvoeren in de door de Gemeente gewenste vorm omdat met hun tussenkomst en hun beroep op zelfrealisering de individuele kopers niet zelf hun architect en aannemer kunnen kiezen. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de hiertegen door de Gemeente aangevoerde grieven slagen, de vonnissen van de rechtbank vernietigd en de gevorderde vervroegde onteigening alsnog uitgesproken. Het hof heeft daarbij, in cassatie terecht onbestreden, voorop gesteld dat de toetsing door de rechter, voor zover het betreft de afweging van belangen die zijn betrokken bij het Koninklijk Besluit houdende de goedkeuring van een gemeentelijk onteigeningsbesluit, zich dient te beperken tot de vraag of de Kroon in redelijkheid tot die goedkeuring heeft kunnen komen. De klachten van het middel zijn gericht tegen de rov. 6 en 7 van het arrest van het hof, waarin het hof, kort gezegd, de kritiek van [eiser] op het goedkeuringsbesluit heeft verworpen.

3.2 Onderdeel a bestrijdt het oordeel van het hof dat de Kroon gemotiveerd heeft beslist op de door [eiser] c.s. tegen het onteigeningsbesluit aangevoerde bedenkingen. Het onderdeel acht dit oordeel onvoldoende gemotiveerd nu in het goedkeuringsbesluit niet valt te lezen waarom aan de door de Gemeente voorgestane wijze van planuitvoering - te weten het uitgeven van bouwkavels voor vrijstaande woningen aan particulieren die maximale vrijheid zullen krijgen ten aanzien van de wijze van uitvoering van het bestemmingsplan - dringend behoefte bestaat. Het onderdeel faalt. Kennelijk, en in het licht van de gedingstukken als in de nrs. 2.8-2.11 van de conclusies van de Advocaat-Generaal aangehaald niet onbegrijpelijk, heeft het hof het ervoor gehouden dat de door [eiser] bij de Kroon aangevoerde bezwaren inhielden dat de door de Gemeente voorgestane wijze van planuitvoering niet het publieke belang maar slechts het particuliere belang van de toekomstige eigenaren dient. De omstandigheid dat in het goedkeuringsbesluit geen overwegingen zijn gewijd aan de vraag of aan de door de Gemeente voorgestane wijze van planuitvoering in het publiek belang ook dringend behoefte bestaat, behoefde het hof dan ook niet te weerhouden van zijn oordeel dat de Kroon gemotiveerd heeft beslist op de aangevoerde bedenkingen. Ook de motiveringsklacht van het onderdeel tegen het oordeel van het hof dat in het goedkeuringsbesluit besloten ligt dat naar het oordeel van de Kroon aan de door de Gemeente voorgestane wijze van planuitvoering in het publieke belang dringend behoefte bestaat faalt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering in het licht van de omstandigheid dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, het hof het kennelijk ervoor hield dat de bij de Kroon door [eiser] c.s. aangevoerde bedenkingen inhielden dat de door de Gemeente voorgestane planuitvoering niet het publieke maar het particuliere belang van de toekomstige eigenaren zou dienen. Op dit een en ander stuit ook onderdeel b af.

3.3 Onderdeel c gaat ervan uit dat het hof eraan heeft voorbij gezien dat [eiser] c.s. hun bedenking ter zake van het ontbreken van publiek belang niet alleen principieel hebben gesteld maar ook hebben doen steunen op de stelling dat zij zelf bereid en in staat zijn om, in samenwerking met [B] B.V., het bestemmingsplan te realiseren op de wijze die de Gemeente voor ogen staat. Dit uitgangspunt mist evenwel feitelijke grondslag, nu uit de rov. 4 en 5 van het arrest onmiskenbaar blijkt dat het hof wel degelijk heeft onderkend dat [eiser] c.s., reeds in de fase van de administratieve procedure, niet slechts principieel hebben gesteld (kort gezegd) dat uitgifte van bouwkavels aan particulieren die maximale vrijheid zullen krijgen ten aanzien van de realisering van de bestemming geen publiek belang kan dienen, maar daarnaast ook een beroep hebben gedaan op zelfrealisering. Het onderdeel kan daarom bij gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.4 Onderdeel d heeft betrekking op het door [eiser] c.s. reeds in de administratieve procedure subsidiair ingenomen standpunt dat in ieder geval de grondexploitatie door henzelf kan plaatsvinden. In het goedkeuringsbesluit heeft de Kroon dienaangaande overwogen dat het zelfstandig voeren van de grondexploitatie niet kan worden beschouwd als het zelf verwezenlijken van een deel van het bestemmingsplan en ook uit oogpunt van doelmatigheid ongewenst moet worden geacht. Het onderdeel verwijst naar hetgeen [eiser] c.s. in dit verband in de onteigeningsprocedure nader hebben opgemerkt en verbindt daaraan de klacht dat het hof, door daarop niet te responderen, en zich te beperken tot de algemene overweging dat de Kroon gemotiveerd heeft beslist op de bedenkingen die namens [eiser] c.s. naar voren zijn gebracht, zijn oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook deze klacht faalt, nu zij kennelijk uitgaat van de opvatting dat onteigening ter uitvoering van een bestemmingsplan slechts tot verwezenlijking van het bestemmingsplan door de onteigenaar zelf kan strekken, een opvatting die het hof in rov. 8 terecht heeft verworpen. Voorzover het onderdeel bedoelt te klagen dat het hof nader had moeten ingaan op de bestrijding door [eiser] c.s. van het oordeel van de Kroon dat het zelf verwezenlijken van de grondexploitatie door [eiser] c.s. uit oogpunt van doelmatigheid ongewenst is, faalt het eveneens. Waar de te onteigenen gronden deels zijn aangewezen voor infrastructuur en andere openbare voorzieningen in het plandeel, die de Gemeente, zoals blijkt uit het voorstel dat aan het raadsbesluit tot onteigening ten grondslag ligt, onder haar regie door één partij wil laten realiseren, is zowel het hier bedoelde oordeel van de Kroon als het oordeel van het hof dat het oordeel van de Kroon de toets der kritiek doorstaat, allerminst onbegrijpelijk.

3.5 Voorzover onderdeel e voortbouwt op de voorgaande onderdelen deelt het het lot daarvan. Ook voor het overige is het ongegrond. Het hof behoefde niet afzonderlijk in te gaan op het betoog van [eiser] c.s. dat onteigening in dit geval in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel van art. 1 Eerste Protocol, nu het door het hof in rov. 8 overwogene genoegzaam duidelijk maakt dat het hof, evenals de Kroon, dat betoog, uitmondende in de stelling dat er geen noodzaak voor de onteigening bestaat, heeft verworpen. Dat oordeel behoefde ook geen nadere motivering.

3.6 Het voorgaande brengt mee dat ook de klachten van de onderdelen f, g en h geen doel treffen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

in beide zaken:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van de gedingen in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat in beide zaken tezamen begroot op in totaal € 734,68 aan verschotten en op in totaal € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 februari 2008.