Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB4427

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
42878
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB4427
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Precariobelasting (artikel 228 Gemeentewet). Ondergrondse leidingen. Gemeentegrond in het onderhavige geval voor de openbare dienst bestemd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1042 met annotatie van Van der Burg
FutD 2008-0996 met annotatie van Fiscaal up to Date
Belastingblad 2008/706
BNB 2008/183 met annotatie van W.J.N.M. Snoijink
FED 2008/50
V-N 2008/23.28 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 42.878

9 mei 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam te Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2005, nr. BK-04/00056, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de precariobelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een voorlopige aanslag in de precariobelasting van de gemeente Rotterdam opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: de heffingsambtenaar) is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de heffingsambtenaar alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 augustus 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Zowel belanghebbende als het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Ten behoeve van uitoefening van haar bedrijf - onder meer het fabriceren, gebruiken en verhandelen van industriële gassen en andere chemische producten - heeft belanghebbende, met vergunning, leidingen en buizen gelegd in gemeentegrond. Het merendeel van de leidingen ligt in speciaal hiervoor gereserveerde kabel- en leidingstroken, die over het algemeen zijn gelegen in speciale groenstroken naast de (openbare) weg. Waar de leidingen de weg kruisen, is een speciaal leidingviaduct gebouwd.

3.1.2. De bovengrondse stukken van de leidingen waar zich een afsluiter bevindt, zijn in het algemeen omheind met een hekwerk. Aan de rand van de leidingstroken staat om de 100 meter een verbodsbordje met de tekst "Kabelstrook, gevaarlijke leidingen, verboden toegang" of soortgelijke bewoordingen. Boven chloorleidingen liggen op de grond extra waarschuwingstegels.

3.1.3. De leidingstroken hebben formeel geen bestemming, doch in de praktijk wordt uitgegaan van de bestemming industrie.

3.1.4. Naast belanghebbende hebben ook andere (nuts)bedrijven leidingen in de(zelfde) leidingstroken.

3.1.5. De Verordening precario en rechten 2003 van de gemeente Rotterdam bevat onder meer de navolgende bepaling:

Artikel 2 Belastbaar feit

Overeenkomstig de bepalingen in deze verordening:

1. wordt onder de naam 'precariobelasting' een belasting geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd;

2. worden rechten geheven voor het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken en inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn.

3.1.6. Ter zake van het hebben van leidingen in gemeentegrond is aan belanghebbende de onderhavige aanslag in de precariobelasting opgelegd.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de gemeentegrond waarin de leidingen van belanghebbende zich bevinden, voor de openbare dienst bestemd is. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.

3.3.1. Het Hof heeft daartoe in aanmerking genomen dat de leidingstroken - blijkens de vaststaande feiten die hiervoor in

3.1.2 zijn weergegeven - voor het publiek niet toegankelijk zijn.

3.3.2. Door deze omstandigheid in aanmerking te nemen heeft het Hof volgens het middel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.3.3. Het middel slaagt. Toegankelijkheid voor het publiek is niet een algemeen geldend vereiste, waaraan noodzakelijkerwijs moet zijn voldaan vooraleer geoordeeld kan worden dat gemeentegrond voor de openbare dienst bestemd is. Toegankelijkheid voor het publiek is daarvoor slechts dan vereist indien slechts daardoor de realisatie is gewaarborgd van de (publieke) functie die de desbetreffende gemeentegrond beoogt te vervullen, zoals die van openbare weg. Het middel betoogt met juistheid dat voor de realisatie van de functie van leidingstrook publieke toegankelijkheid van de grond geen rol speelt.

3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen voor zover voor het Hof in geschil was of van belanghebbende precariobelasting kan worden geheven.

3.5.1. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat zij de desbetreffende gemeentegrond gebruikt overeenkomstig de feitelijke bestemming daarvan, te weten leidingstrook, en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat slechts een gebruiksrecht kan worden geheven als bedoeld in artikel 2 onder 2 van de Verordening. Deze gevolgtrekking is evenwel onjuist (vgl. HR 18 juni 2004, nr. 39101, BNB 2004/339).

3.5.2. Dat de leidingstrook bestemd is voor de openbare dienst is voor het Hof door belanghebbende uitsluitend betwist met het betoog dat het gebruik van die strook slechts aan een beperkt aantal personen en entiteiten is toegestaan en aan stringente voorwaarden is gebonden. Juistheid van dat betoog weerlegt echter niet de stelling van de heffingsambtenaar dat de leidingstrook voor de openbare dienst bestemd is.

3.5.3. De slotsom luidt dat ter zake van het hiervoor in 3.5 omschreven geschilpunt het gelijk aan de zijde van de heffingsambtenaar is.

3.6. Verwijzing moet volgen voor beoordeling van de grief van belanghebbende waaraan het Hof niet is toegekomen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2008.