Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB4853

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
15-01-2008
Zaaknummer
02456/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB4853
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Niet tijdig binnengekomen schriftuur en geschrift van verdachte. 2. Aanwijzing gerecht ex art. 510 Sv. 3. 359.2 Sv. Ad 1. Op een niet binnen de termijn binnengekomen, aanvullende schriftuur kan de HR geen acht slaan vzv. het niet kan worden beschouwd als een toelichting a.b.i. 438.2 Sv. Een geschrift van verdachte kan niet worden beschouwd als een schriftuur houdende middelen van cassatie gelet op art. 437.2 Sv. Ad 2. I.c. heeft de HR o.g.v. art. 510 Sv het gerecht aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting van de zaak tegen verdachte, een vice-president van de Rb, zal plaatshebben. De schriftuur verbindt aan de omstandigheid dat die beslissing is genomen zonder dat verdachte in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord de gevolgtrekking dat art. 23.2 Sv is geschonden maar de voorschriften van de 6e afd. van titel 1 WvSv - en dus ook art. 23.2 Sv – zijn niet toepasselijk op de behandeling van een verzoekschrift a.b.i. art. 510.1 Sv. Ad 3. Hetgeen door de raadsvrouwe en verdachte ttz. in appel aangevoerd m.b.t. het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige-deskundige kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dat uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door als bewijsmiddel te gebruiken de verklaring van de getuige-deskundige ttz. in appel en door zich in de nadere bewijsoverweging te beroepen op “de inzichten en bevindingen van de ter zitting gehoorde deskundige” maar heeft – in strijd met art. 359.2. Sv – niet i.h.b. de redenen opgegeven die tot die afwijking hebben geleid. Dat leidt tot nietigheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 23
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 510
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 66
NBSTRAF 2008/66
JOL 2008, 21
NJ 2008, 60
RvdW 2008, 113
NJB 2008, 345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2008

Strafkamer

nr. 02456/06

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 april 2006, nummer 21/002211-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 25 maart 2004 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van "een afbeelding- of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding- van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, in voorraad hebben, meermalen gepleegd" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Blijkens de akte van cassatie is het beroep niet gericht tegen de gegeven vrijspraken en evenmin tegen de gedeeltelijke nietigverklaring van de dagvaarding. Namens de verdachte heeft mr. A.E.M. Röttgering, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De door mr. A.E.M. Röttgering ingediende aanvullende schriftuur is eerst na afloop van de bij wet gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen. De Hoge Raad kan op dit geschrift geen acht slaan voor zover het niet kan worden beschouwd als een schriftelijke toelichting als bedoeld in art. 438, tweede lid, Sv.

2.3. Bij de Hoge Raad is voorts een geschrift van de verdachte ingekomen. Omdat volgens art. 437, tweede lid, Sv uitsluitend een raadsman namens de verdachte middelen van cassatie kan indienen, kan de Hoge Raad dit geschrift niet beschouwen als een schriftuur houdende middelen van cassatie.

2.4. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.5. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 22 oktober 2001 te Maastricht, gegevensdragers, te weten videobanden als hierna onder A aangeduid en computerdiskettes als hierna onder B aangeduid, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen - gedragingen zoals hierna bij de onderscheiden videobanden en computerdiskettes omschreven - waarbij personen betrokken waren die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet hadden bereikt, in voorraad heeft gehad,

A

- 2. een videoband met de titel "[film 1]", bevattende beelden van een circa veertien jaar oude jongen, die masturbeert, oraal zowel als anaal seksueel contact heeft met andere jongens;

- 4. een videoband met de titel "[film 2]", waarop een jongen in de leeftijd van circa veertien jaar te zien is tezamen met een andere jongen, terwijl zij seksuele handelingen met elkaar verrichten, te weten masturberen en het praktiseren en/of het hebben van oraal en anaal seksueel contact.

B

- 2. een computerdiskette (in het dossier aangeduid als "floppy 2") waarop de navolgende bestanden zijn vastgelegd:

bestand [bestandsnaam 1].jpg (opname 31): twee naakte jongens liggend in elkaars armen en met gespreide benen op een bank, waarvan de jongen rechts op de foto jonger is dan 16 jaar;

bestand [bestandsnaam 2].jpg (opname 32): te zien is een naakte jongen, die jonger is dan 16 jaar. Hij heeft een erectie en houdt met zijn hand zijn penis vast.

- 4. een computerdiskette (in het dossier aangeduid als "floppy 4") waarop de navolgende bestanden zijn vastgelegd:

bestand [bestandsnaam 3].jpg: jongen, gekleed in een T-shirt zit met enigszins gespreide benen op een stoel. Hij heeft een erectie. Een tweede jongen zit geknield tussen zijn gespreide benen en pleegt orale seks met de op de stoel zittende jongen. Zittende jongen is kennelijk nog geen 16 jaar;

bestand [bestandsnaam 4].jpg (opname 14): een jongen, jonger dan 16 jaar, staand in een bos. Hij is gekleed in een grijskleurig shirt en een blauwkleurige trui en heeft zijn (spijker)broek op zijn knieën. Hij heeft een erectie;

bestand [bestandsnaam 5].jpg (opname 19): twee naakte jongens liggend op de rug met gespreide benen, in de leeftijdscategorie jonger dan 16 jaar."

3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris en de Officier van Justitie, voor zover inhoudende:

"Op 22 oktober 2001 hebben wij, mr I. Becker, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht en mr M.B.T.G. Steeghs, officier van justitie in het arrondissement Maastricht ons begeven naar het adres [a-straat 1] te [woonplaats], het adres van verdachte [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.

De deur werd geopend door verdachte voornoemd. Wij hebben de woning betreden.

Ik, rechter-commissaris, heb verdachte geïnformeerd over de situatie die was ontstaan en het feit waarvan hij werd verdacht en hem verzocht het betreffende beeldmateriaal alsmede zijn computer vrijwillig voor onderzoek ter beschikking te stellen. Verdachte heeft ons 16 videobanden en 4 diskettes overhandigd."

2. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Door de Rijksrecherche werd een onderzoek ingesteld ter zake het in voorraad hebben van afbeeldingen of gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt was betrokken. Hierin is als verdachte betrokken: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats].

Op 22 oktober 2001 werden in het pand [a-straat 1] te [woonplaats] 16 videobanden en 4 floppy disks in beslag genomen.

Door [verbalisant 3], digitaal rechercheur van de regiopolitie Limburg-Zuid, werd de inhoud van de vier floppy disks gekopieerd (gebrand) naar een compact disk.

Tijdens het onderzoek werden de in beslag genomen videobanden onderzocht door [verbalisant 4], brigadier van politie. De door [verbalisant 3] gebrande CD werd eveneens onderzocht door [verbalisant 4].

Ter ondersteuning van het door de politie-ambtenaar [verbalisant 4] verrichte onderzoek met betrekking tot de door hem onderzochte afbeeldingen op de inbeslaggenomen floppy disks werd een cd met, van deze floppy disks gekopieerde afbeeldingen, overhandigd aan [verbalisant 5], inspecteur bij de dienst Nationale Recherche Informatie met het verzoek deze afbeeldingen te analyseren."

3. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 6], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"In het onderhavige onderzoek zijn 16 VHS videobanden in beslag genomen. Wij hebben deze videobanden onderzocht op de aanwezigheid van kinderporno.

"[film 1]"

De jongens in de film verrichten seksuele handelingen met elkaar. Een jongen trekt zichzelf en andere jongens af. Pijpt andere jongens en laat zich pijpen. Hij heeft anaal contact met een andere jongen.

"[film 2]"

Er is een aantal jongens te zien. De jongens verrichten seksuele handelingen met elkaar. De jongens trekken zichzelf en elkaar af. Zij pijpen elkaar en hebben anaal contact met elkaar."

4. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"In aanvulling op het proces-verbaal nummer 2001147126 d.d. 23 oktober 2001 van de regiopolitie Limburg-Zuid, relaterende het onderzoek van inbeslaggenomen videobanden relateer ik het volgende:

Op 4 januari 2005 ontving ik uit handen van mr J. Wiarda, advocaat-generaal bij het gerechtshof te Arnhem 9 eerder door mij in dit onderzoek onderzochte videobanden, waaronder:

4) [film 1]

8) [film 2]

Voornoemde advocaat-generaal verzocht mij, ter uitvoering van het tussenarrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 26 november 2004, parketnummer 21-002211-04 er voor zorg te dragen dat deze videobanden op DVD zouden worden gezet en opnieuw onderzoek in te stellen naar het zich op deze videobanden bevindende beeldmateriaal.

Hieronder volgt een overzicht van scenes waarbij de videoband/DVD is aangegeven en de geselecteerde scenes met tijdsaanduidingen.

Videoband nr. 4/DVD nr. 4

Film 1: [film 1]

Tellerstand 0:0:00 - 0:44:10

Opnames van twee blanke jongens die seksuele handelingen verrichten.

Seksuele handelingen: masturberen, fellatio, anale geslachtsgemeenschap, ejaculeren.

Videoband nr. 8/DVD nr. 8

"[film 2]"

Tellerstand 0:0:00 - 0:43:23

Opnames van meerdere blanke jongens die seksuele handelingen verrichten.

Seksuele handelingen masturberen, fellatio, anale geslachtsgemeenschap, ejaculeren."

5. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 5], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"In februari 2002 ontving ik van [verbalisant 1], hoofdinspecteur bij de Rijksrecherche te 's-Hertogenbosch een cd-rom met daarop mogelijk kinderpornografische afbeeldingen met het verzoek deze afbeeldingen te analyseren.

De cd-rom bleek te zijn opgebouwd uit vier folders met de namen: flop01, flop02, flop03 en flop04.

De afbeeldingen in de verschillende folders werden bekeken. De kinderpornografische afbeeldingen werden per folder benoemd en beschreven in de bij dit proces-verbaal genoemde bijlage."

6. een geschrift, inhoudende de beschrijving folderindeling, hoeveelheid afbeeldingen per folder en de kinderpornografische afbeeldingen per folder uit onderzoek Rijksrecherche, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 5], voor zover inhoudende:

"Folder: flop02

[bestandsnaam 1].jpg: Twee naakte jongens zitten, half over elkaar heen hangend, op een bank. Beiden hebben duidelijk zichtbaar een erectie.

Folder: flop04

[bestandsnaam 4].jpg: Een naakte staande jongen. Hij heeft een erectie. De staande jongen is van de zijkant gefotografeerd.

[bestandsnaam 3].jpg: Jongen, gekleed in een T-shirt, zit met enigszins gespreide benen op een stoel. Hij heeft een erectie. Een tweede jongen zit geknield tussen zijn gespreide benen en pleegt orale seks met de op de stoel zittende jongen.

[bestandsnaam 5].jpg: Twee naakte jongens liggen achterover op een bed. Zij hebben beiden de benen gespreid."

7. de verklaring van de getuige-deskundige G.J.R. Maat ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2005, voor zover inhoudende:

"(nadat hem is getoond DVD 4 vanaf tellerstand 00:33:30 tot en met 00:36:00)

De linker jongen is kennelijk jonger dan zestien.

(nadat hem is getoond DVD 8, tellerstand 00:15:15 tot en met 00:18:00)

Beide jongens vallen in de categorie onder de 16 jaar.

(nadat hem is getoond beeldbestand 4 [bestandsnaam 3].jpg)

De jongen is onder de zestien jaar.

(nadat hem is getoond flop 4 opname 14, bestandsnaam [bestandsnaam 4].jpg)

De afgebeelde jongen is duidelijk onder de zestien jaar.

(nadat hem is getoond flop 4 opname 19, [bestandsnaam 5].jpg)

De afgebeelde jongen is duidelijk onder de 16 jaar. Ik twijfel zelfs of ik hem niet onder de 14 jaar moet inschatten.

(nadat hem is getoond flop 2, opname 32, [bestandsnaam 2].jpg)

De afgebeelde jongen is buiten gerede twijfel onder de 16 jaar.

(nadat hem is getoond [bestandsnaam 1].jpg)

De rechter afgebeelde jongen is buiten gerede twijfel jonger dan zestien jaar."

8. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2005, voor zover inhoudende:

"Hetgeen wij zojuist hebben gezien is materiaal van de videobanden en de floppy's die ik in mijn woning in [woonplaats] aanwezig heb gehad."

9. de eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 13 oktober 2005 dat op flop 2, bestand [bestandsnaam 2].jpg een naakte jongen te zien is die een erectie heeft en met zijn hand zijn penis vasthoudt.

3.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts, voor zover hier van belang, nog het volgende

overwogen:

"De eigen waarnemingen van het hof ter zitting van 13 oktober 2005 alsmede de inzichten en bevindingen van de ter zitting gehoorde deskundige Maat hebben het hof tot het oordeel gebracht dat bij de voormelde bewezenverklaarde afbeeldingen telkens sprake is van gedragingen van een of meer jongens die kennelijk de leeftijd van 16 jaren nog niet hadden bereikt, waarbij het hof "kennelijk" verstaat als "buiten redelijke twijfel". Het hof heeft hierbij gelet op de lichamelijke ontwikkeling van de afgebeelde personen."

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als middel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.

4.2. Opmerking verdient nog het volgende. In de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad op de voet van art. 510 Sv het gerecht aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting van de zaak tegen de verdachte zal plaatshebben. De schriftuur verbindt aan de omstandigheid dat die beslissing is genomen zonder dat de verdachte in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord de gevolgtrekking dat art. 23, tweede lid, Sv is geschonden. Anders dan in de schriftuur wordt verondersteld zijn de voorschriften van de zesde afdeling van de eerste titel van het Wetboek van Strafvordering - en dus ook art. 23, tweede lid, Sv - niet toepasselijk op de behandeling van een verzoekschrift als bedoeld in art. 510, eerste lid, Sv.

5. Beoordeling van het zesde middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

5.2.1. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2006 gehechte pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:

"b. de Tanner-criteria

De tabellen van dr. Tanner, waarin de ontwikkelings-stadia van de uitwendige geslachtskenmerken worden weergegeven, in het engels: de Tanner Puberty Stages, worden door de Nederlandse politie veelvuldig gebruikt om de leeftijd van jeugdigen in pornografie te schatten, zo ook in deze zaak. Ook prof. Maat heeft deze methode gehanteerd. Gezegd kan worden dat het gebruik van deze criteria algemeen aanvaard is in de Nederlandse rechtspraktijk. Dat wil echter niet zeggen dat dit altijd op juiste wijze gebeurt. Zo is het koppelen van een leeftijd aan een ontwikkelingsfase op de schaal van Tanner zelfs bij benadering wetenschappelijk niet verantwoord, terwijl in ieder geval de politie dit wel pleegt te doen.

(...)

In een brief die is gepubliceerd in het blad Pediatrics in 1998 hebben nota bene Tanner zelf en Rosenbloom gewaarschuwd tegen het gebruik van deze criteria voor andere dan medische en educatieve doeleinden (bijlage 2). Ik citeer:

"This (to estimate probable chronologic age - AR) is a wholly illegitimate use of Tanner staging: no equations exist estimating age from stage, and even if they did, the degree of unreliability in the staging - the independent variable - would introduce large errors into the estimation of age, the dependent variable. Furthermore, the unreliability of the stage rating is increased to an unknown degree by improperly performed staging, that is, not at all clinical examination but through nonstandardized and, thus, unsuitable photographs."

In hetzelfde tijdschrift is kritiek gekomen op de oproep van beide auteurs aan artsen om niet meer als getuige-deskundige op te treden in zaken waarin gevraagd wordt de leeftijd aan de hand van Tanner-criteria vast te stellen. Diverse deskundigen stelden dat het wel degelijk nuttig kan zijn als getuige-deskundige op te treden en de Tanner-criteria te gebruiken. Zo stelde Kutz dat aan de hand daarvan wel kan worden vastgesteld dat iemand eruit ziet als een minderjarige, al kan de precieze leeftijd niet worden vastgesteld. Hij wees erop dat deskundigen in het algemeen zeer terughoudend zijn om uitspraken te doen over personen die lijken te vallen in de Tanner-stadium 3 of hoger. Ook wees hij erop dat algemeen erkend is dat deze stadia niet van toepassing zijn op (etnische) populaties die Tanner niet heeft onderzocht. Sirotnak erkende dat het schatten van de exacte leeftijd geen nauwkeurige wetenschap is, maar toch wel bruikbaar om vast te stellen of iemand een kind is of niet. In een reactie op deze kritiek stelde Rosenbloom dat de critici niet het belangrijkste onderdeel van de oorspronkelijke brief betwistten, te weten dat de precieze leeftijd niet aan de hand van de criteria kan worden vastgesteld. Hij gaf onder meer het volgende voorbeeld van in zijn ogen kolossaal ("egregious") misbruik van de Tanner-criteria:

"Tanner 4 late, has heavy hair at base of penis and up over pubis... Testes well developed in full scrotum, penis long and broad. No hair on thighs or up to inguinal area or up linea alba. Age 16-17"

Ik begrijp uit zijn opmerkingen dat niet het vaststellen van een ontwikkelingsstadium op problemen stuit, maar het koppelen van een zekere leeftijd daaraan."

(...)

5. De nadere opgave van de Advocaat-Generaal en de rapportages van prof. Maat

In het afgelopen jaar hebben de verbalisant [verbalisant 4] en prof. Dr. Maat zich nog eens over de banden en bestanden gebogen. Ook zij hebben daarbij in hoge mate vertrouwd op de Tanner-criteria. Dit heeft geleid tot opmerkelijke resultaten.

Ten eerste blijkt het overgrote deel van de jongens naar het oordeel van prof. Maat niet als "kennelijk jonger dan 16" te kunnen worden aangemerkt. In zijn tweede rapport, nadat hij al het materiaal had bekeken, komt hij tot de conclusie dat slechts in 10 gevallen, 4,7% van het totaal, sprake is van jongens die kennelijk de leeftijd van 16 jaren niet hebben bereikt. Tot deze 10 gevallen beperkt zich daarom nu de discussie. Die discussie willen wij in volle hevigheid voeren, nu wij het met deze conclusies niet eens zijn en menen dat het aantoonbaar of op zijn minst onzeker is dat prof. Maat het met betrekking tot die 10 afbeeldingen bij het rechte eind heeft. En waar twijfel is, moet deze gelden in het voordeel van de verdachte.

Ten tweede is het zeer opmerkelijk dat Prof. Maat in de gevallen van zijns inziens te jonge jongens heeft gesteld dat die zich in ontwikkelingsfase PH2 bevonden, terwijl [verbalisant 4] (die ook volgens Maat voldoende gekwalificeerd is dergelijke inschattingen te maken) hen in al die gevallen inschat op PH3. Op grond van de uitgangspunten van de rapportage van prof. Maat (die als gezegd voorzover wij kunnen overzien wetenschappelijk juist zijn) moet worden geconcludeerd dat wanneer een jongen zich in fase PH3 bevindt géén sprake is van "kennelijk jonger dan 16". Zijn opmerking zoals neergelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 oktober 2005, dat P3 (of G3) zou betekenen "jonger dan 16 jaar" (zie o.a. blz. 5) kan ik me niet herinneren, maar moet onjuist zijn gezien zijn eigen uitgangspunten zoals genoemd in beide rapportages en het meermalen voorkomen van P(H)3 en G3 in die rapportages bij jongens die door hem als "nog geen 18 jaar" zijn aangemerkt. Bovendien zou dat in strijd zijn met de wetenschappelijke opvattingen van Tanner en Kutz, die ik eerder heb besproken. Vanaf Tanner fase 3 is de onzekerheid te groot om te kunnen spreken van "kennelijk jonger dan 16 jaar".

Wij menen dat het inschatten van een ontwikkelingsfase als PH 2 of PH3 geen academisch deskundigenwerk is: aan de hand van beschrijving en foto's zijn de fases ook door een geoefende leek wel in te schatten. Dat geldt zeker voor een "ervaren leek" als [verbalisant 4]. Dat laatste is als gezegd bevestigd door Maat tijdens de vorige terechtzitting, in antwoord op de vragen die ik hem daarover heb gesteld. Wij concluderen uit de verschillende inschattingen dat over de ontwikkelingsfase ook onder "deskundigen" kennelijk twijfel mogelijk is. Die conclusie wordt bevestigd door onze eigen ervaringen bij het bekijken van de beelden, waarbij ik opmerk dat ik meen dat ook ikzelf inmiddels aan de hand van mijn kennis daarover wel een inschatting van Tanner/Burgemeijer stadia kan maken. Ik denk u ook. Verdere bevestiging van de twijfel die bij het maken van die inschatting kan bestaan vinden wij in het gegeven dat prof. Maat in zijn rapportage zelfs niet consistent is in zijn eigen oordeel. In het tweede rapport wordt een aantal jongens anders beoordeeld dan in het eerste. Bovendien komt een van de te jong bevonden jongens in andere scènes voor, waarin hij niet als "kennelijk geen 16" is aangemerkt. We zullen hierop dadelijk nader ingaan. Tenslotte is tijdens de vorige zitting gebleken dat Maat gemakkelijk aan het twijfelen is te brengen. In de loop van de zitting, naar aanleiding van indringende vragen van met name cliënt, werd hij zeer onzeker. Hij deelde mede zich geprest te voelen beelden te beoordelen waar hij dat eigenlijk niet verantwoord vond en was daar ook aarzelend in. Soms waren zijn opmerkingen zelfs onderling tegenstrijdig. Ook daarop kom ik zo direct terug.

Dat in geval van PH3/G3 geen sprake is van "kennelijk geen 16", is wél een oordeel dat o.i. is voorbehouden aan de deskundige. Dat oordeel is immers gebaseerd op wetenschappelijke inzichten zoals hierboven beschreven. Wij vinden het echter vreemd dat prof. Maat is uitgegaan van slechts één statistische tabel (die alleen op Tanner's onderzoeksgroep deze betrekking heeft) en niet merkbaar rekening heeft gehouden met het gegeven dat een aantal van de jongens die nu nog ter discussie staan in één geval van Aziatische - en in de overige gevallen mogelijk van Oost-Europese afkomst is. Aziatische jongens zien er in het algemeen jonger uit dan hun West-Europese leeftijdsgenoten. Maat heeft tijdens de vorige zitting ook zelf erkend dat hij deze jongens minder goed kan beoordelen. Hetzelfde geldt voor Oost- Europese jongens die in minder goede sociale omstandigheden opgroeien en daardoor mogelijk langzamer zijn in hun lichamelijke ontwikkeling, zoals Wafelbakker heeft beschreven. Met betrekking tot hen heeft Maat gesteld dat inderdaad minder bekend is, omdat daarnaar geen onderzoek is gedaan. Daarmee bestaat o.i. het risico dat deze jongens in de rapportage ten onrechte als "kennelijk geen 16" zijn ingeschat."

5.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2006 heeft voorts de verdachte aldaar aangevoerd, voor zover hier van belang:

"Ik wil graag reageren op hetgeen de deskundige op de vorige terechtzitting heeft aangevoerd. De deskundige ging mijns inziens op de zitting alle kanten op. (...) Naar aanleiding van zijn verklaring ben ik zelf de literatuur ingedoken. Ik heb het boek van Tanner uit 1962, getiteld "Growth at Adolescence" uit de bibliotheek gehaald. In dit boek (...) zit een fotoblad waar ook het stadium P2 is afgebeeld. Op die foto is geen pubesbeharing te zien. De eerste haartjes die verschijnen, kun je niet op de foto zien. Bij P3 is de pubesbeharing wel zichtbaar.

(...)

Maat gaf de kwalificatie G3, over de pubesbeharing kon hij niet oordelen maar toch werd de kwalificatie leeftijd onder 16 jaar eraan verbonden. Hoe kan dat? In de litteratuur wordt niet onderbouwd dat gecategoriseerd kan worden op basis van alleen de P- of G-factor. Maat zei ook dat er duidelijk sprake was van een vroege G3. Een vroege G3 bestaat echter niet, dat heeft hij zelf verzonnen. (...) Op pagina 195 worden de cruciale verschillen uiteengezet. (...) Het stadium PH2 begint gemiddeld op de leeftijd van 11,8 in Nederland (...). Eén kenmerk is niet genoeg om tot een kwalificatie te komen. Ik leg het boek van Tanner aan u over."

5.3. Hetgeen door de raadsvrouwe en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2006 is aangevoerd met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige-deskundige Maat kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door als bewijsmiddel te gebruiken de hiervoor onder 3.2 sub 7 weergegeven verklaring van de getuige-deskundige Maat ter terechtzitting in hoger beroep en door zich in de, hiervoor onder 3.3 weergegeven, nadere bewijsoverweging te beroepen op "de inzichten en bevindingen van de ter zitting gehoorde deskundige Maat". Het Hof heeft echter - in strijd met art. 359, tweede lid, Sv - niet in het bijzonder de redenen opgegeven die tot die afwijking hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

5.4. Het middel is terecht voorgesteld.

6. Beoordeling van het tweede, het derde, het vierde, het vijfde, het zevende, het elfde, het dertiende, het vijftiende en het zestiende middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 januari 2008.