Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BB4366

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
43722
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB4366
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8736, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 12, lid 2, Belastingverdrag Ned-Duitsland. Overheidspensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 15
BNB 2009/199 met annotatie van S. VAN WEEGHEL
V-N 2008/59.12 met annotatie van Redactie
FutD 2008-2504
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 43722

5 december 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2006, nr. 05/00007, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 3 september 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende, die de Duitse nationaliteit bezit en is geboren in 1933, is van 1 november 1975 tot 30 november 1998 werkzaam geweest bij een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon (hierna: de rechtspersoon). De pensioenen van de werknemers van die rechtspersoon waren geregeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet (hierna: de ABP-wet). De uitvoering van die wet was ondergebracht bij de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: het ABP). Met ingang van 1 januari 1996 is het ABP geprivatiseerd bij de Wet privatisering ABP (Wet van 12 december 1995, Stb. 639) en is het vermogen van het ABP onder algemene titel overgegaan op de Stichting Pensioenfonds ABP. Voorts is per die datum de ABP-wet ingetrokken en zijn de in die wet geregelde pensioenaanspraken van overheidswerknemers opgenomen in het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

3.1.2. Belanghebbende woonde in 2002 het gehele jaar in Duitsland. In dat jaar ontving hij een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP ter zake van zijn voormalig dienstverband met de rechtspersoon (hierna: het pensioen).

3.2. Voor het Hof was in geschil of artikel 12 van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van 16 juni 1956, Trb. 1959, 85 (hierna: het Verdrag) het heffingsrecht over het pensioen toewijst aan Nederland of aan Duitsland. Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 1994, nr. 29935, BNB 1995/117, geoordeeld dat het heffingsrecht over het pensioen ingevolge artikel 12, lid 2, van het Verdrag toekomt aan Nederland. Tegen dat oordeel richt zich het middel.

3.3. Zoals volgt uit evenvermeld arrest BNB 1995/117 is aan het vereiste van artikel 12, lid 2, van het Verdrag dat de Staat of een publiekrechtelijke rechtspersoon of instelling "betaalt", voldaan voor zover het pensioen is opgebouwd in overheidsdienst. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om terug te komen van deze uitleg, die, zoals uit het eerderbedoelde arrest ook volgt, mede verband houdt met voorwerp en doel van artikel 12, lid 2, van het Verdrag. Voor zover het middel op een andere uitleg berust, faalt het derhalve.

3.4. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2008.